Op ooghoogte schrijven
Interview met Jens Christian Grøndahl
Door Guus Bauer (1 mei 2017)
Je hebt direct een klik met een tekst, eigenlijk vanaf het eerste moment een tevredenstemmend onderbuikgevoel, zonder dat je direct kunt benoemen waarom precies. Het heeft met intensiteit te maken, met eerlijkheid, met subtiliteit wat taal en vorm betreft. Een groots boek is altijd compromisloos. Omvang in is dat kader volstrekt irrelevant.

Vaak ben ik gelukkig van de Deense gigant Jens Christian Grøndahl (1959) beslaat 150 pagina’s en is een volwaardige, uitgekristalliseerde roman met een pulserende vorm, een uitgewogen opbouw en een vertelster die door haar eerlijkheid de emoties achter de woorden direct in je vastpint.

Ellinor is rond de zeventig en net weduwe geworden. De standvastige verzekeringsman Georg laat twee zoons na, een tweeling, in karakter, in benadering, in beroep elkaars tegenpool. Ellinor heeft vanaf het zevende jaar van de jongens voor ze gezorgd. Liefdevol, maar pas nu realiseert ze zich écht dat ze niet veel meer is geweest dan een surrogaat voor de biologische moeder. Ze heeft altijd wel een voorbehoud gevoeld, maar bedekte dat met de dagelijkse werkzaamheden van de zorgende vrouw en moeder. Ellinor is van huis uit gewend om lastige zaken diep weg te stoppen. Pas nu ze helemaal alleen is, durft ze de confrontatie met het beladen verleden aan.

De kracht van de beperking
Grøndahl: ”Mijn oprechte waardering over deze respons op mijn roman zorgt ook voor een zekere ongerustheid, een schuldgevoel zelfs. Dat heeft met het frivole element van het schrijven te maken, de intense voorpret die je ervaart wanneer je naar jouw idee een belangwekkend item te pakken hebt zonder dat je precies weet wat je precies wilt uitdrukken.”

”Maar goed, ik ben inderdaad opzoek naar intensiteit en tegelijkertijd naar een lichte toets wanneer ik pijnlijke kwesties uit het leven beschrijf. Ik doe mijn best om het allemaal moeiteloos te laten lijken. Een behoorlijk zware klus. Wanneer je ouder wordt, zie je nog meer dan eerst de kracht van de beperking. Vandaar dat ik me zo thuis voel op de korte baan.”

”Ik weet altijd van tevoren of een roman lang of kort wordt. Het is alsof ideeën voor boeken gelijk al een lengte dicteren. Zoals een schilder een groot of klein canvas kiest. Wanneer je het wat lengte betreft klein houdt, nodig je de verbeelding van de lezer uit. De korte roman, de novelle, heeft een ’mytisch’ aspect. De manier waarop personages onverklaard blijven, lijkt op de basale vertelvorm van oeroude verhalen. Misschien heeft de korte vorm daarom ook wel een ingetogen vorm van pathos. Je kunt dromen over een verhaal dat aanvoelt als een liedtekst.”

”Er wordt veel gesproken over ’de stem’ in fictie en het is waar dat je het timbre als het ware eerst in jezelf moet laten vibreren voordat je het op papier kunt zetten. In dit geval de stem van een vrouw van rond de zeventig die bij mij haast tastbaar was. Ik denk dat ik haar op straat zou herkennen.”

”Met haar stem kwam ook het idee dat zij zich moest richten tot iemand die al heel lang dood was. Op dat moment wist ik dat de vorm van het boek ook de sleutel was voor de morale kern van het boek.”

”De vorm heeft voor intensheid, voor vaart en voor een emotionele urgentie gezorgd. Tot mijn genoegen hebben veel lezers daarop positief gereageerd. Ik realiseerde me plots dat dit kleine werk een aantal van de beste zinnen bevat die ik ooit heb geschreven. Een besef dat ook met een zekere mate van droefenis gepaard ging.”

