Interview met Thomas Rosenboom
‘Ik schrijf nooit uit behoefte’
Door Guus Bauer (28 augustus 2009)


Vandaag is de langverwachte ‘nieuwe Thomas Rosenboom’ verschenen: de roman Zoete mond. Rosenboom heeft zich met dit epos deels ‘heruitgevonden’. Natuurlijk is het boek wederom geraffineerd geconstrueerd, wordt de lezer beloond met mooie beelden en subtiele wendingen, valt er historisch wat te leren en mag de auteur ook in deze roman graag een paar archaïsche woorden in leven houden. De geplogenheden van deze voor Nederlandse begrippen unieke schrijver zijn gevoeglijk bekend, maar met dit meer dan vijfhonderd pagina’s tellende epos komt Rosenboom dichterbij zichzelf dan ooit. Net als zijn hoofdpersonen snijdt hij duchtig in eigen vlees.

In het dorp Angelen aan de Rijn, vlakbij de grens met Duitsland, rukt in de jaren vijftig en zestig het moderne leven langzaam maar onstuitbaar op. Eeuwenlang was er weinig veranderd.

Zo gleed het leven voorbij, gelijkmatig als de rivier, in gedurige vernieuwing die eigenlijk opeenvolging was, of vervanging, zodat er niet veel veranderde. Elk jaar kwamen er nieuwe appels aan de bomen, andere appels, maar het bleven appels; elk jaar stonden er nieuwe lammetjes in de wei, maar het bleven lammetjes, en uiteindelijk gold dat ook voor de mensen, die wel stierven en geboren werden, maar voornamelijk toch hetzelfde bleven.

Nadat zijn vrouw dodelijk is verongelukt verhuist dierenarts Rebert van Buyten in 1965 met escapistische bedoelingen naar het afgelegen burgemeesterhuis in het Rijndorp. Wanneer hij er binnenrijdt wordt juist een hond aangereden. Onder de ogen van een groepje kinderen behandelt hij de jonge boxer. Onbedoeld verkrijgt hij daarmee de heldenstatus. Een golf van dierenliefde overspoelt het dorp. De kinderen brengen hun meestal kerngezonde beestjes naar het spreekuur. Dokter Van Buyten was geenszins van plan om een echte praktijk op te zetten. Om de kinderen ter wille te zijn schildert hij zelf een uithangbord. Een van de eerste ‘cliënten’ is het meisje dat op de hond had moeten passen. Ze heeft een kom met een ‘zieke’ goudvis. Haar moeder, de mooie Laura Banda, is meegekomen.

Hier gaat de weergaloze stylist Rosenboom teder met mens en dier om. Je bent geen dokter als je niets meegeeft, dus maalt Rebert wit en rood krijt en geeft dat in zakjes mee. De diertjes worden in een echt patiëntenboek ingeschreven en soms moeten ze een nachtje overblijven. De volgende dag kunnen ze dan opgeknapt en wel weer worden opgehaald. Soms gaat Rebert zelfs zo ver dat hij stad en land afzoekt naar een dier dat sprekend lijkt. Als eerste koopt hij een goudvis voor het dochtertje van Laura.

In het dorp met louter eenvormige mensen woont op een landgoed buiten het dorp tegenspeler Jan de Loper, een rijke excentriekeling die dwangmatig grappen maakt en beroemd is vanwege zijn lange reizen te voet en het tropenmuseum in zijn tuin. Beide mannen verstaan ‘de kunst van de zoete mond’. Het kan niet anders of het moet tot een confrontatie komen. De afkeer van Jan de Loper wordt bij Rebert welhaast een obsessie, zeker naarmate Laura het steeds vaker over de oude grappenmaker heeft. Van de weeromstuit gaat Rebert, gekleed in smetteloos tenniswit, ook lange afstanden lopen.

Wat waren de inspiratiebronnen voor Zoete mond?
Ik werd gevraagd om voor een tijdschrift iets te schrijven over L.C. Dudok de Wit, in het begin van de vorige eeuw bekend als Kees de Tippelaar, een buitenissig heerschap. Ik zag een documentaire over een witte walvis, een dolfijn die in de jaren zestig de Rijn op en af zwom. En daarnaast wilde ik eindelijk eens iets doen met dieren. De tv-serie over dierenarts James Herriott en de Doctor Vlimmen-trilogie brachten me wat bij over de dierenartspraktijk. En ik houd van lopen.

Had u behoefte om iets met uw geboortegrond en studietijd te doen?
Ik schrijf nooit uit behoefte. Behoeftes bevredig ik op andere wijze. Er is wel een sterke wil om een verhaal te vertellen, om te proberen om een mooi boek te schrijven.

