Interview met Thomas Rosenboom
‘Ik schrijf niet zo dwangmatig meer’
Door door Annemiek Neefjes (15 september 2006)


‘O ja? Vraagt de huisknecht zijn vrouw om een pleister? Ah, wat zielig!’ Thomas Rosenboom lacht scheutig om de door mij beschreven scène, maar hij kan zich niet meer herinneren dat die van hemzelf afkomstig is. ‘Ik herlees mijn verhalen en romans nooit,’ zegt hij. ‘Ik ben ontzettend bang om gedemotiveerd te raken, dat het tegenvalt wat ik heb geschreven. Ik ervaar wat ik uiteindelijk op papier zet, steevast als een onvolkomen weergave van wat ik in mijn hoofd zag.’

De huisknecht in het gelijknamige verhaal kan niet verdragen dat zijn vrouw het zo druk heeft met de verzorging van de oude, doodzieke kolonel bij wie zij in dienst zijn, en zeurt als een kind om haar aandacht. Het is te lezen in Hoog aan de wind, een bundeling van Rosenbooms verhalen uit de periode 1983 tot nu. De meeste van de elf verhalen verschenen eerder in bloemlezingen, tijdschriften of kranten.

In zijn huis in de Amsterdamse Jordaan praat ik met hem over de verhalen, over zijn schrijverschap van de afgelopen twee decennia en over de roman waar hij nu een paar maanden aan schrijft. Als toetje van de bundel verhalen presenteert Rosenboom ‘De onderhandelaar’, een niet eerder gepubliceerde voorstudie van zijn roman-in-wording.

Hoog aan de wind
Hoog aan de wind is alleen al verrassend omdat je de schrijver hier op de korte baan ziet. Rosenboom is vanaf nu niet meer alléén die schrijver van dikke pillen als Gewassen vlees en Publieke werken. Rosenboom: ‘De laatste jaren kregen deze romans overdreven veel aandacht. “De jongen met de viool”, het eerste verhaal in de bundel, stond al in mijn debuut De mensen thuis, maar ik heb het hier toch opgenomen. Zo krijgt het weer wat aandacht. Een literair journalist bracht me op het idee. Hij zei me dat hij het het beste verhaal uit de naoorlogse periode vond. Ik vertel je dit niet om op te scheppen, hoor.’

De bundel is divers samengesteld, met korte en langere verhalen, een autobiografisch verslag over muziek (‘Strijdmuziek’), een niet in Gewassen vlees opgenomen hoofdstuk (‘Vader!’), een kinderverhaal (‘De huisknecht’) en een parodistisch portret van een bureauredacteur (‘Mechanica’). Het aardige is dat je met de chronologisch geplaatste verhalen Rosenbooms literaire ontwikkeling op de voet kunt volgen. Zo is ‘De jongen met de viool’ behoorlijk barok, met flink wat archaïsmen, terwijl de latere verhalen minder nadrukkelijk literair zijn.

Rosenboom: ‘Hoe onzekerder je bent, hoe opzichtiger je literaire taal, dat werkt net zo bij onzekere mensen en hun overdreven aandacht voor kleren. Later ben ik soberder gaan schrijven, werd ik ook zuiniger in het aantal personages en de locaties. In mijn laatste roman De nieuwe man hanteer ik bijvoorbeeld eenheid van plaats, dat werkt enorm benauwend.’ In de bundel is ‘Tinctuur’ een voorbeeld van die versobering. Alles draait hier om de schooljongen, die maar aan één ding denkt en dat is dat hij aansluiting moet zien te vinden bij het stoere clubje van de klas. Als lezer kun je onmogelijk aan zijn obsessie ontkomen, terwijl je tegelijkertijd de beklemming voelt dat dit niet goed kán aflopen.

Rosenboom debuteerde met ‘De jongen met de viool’ in de literaire wereld. Hij stuurde het naar het tijdschrift De Revisor en het werd geplaatst. Bij dit verhaal dacht hij voor het eerst: het is geslaagd, beter dan dit zal het niet worden. ‘Bij eerdere verhalen was ik me voortdurend bewust dat ik literair schreef, “De jongen met de viool” schrééf ik gewoon, ik hoefde er geen literatuur van te maken, het had een kracht in zichzelf. Misschien kwam dat omdat het idee van het verhaal goed was. Als het idee klopt, schrijft een verhaal zich als vanzelf. Als het idee niet goed is, ga je dwalen.’

Behoefte aan bevestiging
Hij weet nog dat hij dacht: als de gevestigde literaire orde dit verhaal afwijst, moet ik met schrijven stoppen, dan kan ik het kennelijk niet. ‘Ik had behoefte aan bevestiging.’ Die bevestiging bleef Rosenboom de jaren erna hard nodig hebben. Hij herinnert zich nog haarscherp hoe nerveus hij was toen hij een jaar na de publicatie van zijn debuut De mensen thuis bij zijn redacteur ‘De huisknecht’ inleverde, het kinderverhaal dat hij op verzoek had geschreven. Een paar dagen later durfde hij nauwelijks naar het Boekenbal, want stel je voor dat hij daar zijn redacteur tegen het lijf zou lopen. ‘Ook toen ik Publieke werken inleverde, toen was ik toch al bijna vijftien jaar schrijver, voelde ik weer die angst voor de afwijzing.’