”Ik heb in dit boek nog meer dan anders afgezien van beschrijvingen. Het boek laat daardoor de naakte waarheid zien. De zinnen zijn rauwer, bondiger, maar ook weerbarstiger dan anders. Ik wilde er een orale toets aan geven. Dat wordt explicieter op het moment dat duidelijk wordt dat Ellinor het voor zichzelf opschrijft.”

”Het houden van een monoloog aan een dode heeft ook een existentiele kant. Ellinor revolteert tegen de rede, wetende dat de betekenis van haar leven onlosmakelijk is verbonden met de liefde en het feit dat liefde niet kan en wil bezwijken onder verlies.

Vaak ben ik gelukkig is een tot op de kern eerlijke verklaring van een vrouw die weliswaar nog niet heeft afgedaan, maar toch haar taak als voltooid ziet en nog eenmaal zonder enig voorbehoud wil getuigen.

”Literatuurwetenschappers hebben het altijd over de ’onbetrouwbare verteller’. Je zou kunnen zeggen dat het zorgt voor speelsheid – om het niet grilligheid te noemen – en dat het de verbeelding van de schrijver veel mogelijkheden geeft, maar ergens voelt die onbetrouwbaarheid ook als een kater van het Marxistische idee van de ontkenning van de vrije wil. De schrijver, of de criticus, zou in dat geval slimmer zijn dan de personages.”

”Ik ben het niet eens met deze benadering van literair proza. Ik kan alleen maar op ooghoogte met mijn personages en mijn lezers schrijven. De verspreiding van kennis en onwetendheid is gelijkwaardig, zo niet gelijk. Door het schrijven voel ik me niet slimmer. Ook niet door het lezen trouwens.”

”Ja, ik streef naar eerlijkheid. Een vreemde ambitie voor fictie, maar zo is het. We weten allemaal dat de taal geen replica is van de werkelijkheid. We weten dat afkomst, cultuur en een hoop belangwekkende details meespelen, maar het weerhoudt ons er niet van om te proberen het onmogelijke te bereiken: communicatie, menselijk contact, begrip door taal. Het ontsnappen aan de eenzaamheid. Het is het delen van getuigenissen over wat het betekent om te leven op een specifieke plaats in een specifieke tijd.”

De hele roman is een bekentenis aan Anna, de biologische moeder van de tweeling, de eerste vrouw van Georg én de hartsvriendin van Ellinor. Iemand waarmee ze zich tot in de ziel verbonden wist en – en dat is de ware schoonheid van deze roman – nog steeds weet.

”Ellinor is eerlijk ten opzichte van haar diepste gevoelens. Ze realiseert zich dat de schok van de dood van haar beste vriendin en haar man bij een ski-ongeluk en de rouw daarom, de woede hebben overschaduwd. Er is niemand meer om boos op te zijn, om te vergeven. Vandaag de dag worden we constant verteld dat we in de toekomst zullen worden gestraft wanneer we onze emoties onderdrukken, wanneer we vooral de boosheid niet ’aan het woord laten’. Ellinor is niet alleen te oud, maar ook te ouderwets voor dit soort handige wijsheden. Zo zie ik het althans, maar lezers zijn natuurlijk gerechtigd om het anders te intepreteren. Ik denk dat ze probeert om eerlijk te zijn ten opzichte van haar eigen liefde. Ze ziet het als een feit van het leven.”

”Ze kan het niet over haar hart verkrijgen om haar rug te keren naar het feit dat haar vriendschap met Anna haar heeft gevormd, haar heeft gemaakt tot wie ze is. Of het feit dat het samenleven met Georg en het leren liefhebben van hem haar ook heeft veranderd.

Het gevaar van negeren. De realiteit is de vijand.

”De werkelijkheid is de vijand van de liefde, in de zin van dat er waardigheid en emotionele overleving schuilt in het niet willen accepteren dat ’het leven doorgaat’. Natuurlijk moet dat, natuurlijk gaat het leven door, maar Ellinor heeft een fase en een leeftijd bereikt waarop leven in het verleden een manier is geworden om trouw te blijven aan wie je werkelijk bent.”