Altijd al een dierenliefhebber geweest?
Ik had eerst een vaag idee. Ik ben bevangen door dieren. Zes jaar geleden kreeg ik mijn konijn Pons. Het diertje bracht een apart soort tederheid in mij teweeg. Ik wilde mijn nieuwe roman situeren in een onschuldige wereld, dus in elk geval niet in deze tijd. En het moest een dorp aan een rivier zijn. In de documentaire over de witte walvis keken toeschouwers vol medeleven naar de walvis. Dat leek mij een mooi hoogtepunt en tegelijkertijd een einde van de dierenliefde.

Dit boek valt echt op in uw oeuvre. Het speelt in een periode die u zelf heeft meegemaakt.
Ik had geen zin meer om me weer uitgebreid te verdiepen in een tijdspanne die ik nog niet ken. Ik wilde beslist geen periodeboek maken. Het moest iets onbestemds krijgen. Natuurlijk had ik Van Buyten ook naar De Gruyter kunnen laten gaan, maar hij doet zijn boodschappen gewoon in een aantal winkels, waaronder die van bakkerij Duk.

En daar duikt ineens Donald Duk op.
Dat intrigeert mij. Hoe iemand, weliswaar onbedoeld, levenslang door zijn ouders kan worden belast. Ik zat een keer in de trein en twee dames vertelden elkaar dat de zoon van de bakker was geëmigreerd. Vlak voordat het vrolijkste weekblad hier ter lande voor het eerst verscheen hadden zijn ouders hem Donald genoemd. Hij moest een naam van de bevrijders krijgen en Tommy kwam al erg veel voor. Misschien bestaat er ook wel ergens een Willie Wortel.

Opnieuw een buitenstaander in het boek. Van Buyten was als student ook al een buitenbeentje. Spreekt daar een persoonlijke Rosenboom?
Tijdens het bedenken en het schrijven had ik wel het idee dat deze roman afwijkt. Niet in stijl of zo, maar het is wel een boek dat heel dicht bij mij ligt. Ik heb de personages her en der gestoffeerd met elementen uit mijn eigen bestaan, maar het buitenstaandergevoel van de spoorstudent moeten veel mensen kennen.

Rebert van Buyten heeft ook iets wereldvreemds. Hij heeft niet in de gaten hoe hilarisch zijn uitdossing is als hij tijdens zijn studie assisteert bij een dierenartsenpraktijk op het platteland.
In verband met het bloederige karakter van zijn werk had Rebert een leren schort nodig. Marc, zijn huisgenoot tijdens zijn studie, volgt de modeacademie. De meest bescheiden man krijgt de opvallendste werkkleding.

Ze gingen een zwarte, rubberen overall maken zonder mouwen, kraag of gulp, en met zilveren ritsen vanaf het middel tot onder aan de pijpen, ritsen die eruit zouden zien als de galons op de broek van een portier, maar die je bijvoorbeeld ook vanaf de knie open kon laten, zodat de kuit er doorheen zou bollen – dat was welbeschouwd een split, die je zo diep kon maken als je wilde, een split in een broekspijp, een split voor mannen!

Zoete mond is ook weer doorspekt met humor. Je voelt het aankomen dat Marc ‘de werkschort’ gaat lenen.
Voor een kinky party. Maar Rebert voelt zich vereerd omdat hij denkt dat Marc verkleed gaat als dierenarts.

Van Buyten heeft een buitenproportioneel geweten, een bijna overdreven neiging tot bescheidenheid. Daar komt Thomas Rosenboom weer om de hoek.
Nu, vooruit…alleen heb ik het bij Van Buyten zo uitvergroot dat het eigenlijk een afwijking is. Na de dood van zijn vrouw loopt hij door de straten met een pij van verdriet, een gewaad dat niemand kan missen. Hij vraagt zich af of hij wel het recht heeft om gekleed te gaan in het ‘gala van verdriet’. Hij verhuist om geluidloos te zijn, om weer een gewoon iemand te worden.

Van Buyten en Jan de Loper werken niet en wonen beiden buiten het dorp.
Ik wilde personages hebben die vrijgesteld waren, niet geworteld in de maatschappij. Jan de Loper is een rijke erfgenaam en heeft alleen personeel. Rebert van Buyten heeft geen vrouw en kinderen. Ik wilde een dierenarts hebben die van buiten komt en de stabiele toestand verstoort. Denk aan de vreemdeling die in een western plotseling bij de saloon opduikt.

Van Buyten doet zijn voordeel met de introductie van de tv-reclame.
Ik zat een keer met een paar vrienden in een café. Ter afleiding bedachten we een tv-commercial. Dat kon ik nu mooi gebruiken. Van Buyten schrijft in opdracht van voormalig huisgenoot Marc, die meer in reclame zag dan in de mode, een scenario voor een spotje van een Amerikaans uitzendbureau en ontvangt daarvoor een voor die tijd vorstelijk bedrag in dollars. Rebert moest onafhankelijk zijn, want ik wilde dat hij geen rekeningen hoefde te versturen. Dat versterkt het onwezenlijke.

