AKO-Literatuurprijs 1989

Ga direct naar

Rapport:

"Maar er zou bij wet een manier moeten komen om onbeholpen en nutteloze schrijvers tot de orde te roepen, zoals bij landlopers en leeglopers". De criticus Arthur Krystal haalt deze uitspraak aan (van Montaigne uit 1588) in een boutade, verschenen in de New York Times Book Review van 23 maart j.l. ("On Writing: Let there Be Less").

Er verschijnt zo veel, dat de vraag opkomt of het voor het lezende publiek - en dat is iets anders dan voor de schrijver die zich graag in druk ziet - allemaal nog enig nut heeft. "Toegegeven", zegt nog steeds Krystal, "het meeste is vakbekwaam geschreven. Maar hoe vaak betreft het werken die we nodig hebben om leven en kunst in onze tijd echt te verstaan?" Montaigne wist nog niet van vrijheid van drukpers. Wij weten dat wetten hier niet helpen (sterker nog, niet mogen helpen), dat alleen zelfkennis en zelfbeheersing dit kunnen, ook die van uitgevers.

Een jury voor de AKO-Literatuurprijs kan zich overigens nog gelukkig prijzen. Zij hoeft slechts kennis te nemen van literair proza, dat in één jaar is verschenen in ons kleine taalgebied. En niet bijvoorbeeld van de vijf duizend voorstellen die de Amerikaanse Book-of-the-Month-Club in 1988 van uitgevers kreeg voorgelegd! Toch had de AKO-Literatuurprijs-jury 1989 geen geringe taak. Werden er in 1988 nog 114 boeken aangeboden, ditmaal waren het er 192, een toeneming van 30%. En dat is wellicht nog geen volledig overzicht. De jury heeft enige malen (nog) niet ingezonden boeken opgevraagd die onder de aandacht van één of meer juryleden waren gekomen. Eén daarvan drong zelfs door tot de laatste ronde van de discussies, zij het niet tot de zes voordrachten waartoe de jury heeft besloten.
"Voordrachten" zeg ik met volharding: het was ons liever geweest wanneer het bestuur van de AKO-Literatuurprijs het goed-Neder-landse woord "voordragen" zou gebruiken, in plaats van het anglicisme "nomineren".

De jury heeft de grote werklast met berusting aanvaard, zich bewust dat zij de taak op zich had genomen om alle binnen de gestelde grenzen verschenen literaire werken te zullen beoordelen. Maar u begrijpt waarom wij ons in het artikel van Arthur Krystal enigszins konden herkennen! Ook de jury is het daarbij opgevallen dat er veel bekwaam geschreven boeken verschijnen, naast even zovele die dit epitheton niet verdienen.

De jury heeft niet speciaal op categorieën gelet. Zij vindt het daarom een gelukkig toeval dat er zoveel verschillende genres in de eindbeoordeling voor komen: een verhalenbundel, een novelle, een biografie, een bundel essays en twee romans.
De jury heeft evenmin gelet op reputatie, maar is louter afgegaan op de literaire kwaliteit van de werken die het afgelopen jaar (tussen 1 april 1988 en 31 maart 1989) verschenen zijn. Een illustratie hiervan is, dat er onder de voorgedragen zes werken twee debuten zijn.
De tientallen boeken die door één of meer juryleden in eerste instantie als interessant werden beoordeeld zijn door alle juryleden één of meerdere malen gelezen. Natuurlijk hebben de leden van de jury niet al hun voorkeuren gehonoreerd gezien. Ik heb echter - als voorzitter die in de rol van liefhebber meesprak - binnen de jury een bijzonder goede sfeer, een grote mate van openheid voor elkaars argumenten en een bijzondere liefde voor het literaire boek mogen aantreffen. Dit heeft er toe geleid dat de uiteindelijke voordracht-van-zes unaniem mag heten. Ik ben de collega's daarvoor zeer erkentelijk.