”Ellinor is ook iemand die niet de hele tijd terugkijkt. Ze gaat moedig voorwaarts, met de typische soort levenslust die je alleen bij oudere mensen ziet, speciaal bij vrouwen. Klaar met het opvoeden van de kinderen en klaar met het spelen van de echtgenote kunnen ze soms gerimpelde versies zijn van de jonge meisjes die ze eens waren.”

Na verloop van tijd blijkt dat Ellinor het op papier zet, een relaas dat niet voor andermans ogen bedoeld is. Alsof dat privilege alleen de lezer is gegund, net zoals bij Moeders zondag van Graham Swift. Dat versterkt de subtiliteit en de verbondenheid.

”Ik heb de roman van Swift nog niet gelezen, maar ik ben blij dat je de lezer noemt. Ik heb de schrijvers nooit begrepen die zeggen dat ze nooit aan de lezer denken omdat ze voor zichzelf schrijven. Waarom zou je dan publiceren? Ik denk niet aan de lezers als een groep. Ik vraag mezelf ook niet af of ik wel begrepen word. Ik ben geen leraar. Maar de lezer zit altijd ergens achterin mijn hoofd. Een onbekend persoon die de tekst te lezen krijgt. Het is een beetje zoals het werpen van een fles met een brief in de zee. In de hoop dat iemand het bericht opvist.”

”Al mijn volwassen werk is geschreven in een poging om datgene te communiceren wat normaal gezien niet kan worden gedeeld. De individualiteit van een persoon, de atmosfeer van een leven. In de realiteit wordt het beeld dat we hebben van een ander altijd gefilterd en verstoord door onze eigen verwachtingen, vooroordelen en stemmingen. In een roman kun je direct contact maken met het innerlijke van een denkbeeldig persoon. Op dat moment valt de esthetiek van literair proza samen met een morele visie. Verbeelding die empathie mogelijk maakt.”

”Het klinkt misschien paradoxaal – je isoleert je nu eenmaal als je schrijft – maar schrijven was voor mij van jongs af aan een manier om lezers de hand te rijken en daardoor mijn persoonlijke isolement te doorbreken. Om dat te bereiken neem ik de algemene taal en maak er iets intiems, iets persoonlijks van. De Britse essayist Logan Pearsall Smith heeft ooit gezegd: ’De kunst van het schrijven is mensen zich door woorden echt laten voelen. Daar draait het volgens mij allemaal om.”

Het ongeluk zit ingebakken in de titel, of eerder het ongemak met het leven, met de waarheid.

”Ik heb de titel ontleend aan het gedicht van Ingemann dat op de titelpagina staat. Dat gedicht is op muziek gezet door onze meest bekende componist Carl Nielsen. Ik woonde een concert bij met twee operazangers in de kerk van Skagen, waar ik vlakbij een schrijfhuisje heb. Het nummer is langzaam en zachtaardig, heeft een natuurlijke atmosfeer. Ik wist meteen dat ik een boek zou schrijven met deze titel, zelfs voordat ik wist waar het boek over zou gaan. Ingemann was bevriend met de iets oudere Hans Christian Andersen. Zij deelden een gevoel voor intimiteit, voor het kleine geluid, het handelsmerk voor de Deense literaire taal.”

”Het gedicht drukt een heel moderne ervaring uit. Hoe de sociale existentie totaal uit balans is, niet meer overeenstemt met de innerlijke werkelijkheid. Hoe je je enorm eenzaam kan voelen, temidden van mensen, onafhankelijk van hoeveel ’likes’ je krijgt. De titel heeft natuurlijk een ironische ondertoon, want Ellinor heeft eigenlijk maar weinig redenen om gelukkig te zijn. Maar toch is ze dat, in elk geval soms. Ze koestert het feit dat ze in leven is, wanneer ze naar een paard in een weide kijkt, wanneer ze door een lichte regen in Kopenhagen loopt.”

Rijk en arm botsen behoorlijk in de roman.

