AKO-Literatuurprijs 1987

Ga direct naar

Rapport:

De AKO-Literatuurprijs heeft als commercieel doel: de stimulering van de verkoop van literaire boeken. Daarmee heeft de prijs ook een literair doel: lezers werven voor literatuur. Die werving, mits geslaagd, kan schrijvers stimuleren. De AKO-prijs is slechts een van de middelen die de literatuur naar schrijvers en lezers toe kan bevorderen: zonder een ruim literair klimaat kan hij niet functioneren. Hoe groot voor Nederlandse begrippen het bedrag van de prijs ook is, prijs en bekroning zullen nooit meer dan een leesteken mogen zijn, een punt-komma, geen uitroepteken. Een vraagteken mogelijk wel, voor andere lezers dan de leden van de jury.

De prijs wordt toegekend aan een boek over het afgelopen jaar, maar het is onmogelijk enige literair boek buiten de continuïteit van de literatuur en die van het werk van afzonderlijke schrijvers te beoordelen. Die continuïteit, waarin de leden van de jury zijn opgenomen, met hun oordelen of vooroordelen, geeft aan de prijs het genoemde punt-komma-karakter. Van de kwalificatie "het beste boek van het jaar" wenst de jury zich te distanciëren. Dat beste boek bestaat niet. Het bekroonde boek wordt door de jury gezien als een markant punt in de continuïteit. Dat dat markante punt bepaald wordt door literatuur-opvattingen van de leden van de jury, behoeft geen toelichting; die opvattingen houden geen oordeel over de meest gewenste continuïteit in maar zij bepalen wel mede het door de leden van de jury onderkende beeld daarvan.

Het heeft de vier leden van de jury die de eerste selectie maakten, verrast, met welke eenstemmigheid uit de proza-productie april 1986 - april 1987 tenslotte twintig werken geselecteerd konden worden. Verrasender was het aantal literaire kenmerken die de boeken gemeenschappelijk bleken te hebben. Verrassend, maar ook enigszins ontmoedigend: eenstemmigheid wees ook op een zekere eenzijdigheid en teveel aan gelijkheid van opvattingen om een strijd over voorrang en voorkeur mogelijk te maken. Gelukkig kreeg de jury het nog moeilijk, toen- en op dit punt ging, volgens de reglementen, de voorzitter actief aan de keuze deelnemen- uit de twintig zes boeken voor nominatie gekozen moesten worden.

In de discussies die tenslotte tot de zes hebben geleid, bleek hoe onmogelijk de aanduiding van "beste boeken" is, zelfs waar eenstemmigheid en eenzijdigheid aanwezig zijn. Met het bekende gegeven, dat bij een literair werk tenslotte het beslissende woord over de kwaliteit ervan niet gesproken kan worden, werden ook de leden van de jury opnieuw geconfronteerd, hoezeer zij het tenslotte over een aantal waardevol geachte kenmerken van de genomineerde zes eens was.

Wie de zes bekijkt, zou eens kunnen vaststellen, tot zijn genoegen of ergenis, dat met de keus van: H.C. ten Berge - Het geheim van een opgewekt humeur, J. Bernlef - Publiek geheim, Inez van Dullemen - Het gevorkte beest, Hermine de Graaf - Aanklacht tegen onbekend, Frans Kellendonk - Mystiek lichaam, en J. Rizerfeld - Zee van marmer, voor gemakkelijk toegankelijk literair werk niet gekozen is. De romans en verhalen door de jury geselecteerd, geven alle blijk van een zeer zorgvuldig hanteren van de gebruikte literaire middelen, daarbij van het vermogen zichzelf pas na zorgvuldige lezing aan de lezer uit te leveren: er is in de meeste gevallen heel nauwkeurig gewerkt met parallellen, symbolen, tegenstellingen, spiegelingen, waarmee personen en situaties elkaar verduidelijken. Zij dwingen de lezer tot grote activiteit, vaak tot een beroep doen op zijn reserves aan kennis en literaire ervaring. Waar dat activeringsproces plaats heeft, komt literatuur van belang in zicht, maar ook het eigene van literatuur van belang: dat is het ter discussie stellen van literatuur of een literair genre zelf. Maar dat niet alleen: literatuur van belang maakt ook onzeker en het bekende onbetrouwbaar. Met name dit laatste geldt in hoge mate de romans van Ten Berge, Bernlef en Kellendonk.