Winnaar

  • Brigitte Raskin - Het koekoeksjong

    Een mensenleven is helaas zo weinig, een mensenlot echter betekent zo veel". Deze woorden van Grillparzer schragen Het koekoeksjong van Brigitte Raskin. Dit literaire debuut van de in 1947 geboren Vlaamse historica en journaliste biedt in een perfect gedoseerde mengeling van documentaire, autobiografische en fictionele elementen het aangrijpende levensrelaas van Frans Maes, het koekoeksjong, een verschoppeling van de maatschappij wiens korte bestaan zich tussen 1938 en 1970 afspeelde.

    Brigitte Raskin, in 1970 studente in Leuven, heeft Maes kort en oppervlakkig gekend, ze vond hem onsympathiek. Maes veroorzaakte een verkeersongeluk met vier doden, waaronder hijzelf. Omdat hij geen familie had ging zij, als bewoonster van dezelfde flat, naar zijn begrafenis. "De begrafenis van een zwerfkat, die dood langs de weg lag en door de gemeente moest worden opgeruimd." En dat was dat, dacht ze.

    Brigitte Raskin voltooide haar studie, trouwde, werkte, maar iets begon te knagen: ze was aan een medemens voorbijgegaan. Diens leven had niet geteld, zijn lot ging haar des te sterker intrigeren. Ze begon haar zoektocht naar Frans Maes, zeventien jaar na zijn dood. De sporen van zijn bestaan aan de zelfkant leken al uitgewist. Hoerenkind, onbemind, steeds op de vlucht voor schuldeisers, politie, justitie. Maar iets van zijn leven bleek toch nog te grabbel te liggen op de rommelmarkt van de samenleving. Als een detective volgde zij elke aanwijzing en ze vond getuigen. Vanaf de vroedvrouw die Frans Maes op de wereld hielp tot de grafdelver die zijn verminkte lijk begroef.

    Zij vervlecht het lot van de kleine crimineel, de leugenaar, de kruimeldief, met episodes uit haar eigen geborgen bestaan, ze herschept dit zo nabije verleden dat nu al ontglipt, schets een indringend tijdsbeeld van de afgelopen halve eeuw in allerlei milieus (middens, zou de Vlaming zeggen). Maar ze doet meer: ze weet te bewerkstelligen dat Frans Maes op den duur ook tot het geweten van de lezer gaat spreken, de lezer die zowel medeverantwoordelijk als medeplichtig wordt.

    Het koekoeksjong is naar de menig van de jury niet alleen knap van compositie, tot in details afgewogen en uitgewerkt, het is bovenal geschreven met een ingehouden compassie en met een gedrevenheid die de lezer vanaf de eerste pagina geboeid houdt. Het is een boek dat gemaakt móest worden - nooit sentimenteel, maar vaak sterk ontroerend. Reden om dit debuut voor te dragen voor de AKO-Literatuurprijs.

Genomineerd

  • Bernlef - Vallende ster

    Rapport Bernlef:
    Door te kiezen voor het genre novelle, heeft J. Bernlef zich in Vallende ster kunnen beperken tot hoofdzaken. Deze betreffen een thematiek die in de novelle kort wordt samengevat als: "de afstand tot".
    De hoofdpersoon, de komiek Wim Witteman, komt in een toestand van paniek terecht doordat hem de woorden ontglippen die het contact met de wereld moeten waarborgen. Met de woorden verliest hij elk houvast in zijn leven. Misschien is dát sterven te noemen, wanneer de woorden in het ongerede raken en daardoor de dingen ongrijpbaar worden en het contact met anderen verbroken wordt. Witteman gaat zijn broer achterna, een autistische jongen die alleen in beelden leefde, in een wereld waar, zoals Bernlef het treffend formuleert, nog niks naam of functie had. Die sprakeloosheid was al voor de jonge Witteman even fascinerend als angstaanjagend. Zijn broer bootste hem in alles na, wat tenslotte zijn dood zou betekenen; als acteur blijkt Witteman op zijn beurt van zijn broer geleerd te hebben. Het is een mentale osmose in termijnen. "Hoe mezelf te vertragen als het hierbinnen in mij op hol slaat", zegt Witteman, en dat klinkt als een echo van de broer, die zich doodstil hield omdat de wereld onafgebroken om hem heen raasde.