”Dat is een van de zijpaden die ik ben ingeslagen. Een extra thema dat echter zowel voor mij als voor Ellinor van groot belang is. Hoe komt het dat mensen die niet meer hoeven te vechten voor de basisbehoeften, slaven blijven van symbolen van welstand? Hoe komt het dat spiritualiteit vaker te vinden is bij de misdeelden? Ellinor was arm in haar jeugd en walgt van de oppervlakkige, zelfingenomen levensstijl van de boven-middenklasse van de kinderen van Georg en hun gezinnen. Het ergste is dat sociale kritiek op zichzelf zo overduidelijk is dat je er bijna van bloost.”

”Wanneer zijn we vergeten dat het leven anders kan zijn, dat er andere waarden zijn, andere manieren om succes te hebben, dan het vergaren van een fortuin. Om dat vervolgens te besteden aan luxeartikelen, auto’s, grotere huizen en dure vakanties.”

”Ik probeer de wereld steeds meer te beschrijven in grijstinten. Geen sterk contrast, maar nuances, schaduwen, kleine stapjes. De extreem rijke zal niet zo snel angst hebben straatarm te worden. Er schuilt meer herkenbare angst in iemand van de middenklasse die bang is om op of onder het bestaansminimum terecht te komen. Denk aan een Streetcar named desire.

”Een cruciaal stuk in de roman gaat over de Duitse bezetting tijdens WOII en hoe jonge mensen gevangen zaten tussen de absolute uitersten ‘goed’ en ‘fout’. Ik denk dat ik suggereer dat niet al de Deense meisjes die omgingen met Duitsers breinloze, verradelijke hoeren waren. Zo zijn ze op bevrijdingsdag en de jaren daarna wel behandeld.”

Ellinors leven is volledig overschaduwd door schaamte. Ze is niet in staat om complimenten te ontvangen, heeft lang een zeer laag zelfbeeld.

”Ze kan niet ontsnappen aan haar geheim, het feit dat ze een dochter is van een Duitse officier. Ook niet aan de manier waarop daar in de gemeenschap over gedacht en geoordeeld wordt. Het isoleert haar volkomen. Wanneer ze het aan Anna of aan Georg had verteld, had ze rekening moeten houden met hun medelijden. Ze had zichelf tot slachtoffer gemaakt. Jezelf als een slachtoffer moeten zien, is niet de weg naar bevrijding en onafhankelijkheid.”

”Kijk naar de minderheden, van homoseksuelen tot moslims, die hun algemene, politieke identiteit benadrukken, zich afhankelijk maken van de repressieve relatie waartegen zij claimen te rebelleren. Ik heb diep respect voor andermans religies of seksualiteit, maar mijn tolerantie is gebaseerd op gedeelde humaniteit. De fout is dat dat ze zichzelf stuk voor stuk als ’vertegenwoordigers’ zien van een groep, in plaats van individuen, net als iedereen.”

”We klampen ons vast aan ouders, aan het thuisland, als de producten van zaken die we zelf niet hebben besloten. Natuurlijk valt daar wat voor te zeggen, maar is dat alles wat we zijn? Wanneer worden we volwassen. Er is toch ook nog hoop, keuze, talent, werk, vriendschap, verantwoordelijkheid en liefde?

Een van de zonen van Georg is gefixeerd op zijn carrière, maar is thuis ten opzichte van zijn vrouw heel dociel.

”De hypocriete eisen die aan De Moderne Man worden gesteld: op gelijke voet deelnemen aan de huishoudelijke en opvoedkundige taken, maar in de ochtend moet hij klaar zijn om op het werk de agressieve broodwinner te zijn. Iemand die de glamour van de boven-middenklasse waarborgt. We zijn nog steeds bezig met het proces van definiëren van de rollen van man en vrouw. We zullen geen vooruitgang boeken voordat we ons realiseren dat er een connectie is tussen intiem en publiek leven; hoe we met elkaar samenleven en hoe we onszelf en de samenleving organiseren. Ik ben geen socialist, maar ik vind het wel spijtig dat we het contact hebben verloren met het idee dat het kapitalisme zoals we dat kennen niet noodzakerlijkerwijs het laatste woord is van de geschiedenis.”