In de roman gebeurt bijna alles in tweeën. Wat is de intentie daarvan?
De tweede keer is een soort bevestiging. Dan gebeurt het pas echt. Er komt zelfs een scène nog een keer terug. De lezer kan dan de betekenis beter duiden.

Zoete mond meandert opvallend gemakkelijk naar het einde. De lezer zwemt als het ware in een bassin met helder water, onwetend van de problemen van de constructeur van het bad.
Zo moet het ook zijn. De worsteling is voor de auteur. Ik moet een boek echt ‘beramen’, letterlijk en figuurlijk. Het nadenken over de roman neemt wel anderhalf jaar in beslag. Er komen een paar ideeën langs. Sommige beklijven. Maar dan heb je nog geen verhaal.

Uw werkwijze kennende, begon toen het uitgebreide voorwerk.
Ik vind het schrijven van een boek moeilijk, het concipiëren van een hoofdstuk nog net te doen. Daarom maak ik een schema. Ik zet de hoofdlijnen op papier. Bedenk wat ik her en der terug wil laten komen in het boek en plak korte krabbels over de hoofdstukken op een rol papier. Met plakband zodat ik ze gemakkelijk kan verplaatsen. Daarnaast krijgt elk hoofdstuk een eigen mapje zodat ik daar papiertjes met aantekeningen in kan doen als ik tijdens het schrijven een idee heb dat elders past. Pas dan durf ik mij te wagen aan de uitvoerende kunst: het feitelijke schrijven. Het maken van het schema is het scheppende werk. Ik heb vertrouwen in het verhaal nodig voordat ik begin.

Is het ook een vorm van uitstel? Het wegnemen van twijfel?
Ik ben een bedachtzaam schrijver. Het lukt mij niet om meer dan honderd pagina’s per jaar in druk af te leveren. Deze roman heeft meer dan vijfhonderd pagina’s, dus reken maar uit.

Vervolgens werkt u lineair?
Voor het grootste gedeelte wel. Al kan ik ’s avonds op de bank rustig nadenken over hoofdstuk tweeëntwintig terwijl ik met hoofdstuk vijf bezig ben.

U wilt niet graag verrast worden door uw personages?
Ik ga graag met voldoende bagage op reis. Onderweg word ik natuurlijk ook wel verrast door spontane invallen. Ik kan ook grinniken om een grap. Neem de brommeragent uit de jaren zestig die zich niet goed raad weet met een situatie: ‘Hij krabde zich alleen niet achter zijn oor omdat hij een pothelm ophad.’ In het geval van Zoete mond was ik verbaasd over de verzoening aan het slot. Als je het zo zou kunnen noemen.

Deze roman is op een paar bijzondere plekken geschreven.
De eerste hoofdstukken heb ik onder optimale omstandigheden geschreven als gast van het Netherlands Institute for Advanced Studies te Wassenaar. Om negen uur opstaan met de wetenschappers, ontbijten en aan het werk. Toen ik terugkwam in Amsterdam heb ik tegen de uitgever gezegd dat mij dat regime beviel. Ik stelde eerder het werk elke dag weer wat langer uit. Men bood mij aan om mee te draaien met de klok van de uitgeverij. Daar gaat de deur nu eenmaal elke dag om een vaste tijd dicht. Het grootste gedeelte van Zoete mond heb ik dus in een kantoortje op de gracht geschreven.

Om daarna met een bittertje in het café te eindigen?
Wil je koffie of thee?

Van Buyten heeft ook nog een interessante theorie voor het opwekken van energie met golfbewegingen. Thomas Rosenboom de uitvinder?
Die uitvinding van energieopwekking uit golven, voor zover die inderdaad een uitvinding is (ingenieurs kunnen daar nu over oordelen) heb ik zeker twintig jaar geleden gedaan tijdens een zeiltocht zoals beschreven in het boek. Nu ik er eindelijk mee naar buiten kom ben ik zeer benieuwd wat deskundigen ervan zeggen. Een paar weken geleden stond er in Trouw een artikel over stroomopwekking uit golven, maar dat experiment berust op een volkomen ander principe dan mijn idee, dat vooralsnog dus origineel is.

Met deze roman heeft u het in elk geval op zeer originele wijze gepatenteerd.

Foto 3: beluga dolfijn.
Foto 4: Op weg naar de Kromhoutwerf in Amsterdam voor de presentatie van De nieuwe man, 28 februari 2003.
Foto 5: Amsterdam, Witsenhuis, 24 januari 1994.
Foto 6: Rosenboom opent samen met Erik van Muiswinkel de Boekenweek 2004.













Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Yves Petry Door Guus Bauer (15-03-2019)
Interview met Ron Wunderink Door Guus Bauer (04-03-2019)
Interview met Jón Kalman Stefánsson Door Guus Bauer (28-02-2019)
Interview met Tommy Orange Door Guus Bauer (19-02-2019)
Interview met Mira Feticu Door Guus Bauer (11-02-2019)