Meest complete verzameling Reviana straks in apart museum
‘Het is volbracht nu’
Door door Annemiek Neefjes (27 april 2006)


Bibliothecaris Ton van de Laar strijkt met voorzichtige vingers over het velletje papier. ‘Moet je horen,’ zegt hij, ‘dit schreef Reve aan zijn partner Joop Schafthuizen: “Zeer Lieve Vosch, De vleeschwaren zitten in de koelkast”. Hij zucht even, en staart voor zich uit. ‘Nu Reve dood is,’ zegt hij, ‘kijk ik toch met andere ogen naar zijn spullen. Zo’n briefje ontroert me enorm. Zijn werk is nu definitief afgesloten.’

Van de Laar werkt in de hoofdvestiging van de Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA). Een halve tot een dag per week besteedt hij aan het ontsluiten van de Reve-collectie. Deze collectie gaat de basis vormen van het Reve-museum, dat onderdeel wordt van de nieuwe, volgend jaar te openen bibliotheek aan het IJ. Het museum was een ‘cadeau’ aan Reve, voor zijn tachtigste verjaardag in 2003. De Alzheimer waar Reve aan leed, maakte dat hij geen besef had van het geschenk, maar Schafthuizen reageerde zeer verheugd. Logisch, want maar weinig schrijvers in Nederland hebben de eer van een eigen museum. Wat zal er straks allemaal te zien zijn? Wat zijn de ambities? En: is iederéén blij met het museum?

Nergens anders te vinden
‘De meest complete verzameling Reviana’, zo omschreef de Leidse antiquaar en Reve-expert Piet van Winden de collectie. In een afgesloten kamer op de vijfde verdieping van de bibliotheek is te zien waar Van Winden op doelt: hier staan alle eerste drukken en alle herdrukken van Reves werk bij elkaar. Dat is nergens anders te vinden. In een archiefkast staan rijen dossierdozen met bibliofiele uitgaven, manuscripten, typoscripten met correcties, proefomslagen, brieven van en stapels fanmail aan de schrijver, een fotoalbum met privé-kiekjes, knipsels, beeld- en geluidsopnamen. Van de Laar pakt een doos van de plank. ‘Lichaam’ staat erop. De veelbesproken vingernagels zitten erin, de pluk haar ‘van meest intieme deel’, de hechtingen van een buikwond en de ‘Verstandskiesch’ van de schrijver. ‘Voor de echte liefhebber,’ zegt Van de Laar lacherig.

Zelf wordt hij het meest geraakt door papieren kleinigheden: door een wijnvlek op een brief, door een krabbel op een stukje krant (‘Even naar de H. mis. Je lieveling Gerard’), door de vele to do-lijstjes die Reve maakte: ‘Programma in Engeland: algemeen: elke dag een stuk aan Wolf / Hal en trap schilderen / Bloembak vullen en daarin heesters zetten’. ‘Juist door die schijnbaar onbetekenende dingen voel je je deelgenoot van zijn leven,’ zegt de deeltijdarchivaris. ‘Zelfs in de meest onbenullige briefjes maakte hij grapjes. Kijk, hier bijvoorbeeld schrijft hij “elektries”. Ieder woord dat je leest is onmiskenbaar Reve.’ Hij wordt een tikje nerveus als hij door de stapels brieven, briefjes en notities bladert. Hij heeft nog absoluut geen overzicht van wát er allemaal in de dozen schuilgaat. Veel is ongedateerd. ‘Ik zal,’ zegt hij, ‘binnenkort Peter van Bergen maar eens vragen om langs te komen. Hij kent de feiten van ieder stukje papier.’

Opgenomen in het gezelschap van ‘kritische huischvrouwen’
Van Bergen is de Reviaan die de collectie in de loop van dertig jaar bijeen heeft gebracht. Het begon tijdens zijn studie. Samen met een vriend die Hugo Claus verzamelde struinde hij de antiquariaten in Amsterdam af. ‘Als je eenmaal begint met verzamelen,’ zegt Van Bergen, ‘dan streef je ook compleetheid na.’ Korte tijd nadat hij in een regionale krant over zijn Reve-mania was geïnterviewd, in 1984, belde Joop Schafthuizen hem op met de vraag of ze iets voor elkaar konden betekenen. Want de partner van Reve was zelf ook een verwoed verzamelaar. Een jaar later werd Van Bergen voor het eerst bij het paar thuis uitgenodigd. In de loop van de tijd werd het contact vriendschappelijk. De schrijver kwam regelmatig bij Van Bergen in Schoorl langs om in de duinen uit te waaien.

Van Bergen, in het dagelijks leven leraar Nederlands en Duits, werd opgenomen in het exclusieve gezelschap ‘kritische huischvrouwen’ (met ook Reves voormalige vrouw Hanny Michaelis en uitgever Bert de Groot), dat Reves manuscripten las en redigeerde. Volgens ingewijden zag Reve de verzamelaar als zijn apostel en exegeet. ‘Reve stopte me van alles toe,’ zegt Van Bergen, ‘hij zag het belang van mijn verzameling. Als hij bij me op bezoek kwam, zei hij vaak: “Ik wil graag even in de Reve-zaal zitten.”’