    In korte episodes brengt Bernlef de bewustzijnstoestand van zijn hoofdpersoon in kaart. Bewonderswaardig acht de jury hoe hij behoedzaam, zonder veel ophef, subtiel alle sentimentaliteit vermijdend, grensgebieden van de menselijke ervaring betreedt waar weinigen in de literatuur zich wagen. Als hij in de novelle Beckett citeert en Witteman een rol in Wachten op Godot laat spelen, is dat meer dan een literaire verwijzing - door zijn rol in Becketts toneelstuk beseft Witteman achteraf de gewelddadige aard van de betrekking met zijn broer. Tevens wordt daarmee de thematiek van spreken en zwijgen in verband met het kosmische aangestipt. Bernlef hoedt zich er voor zulke zaken expliciet te maken, zijn voorkeur gaat uit naar de indirecte methode. De tegenstrijdigheid en complexiteit van gevoelens laat hij intact door het niet óver gevoelens te hebben maar ze te tonen, ze in taal waar te maken. De grote prestatie van dit kleine boekje is, in de ogen van de jury, dat Bernlef dit verlies van taal en werkelijkheid in taal heeft weten uit te drukken, waarbij hij in ritme en doorwerking van motieven dicht in de buurt van de muziek komt. Men zou ook kunnen zeggen dat in Vallende ster poëzie en proza elkaar gevonden hebben, reden voor de jury om deze novelle voor te dragen voor de AKO-Literatuurprijs 1989.

  • Rudy Kousbroek - De onmogelijke liefde

    Rapport Rudy Kousbroek:
    "Een strohalm om zich aan vast te klampen: dierenfoto's". Met deze lapidaire zin opent Rudy Kousbroek het eerste opstel van zijn zevende bundel Anathema's: De onmogelijke liefde. Voor hoop is Kousbroek een te sceptische geest, maar hij is sensibel genoeg om in de o zo menselijke gezichten van dieren troost te vinden. Op onweerstaanbare wijze laat Kousbroek de lezers meekijken wanneer hij foto's door het vergrootglas van zijn verwondering of melancholie aan een onderzoek onderwerpt, waarbij hij als een detective vooral oog heeft voor het onooglijke detail. Bijvoorbeeld in een foto uit 1959 waarop een koorddansende hond te zien is met op zijn rug zittend een kleinere hond. De gezichten van de dieren blijken niet minder raadselachtig dan de gezichsuitdrukkingen van de mensen op de foto, en hoe langer hij naar de foto kijkt hoe raadselachtiger deze wordt. Het "meer" dat hij ziet, is wat hem toen het zich in zijn tegenwoordigheid afspeelde ontging: "ik zie het nu pas, als ik deze foto's bekijk". Dat is het mnemotechnische wonder van de fotografie; er is echter een open oog, geduld en aandacht voor de vereiste om het wonderbaarlijke ervan te zien. Kousbroek beschikt over zulke voelhorens van het intellect én hij beschikt, dat bewijzen deze opstellen, over het vermogen om zijn ontdekkingen zodanig te verwoorden dat het raadsel niet door begrippen en verklaringen wordt platgeslagen.

    Kousbroek rubriceerde zijn opstellen onder de hoofdjes "dieren, foto's, liefde, ergenissen, muziek". De onmogelijke liefde is echter meer dan zomaar een bundeling van verspreide opstellen over diverse onderwerpen. Of Kousbroek het nu heeft over naaktfoto's en pornografie, waarbij hij tot eigenzinnige en soms provocerende conclusies komt, of over muziekinstrumenten, schijnheiligheid op wielen, slechte vibraties, mode etc. - of het nu ergenissen of voorliefdes betreft - bij alles vraagt hij zich af hoe zijn reacties gevormd worden. Hij wordt geraakt, pijnlijk getroffen of hogelijk ontroerd, zijn verbeelding wordt geprikkeld, herinneringen en associaties worden opgeroepen, maar in alle gevallen zoekt hij te achterhalen hoe de dingen in elkaar zitten, hoe ze werken en, dát vooral, hoe zijn emoties tot stand komen. Je zou zijn boek een donkere kamer van de onroering kunnen noemen.