Uw beschrijving van het huwelijk is behoorlijk grimmig. Gabriel Garcia Marquez heeft ooit gezegd: ”Ieder persoon heeft een publiek, een privé en een geheim leven. Zit daar de crux voor een werkbaar huwelijk?

”Marquez had gelijk. Soms is ons geheime leven zelfs geheim voor onzelf. Het besef daarvan is een voorwaarde voor het overleven van elke soort relatie. Ik ben geen pessimist, maar ik heb uiteraard ook vaak te maken gehad met de problematiek, met de ambivalenties die ik beschrijf. Het huwelijk dat in deze roman wordt beschreven is zoiets als een tegenpool van de huidige verwachtingen. De personages behoren bij de generatie die de seksuele revolutie hebben meebeleefd, maar het waagstuk zelf niet aandurfden.”

”Na de dood van haar man en van Anna, ontdekt Ellinor dat ze nodig is. Ze verzorgt Georg en zijn kinderen en verlost zich zo van haar enorme rouw. Ze groeit langzaam in de nieuwe situatie, langzaam volgt er liefde, niet op de romantische wijze, maar eenvoudigweg door de nabijheid, door het afhankelijk zijn van elkaar. Velen zullen zeggen dat Ellinor zich heeft opgeofferd in plaats van dat ze trouw is aan zichzelf, maar zij ziet dat zelf waarschijnlijk anders. Het zorgen is voor haar een opluchting. Ze hoeft even niet te denken aan haar schaamtevolle geheim. Haar leven is net zo vervuld als dat van haar meer rebelse tijdgenoten. Haar keuze is gebaseerd op zachtaardigheid.”

Uw eigen generatie zou je een tussendoorgeneratie kunnen noemen?

”Ik ben geboren in 1959, te oud om echt punk te zijn, te jong voor de generatie van mei 1968. Ik heb me nooit kunnen identificeren met een van de subculturen die de generaties van de twintigste eeuw hebben geblinddrukt. Het hielp ook niet dat de generatie van ’68 erop stond om jong te blijven, voor altijd rebels en charmant, onwillig om plaats te maken voor de volgende generatie. Maar het heeft ook voordelen niet tot een duidelijke groep te behoren. Je bent aan jezelf overgeleverd en je bent vrij om welke trend, in het heden of verleden te omarmen.”

”Schrijven betekent voor mij altijd een eigen taal vinden voor de gevoeligheden van je persoonlijke historische moment. Het grijpen van iets echts, oprechts, in plaats van het repeteren van ideeën. Ik heb me altijd meer aangetrokken gevoeld tot schrijvers die mijn groot- of overgrootvaders hadden kunnen zijn. Ik moet bekennen dat Thomas Mann meer voor me betekent dan Jack Kerouac ooit zou kunnen doen. Je zou kunnen zeggen dat ik mijn eigen jeugd heb gemist. Ik prefereer jazz en klassieke muziek boven rock etc. Voor mij zit er meer emotie, meer passie in Brahms dan in, sorry, Mick Jagger.”

”Het meest bepalende moment in mijn volwassen leven was november 1989. Ik was dertig op de dag dat de Berlijnse Muur viel. Nu nader ik de zestig en de grote hoop voor Europa van dertig jaar geleden lijkt vervaagd. Maar wat kan ik doen. Ik ben net zoveel Europeaan als Deen. Het is te laat om dit nu te ontkennen.”

Foto's: Klaas Koppe
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Yves Petry Door Guus Bauer (15-03-2019)
Interview met Ron Wunderink Door Guus Bauer (04-03-2019)
Interview met Jón Kalman Stefánsson Door Guus Bauer (28-02-2019)
Interview met Tommy Orange Door Guus Bauer (19-02-2019)
Interview met Mira Feticu Door Guus Bauer (11-02-2019)