In 1999 gebeurde wat ook andere vrienden van Reve overkwam: Schafthuizen maakte de vriendschap onmogelijk. ‘De omgang werd niet meer op prijs gesteld,’ zegt Van Bergen zelf omzichtig. ‘Het was niet de wens van Reve en mij, maar ja, dat heb je niet in de hand.’ Hij wordt er liever niet aan herinnerd. Van Bergen vertelt over de brief die hij van Reve kreeg, in 1999, en die hij nog wel in eigen bezit heeft. ‘Ik ben zijn laatste correspondent geweest. Aan de brief kun je zien hoeveel moeite hij had om gedachten te formuleren en ze op papier te zetten. Het lukte hem bijna niet om letters achter elkaar te krijgen, om woorden te vormen. Soms ook verkleint het schrift ineens. Na deze brief heeft hij niets meer geschreven; hier eindigde zijn schrijverschap.’

Ontsluiten en conserveren
Toen Van Bergen besloot zijn collectie te verkopen (‘Ik wilde rust’) had hij één wens: dat alles bij elkaar zou blijven. Piet van Winden ging namens hem op zoek naar een geschikte koper. De antiquaar werd kort erop de drijvende kracht achter het plan van het museum. Het Letterkundig Museum in Den Haag, schatbewaarder van de Nederlandse letteren, had als koper voor de hand gelegen, zou je zeggen. Het heeft een grote Reve-verzameling, waaronder hét topstuk: het manuscript van De Avonden.

Van Bergen beweert dat Korteweg ‘nooit belangstelling heeft getoond voor wat ik allemaal had. Toen de collectie te koop was, heeft hij de zaak gewoon laten liggen.’ Maar Korteweg zegt dat hij van niks wist: ‘Pas achteraf hoorde ik dat alles naar Amsterdam was gegaan.’ De collectie was door twee stichtingen gekocht en aan de OBA in langdurig bruikleen gegeven.

‘Waarom zou een bibliotheek bewaarbibliotheek willen zijn?’ vraagt Korteweg zich af. ‘Wij hebben de expertise om collecties te ontsluiten en ze te conserveren, en om ze via internet toegankelijk te maken. Wij hebben ook een liberaal uitleenbeleid. Amsterdam had zonder problemen met dit materiaal tentoonstellingen mogen organiseren.’

Bruiklenen en schenkingen
Af en toe doet Van de Laar een bescheiden aankoop, een brief, of een bijzondere uitgave. Hij weet niet wat het jaarlijks budget is voor het museum. OBA-directeur Hans van Velzen: ‘Wat we besteden, hangt af van hoe graag we iets willen hebben. We hopen ook op bruiklenen en schenkingen. We hebben goede contacten in het veld.’ Vlak na Reves dood bracht de post een envelop - ‘Aan de beheerder van het Reve-museum’ - waarin een roofdruk zat van I.M. van Reve. Het was een anonieme schenking. Het Letterkundig Museum heeft de afgelopen tijd overigens al drie telefoontjes gehad van mensen die hun brieven te koop aanboden. ‘Ik verwacht,’ zegt Korteweg, ‘een flinke inflatie in de Reve-handel. Veel mensen willen hun verzameling nu van de hand doen.’

Ondertussen mijmert Van de Laar over ‘zijn’ toekomstige museum. ‘We zullen steeds wisselende tentoonstellingen organiseren,’ zegt hij, ‘en natuurlijk regelmatig lezingen. Ook de jaarlijkse Revedag zal hier plaatsvinden. Het museum zal zeven dagen in de week toegankelijk zijn, dat is natuurlijk prachtig.’

Peter van Bergen: ‘Het materiaal zal een magisch effect hebben op bezoekers. In het museum zul je het gevoel krijgen dat je heel dicht bij de schrijver komt.’ Hij hoopt dat het museum jongeren weet te lokken. De leerlingen uit zijn klas, en uit die van zijn eveneens lesgevende zus, begríjpen Reve vaak niet: ‘Waar ik dubbel lig van het lachen, luisteren zij met stalen gezichten. Ze vinden het saai, het werk heeft te weinig actie. Ze herkennen de katholieke symboliek ook niet. Wellicht helpt het als het museum nieuwe media inzet.’

De eindigheid van zijn leven
Van de Laar is van plan met scholen samen te werken. ‘Eerst moeten leerlingen iets in Reves werk zien, pas dan zal het museum ze aanspreken.’ Voorlopig heeft hij zijn handen vol aan de ontsluiting. ‘Hoe gedetailleerd moet ik ieder papiertje documenteren?’ piekert hij. ‘Of zal ik ook dozen “Ongeordend” maken?’ Binnenkort gaat hij, zegt hij, naar het Letterkundig Museum voor advies.

Hij bladert nog wat door een map. ‘Moet je horen,’ zegt hij: ‘“Lijst van gezinnen die uitgenodigd moeten worden op het partijtje, zondagmiddag 27 december 1964 in ons huis te Greonterp, Dorpsweg 34/36 (doorstrepen wie een kaart gehad heeft.)”’ ‘Kijk, hier staat het hele rijtje namen van de genodigden “in het dorp zelf” en hier dat van de “omliggende hoeven”. Reve telde precies hoeveel mensen hij had gevraagd: 17 families, in totaal 75 mensen, waarvan 37 kinderen. Bij deze familie schreef hij er tussen haakjes bij: “baby”. Mooi hè?’

Peinzend zegt hij: ‘Het is de eindigheid van zijn leven die ik hier in handen houd. Het is volbracht nu.’ En dan, met een grijns: ‘Gelukkig wordt alles voor het “naaktgeslacht” bewaard.’
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Brad Watson Door Guus Bauer (09-01-2019)
De taal voor het publieke gerecht Door Guus Bauer (11-12-2018)
Interview met Michel Laub Door Guus Bauer (02-11-2018)
Interview met Geir Gulliksen Door Guus Bauer (03-10-2018)
Interview met Deborah Feldman Door Guus Bauer (11-09-2018)