    Kousbroek komt rond voor zijn gevoelens uit, maar weet ze door zijn stijl en argumentatie voor anderen herkenbaar en begrijpelijk te maken. Het intellectuele genoegen dat hij beleet aan het ontleden, verhoogt slechts de intensiteit van zijn emotionele beleving. De jury stelt vast dat die kwaliteiten van De onmogelijke liefde een rijk en aanstekelijk boek hebben gemaakt en zij draagt deze essaybundel dan ook met genoegen voor voor de AKO-Literatuurprijs 1989.

  • Margriet de Moor - Op de rug gezien

    Rapport Margriet de Moor:
    Zeven verhalen in een bundel, zeer verschillend wat betreft personages en thematiek, en bijna altijd met een onverwachte ontwikkeling. De jury is aangenaam verrast door de hoge kwaliteit van de verhalenbundel Op de rug gezien, het debuut van Margriet de Moor.

    Margriet de Moor werd in 1941 geboren, studeerde piano en solozang aan het conservatorium in Den Haag, trad jarenlang op als zangeres, en studeerde daarna kunstgeschiedenis en archeologie in Amsterdam. Dat zij laat debuteerde is dus niet verwonderlijk, en al evenmin de gevarieerdheid van omgevingen waarin zich haar verhalen in Op de rug gezien afspelen.

    Haar personages bevinden zich steeds in een overgangsfase - vlak na een verhuizing, net van school, even terug uit Australië, op het punt van baan te veranderen - waardoor de lezer kan vermoeden dat wat met hen gebeurt meer gevolgen zal hebben dan zij zelf beseffen. De schrijfster verstaat de kunst van het weglaten. Ze schrijft zo onnadrukkelijk dat het ongewone gewoon lijkt; pas na herhaaldelijk lezen realiseert men zich hoe rijk deze verhalen zijn. In elk verhaal bestaat er een spanning tussen werkelijkheid en fantasie, maar telkens op een andere manier waardoor de verbeelding zelf tot het thema van de hele bundel wordt.

    In het titelverhaal Variations pathétiques verzint een eenzame pianolerares een relatie met de vader van een leerling. "Hij bestaat" draait om de vraag of de in de jungle van Afrika gesignaleerde dinosauerus wel of niet echt wordt waargenomen. In De dag van Zonnegloren tracht een oude vrouw na een levenslang huwelijk alsnog greep te krijgen op het karakter van haar demente man. In het titelverhaal Op de rug gezien speelt een jong meisje in de moeizame relatie met een schoolrector eigenschappen van zowel haar moeder als haar vader.
    In Robinson Crusoë vertelt een man, om zich groot te houden, verhalen over een niet-bestaande vriendin. Naar het zuiden laat zien hoe benepen de fantasie is wanneer ze vooral door nieuwsgierigheid wordt gevoed. En de hoofdpersoon die in het verhaal Come-back naar het Nederland van haar jeugd terugkeert, blijkt jarenlang geleefd te hebben met een onafgerond verleden dat haar heden onwezenlijk maakte, tot zij haar fantasie in werkelijkheid omzet.

    Of het nu om passie gaat, onbegrip, het onvermogen alleen te zijn of de mogelijkheid vaste greep op het leven te krijgen, het gemak waarmee Margriet de Moor de zo uiteenlopende gevoelswerelden van haar personages weet te schetsen vindt de jury bewonderswaardig; het boek verdient het voorgedragen te worden voor de AKO-Literatuurprijs 1989.

  • Helene Nolthenius - Een man uit het dal van Spoleto

    Rapport Helene Nolthenius:
    "Wie zulk een tijd en zulk een land wil beschrijven, dient somtijds de wetenschap te laten voor wat zij is... Al schrijvens baant hij zich een weg door de ontroering die het verleden hem gaf, en ongemerkt wordt zijn relaas een epos."