Wat de drie genoemde auteurs ook gemeen hebben, is de dichtheid van hun werk: alleen wie het belang van de meeste details over het hoofd ziet en geen keten van betekenisvolle relaties tussen die details maakt, zal over een te veel aan ruimte kunnen spreken. Voor de manier waarop de drie genoemde schrijvers erin zijn geslaagd een overvloed aan op het eerste oog toevallige kleinigheden betekenisvol te maken, en daarmee tot een eenheid die een wereldbeeld oplevert te komen, verdienen zij naar het oordeel van de jury alle lof. Aan het oordeel van gelijkwaardigheid valt nauwelijks te ontkomen.

Een definitieve keuze voor één auteur was allerminst gemakkelijk. De bijna ultieme dichtheid van Kellendonks roman, de poging tot het scheppen van een eigen wereldbeeld, met de restanten van oude grote tradities, zijn heel bijzonder, zoals de wijze waarop Ten Berge erin geslaagd is in tijd en ruimte verschillende gegevens tot een geheel te maken; ook hier, als bij Kellendonk, de doorwerking van oude mythes.

De roman van Bernlef stelde de jury voor het grootste probleem. Het gaat om een boek dat door het erin uitgewerkte centrale gegeven -film is montage en er zijn evenveel "waarheden" als er montages zijn- zichzelf, het kunstwerk en het schrijven problematisch maakt en daarmee ook de werkelijkheid. Het land waar de roman speelt, ligt in het grensgebied van werkelijkheid en fictie, het lijkt op Hongarije maar het is het niet. De identiteit is problematisch. En dat geldt voor bijna alle figuren uit de roman: zij hebben als het land, een door het systeem opgedrongen officieel en een individueel gezicht. En dat geldt voor alles wat zij doen en vooral wat zij maken en voor de taal die zij spreken en schrijven. Dat laatste gebeurt in deze opvallend kleurrijke roman zwart op wit. En juist daardoor biedt het vele mogelijkheden tot inkleuring, tot kleuring, beter gezegd. Fundamenteel is de onzekerheid: over hoe het land is, wat de macht wil, wat de geschiedenis is, wat de waarde van het beeld is, van het woord, wat fictie is en wat werkelijkheid, wie wie is en wat hij gedaan heeft en waarom. Fictie en werkelijkheid, ze worden gepresenteerd naargelang het de belanghebbende bij de beeldvorming uitkomt. Dat Bernlefs roman in een dictoriaal geregeerd land speelt, kan veel verklaren. De werkelijkheid wordt door de verteller met een overdaad aan kleur opgeroepen, maar waar de macht aan het woord is, wijken de kleuren. Het zwart-wit van de macht is overal aanwijsbaar, ook die van de macht van de cultuur, van de literatuur. Het "net-niet" geeft de roman een vrijwel tot overal uitbreidbare plaats van handeling, al blijft de eerste plaats van handeling de roman zelf: die garandeert, zwart op wit, geen enkele zekerheid, laat staan eenduidigheid. De roman van Bernlef als literair werk ontkomt niet aan de essentie van zijn inhoud ervan. En de lezer ervan evenmin.

Zeker het laatste door de jury ervaren effect, maakt voor haar Publiek geheim tot een belangrijke roman. De aangerichte onzekerheid bracht de jury tot haar voorlopig laatste zekerheid: een bijzondere waardering voor het in meer opzichten dubbelzinnige karakter van de roman, die fundamentele vragen achterlaat, ook over de literatuur zelf en juist het laatste lijkt een verzekering van de continuïteit. Vanwege deze literaire kwaliteiten kent de jury de AKO-Literatuurprijs 1987 toen aan J. Bernlef.

De jury:
Hans van Mierlo, voorzitter
Pierre H. Dubois
Kees Fens
Hella S. Haasse
Paul de Wispelaere


Winnaar

Genomineerd

Naar de overzichtspagina

Delen