Rosenboom vertelt dat hij de afgelopen jaren minder onzeker is geworden. ‘Als een bladzijde de ene dag niet lukt, dan lukt het de dag erna wel. Ik raak niet meer zo snel in paniek. Ik schrijf meer vanuit de ontspanning, niet zo dwangmatig meer. Als ik vroeger aan een boek werkte ging ik nergens naartoe, dat kón niet. Nu ga ik gewoon naar een verjaardagsfeestje, daar zit ik dan geïnteresseerd met iemand te praten. Die getergde kunstenaarshouding begon me echt de keel uit te hangen, ook als ik die bij andere schrijvers zag.’

Doordat hij zich minder obsessief op het schrijven stort, is ook zijn werkmethode veranderd. Bij zijn eerdere romans gebruikte Rosenboom meterslange stroken behangpapier aan de muur, waarop hoofdstuk na hoofdstuk de ingrediënten stonden vermeld. ‘Daar mocht ik absoluut niet van afwijken,’ zegt hij op een toon alsof hem dat nu verbaast. ‘Ik legde al schrijvend een weg af, halte voor halte, maar nú’ - hij vormt met beide armen een wijde cirkel in de lucht - ‘nu loop ik in een ruime tuin. Ik heb nog wel op stroken behang een schema getekend met de drie delen waaruit mijn roman zal bestaan, maar de indeling van de hoofdstukken staat nog helemaal niet vast. Ik heb ze verspreid over het papier aangegeven. Mijn nieuwe roman zal vrijer, lyrischer zijn dan mijn eerdere werk.’

Geen catastrofale knal aan het eind
Met Hoog aan de wind sluit Rosenboom dus een literaire periode af en kondigt hij alvast een nieuwe aan. Tevergeefs wacht je in ‘De onderhandelaar’ dan ook op de diepe, tragikomische val van de veerman - zo vergaat het Rosenbooms personages toch altijd? Maar er valt hier helemaal niemand. Rosenboom, tevreden: ‘Het verhaal eindigt niet met een catastrofale knal, het eindigt met een zacht gevoel, met weemoed.’ ‘De personages in mijn vorige boeken speelden het nooit klaar om vriendschappelijk contact te hebben met mensen. Hoe meer ze hun best deden, hoe pijnlijker het mislukte. Dat zegt niet alleen iets over mijn visie op de mens, het zegt vooral ook iets over hoe ikzelf was. Ik was een verschrikkelijke jongen, als ik in een café tegenover een aardig meisje zat, begon ik over Kant.’

Die verschrikkelijke jongen voelt zich nu eenvoudigweg prettiger, losser. Mompelend beaamt hij dat dit mede door zijn vrouw komt, die hij drie jaar geleden ontmoette en met wie hij korte tijd later trouwde. Over haar wil hij niet veel zeggen, maar wel over Pons, hun artistieke konijn (‘hij is nu uit logeren’), van wie een kunstwerk vlak boven de plint van de muur hangt. Ernaast een stickertje: ‘Zonder titel, 2006’. ‘Waar lijkt dit werk op?’ vraagt Rosenboom en wijst naar het afgekrabde stuk karton. Hij geeft zelf het antwoord: ‘Het is een roofvogel, een arend. Zonder dat Pons ooit zijn grootste vijand heeft ontmoet, heeft hij er toch een duidelijk beeld van. En kijk, dit werk hier is een zelfportret, dat heeft hij op de grond gemaakt, hier zitten de oren, dit zijn de oogjes.’ Hij lacht en zegt: ‘Om zoiets kunnen wij op een infantiele manier plezier hebben.’

In een lommerrijke Wassenaarse omgeving
Zo meteen keert Rosenboom terug naar het NIAS in Wassenaar, een instituut waar schrijvers en wetenschappers intern met hun boek of onderzoek bezig zijn. Want hoewel Rosenboom zich dan niet meer grimmig aan zijn werktafel plaatst, er dient wel gewerkt te worden. ‘Hier thuis moet ik altijd alleen op gang zien te komen,’ zegt hij, ‘op het NIAS ga ik gewoon mee in het peloton.’

Hij spreekt lyrisch over de mensen daar (‘ze zijn allemaal vriendelijk’) en over de lommerrijke Wassenaarse omgeving. Hij voelt zich er veilig, zegt hij. ‘Ik heb er niet die waakzaamheid, die voortdurend sluimerende angst, zoals ik die in Amsterdam heb.’ In zijn vorig jaar gehouden Kellendonklezing Denkend aan Holland uitte Rosenboom zijn ergernis en angst over het onbeleefde, schreeuwerige gedrag van vooral jongeren in de openbare ruimte. ‘Dat pamflet schreef ik als bezorgde burger,’ zegt hij, ‘niet als schrijver. Een aantal jaren geleden zou ik dit niet hebben gezegd, maar nu vind ik: het is goed als schrijvers zich af en toe buiten hun literaire werk laten horen, dan leer je ze van een andere kant kennen.’ Hij vertelt dat hij een tijdje geleden tijdens een literaire tour aan de lunch zat met Harry Mulisch. ‘We hadden het een uur lang over dieren. Als je met iemand praat over zijn huisdier, of over kinderen, of een hobby, in ieder geval over iets dat hem vertedert, dan laat iemand zich echt kennen. Je krijgt dan een beter beeld van je gespreksgenoot dan wanneer je het alleen maar over literatuur hebt.’

Hoog aan de wind verschijnt woensdag 20 september, Querido, 253 p., euro 18,95.
In oktober verschijnt van Rosenboom een hertaling van De Afrikaanse brieven van de zeventiende-eeuwse ambtenaar Willem Godschalck van Focquenbroch (uitgeverij Prometheus).
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)
Interview met Renée Knight Door Guus Bauer (23-04-2019)
Interview met Sander Kollaard Door Guus Bauer (06-04-2019)
Interview met Kristine Bilkau Door Guus Bauer (22-03-2019)