    De auteur die deze zinnen nu bijna veertig jaar geleden opschreef als proloog bij een opvallend literair debuut ("Duecento"), schetst nu opnieuw met "politiek en ecnonomisch nieuws... raadgevingen, recepten, geruchten, exempels en roddelpraat" een indringend tijdsbeeld - zoals eerder Huizinga gedaan heeft. Ditmaal het eops van Een man uit het dal van Spoleto, die barrevoets de wereld wilde hervormen, het verhaal van die alternatieve Stupor Mundi van het Duecento (naast Frederik II Hohenstaufen), wiens gelaat voor ons onherkenbaar was geworden door de ijver van generaties hagiografen.

    De ontroering die Helene Nolthenius aan het verleden ontlokt weet zij op een ongekunstelde wijze op haar lezers over te brengen. De jury is onder de indruk van de manier waarop deze auteur zelfs haar grote eruditie daaraan weet te onderwerpen. Teksten van acht eeuwen her, uit kronieken, liederen, sermoenen en oorkonden laat de auteur voor zich spreken, al zijn zij ogenschijnlijk willekeurig uit een omgevallen boekenkast gelicht. Vulgair Latijn en Ouditaliaans worden een sober Nieuwnederlands, de vreselijke werkelijkheden van die eeuw behoeven geen opsmuk. En als zij in het derde deel van haar Franciscus-impressie zelf aan het woord komt, dan dringt zij zich met haar ontleding van het fenomeen Fransciscus nergens op, "ongelovige katholieke" kroniekschrijver als zij naar eigen zeggen is.

    Het is moeilijk voor ons om ons in het zelfbewustzijn en het wereldbeeld van een kind van het vroege Duecento te verplaatsen. De auteur reikt de lezer daartoe een helpende hand. De spiritualiteit van de "liedjeszanger van de Heer", zijn armoede, zijn mateloosheid, zijn visioenen, zijn stigmatisering: zij komen alle gelijkwaardig tot hun recht. De verwondering blijft.

    Ons taalgebied is geen vruchtbare bodem voor biografen. De jury prijst zich gelukkig dat zij het geschiedverhaal dat Helene Nolthenius schreef over "Franciscus tussen zijn tijdsgenoten", in een geslaagde "Mischung von Wahrheit und Dichtung", literair heeft mogen beoordelen. Te vrezen valt dat de historici - ondanks het indrukwekkende noten-apparaat achter in het boek - hun twijfel wel zullen behouden over de ontvankelijkheid voor ontroering als methode om in het verleden te beschouwen.
    Met overtuiging draagt de jury deze titel voor voor de AKO-Literatuurprijs 1989.

  • Leo Pleysier - Wit is altijd schoon

    Rapport Leo Pleysier:
    Je bent dood maar nog niet begraven, en je zoon waakt bij je opgebaarde lijk. Een, zij het wat vreemde, gelegenheid om als moeder nog eens alles uit te spreken wat je op je hart hebt. Dit gebeurt in een monoloog die de Vlaamse schrijver Leo Pleysier schreef onder de titel Wit is altijd schoon, een monoloog die wordt voorgestuwd door herinneringen van gisteren, eergisteren en het verre verleden van de oorlogsjaren, om telkens weer terug te keren naar het ontnuchterende, zakelijke nu tussen dood en begrafenis, te verschonen lakens en ongemakken van een niet goed functionerend vriesbed incluis. Geen echte monoloog misschien, want de herinneringen en de bekommernissen van het ogenblik worden in beweging gezet en telkens afgebroken door de niet-uitgesproken maar voelbaar aanwezige woorden van de zoon: de lege plekken of witte stiltes die het verhaal van de moeder spanning geven... en "wit is altijd schoon".

    Vanuit deze orginele invalshoek heeft Leo Pleysier een ontroerend, tegelijkertijd luchtig relativerend en doorvoeld portret geschreven dat naar mening van de jury uitmunt door de combinatie van gestructureerdheid en spontaniteit, inlevingsvermogen, spankracht en geraffineerd taalgebruik. En het is zeker geen sinecure geweest, het gekozen procédé vol te houden zonder melodramatisch of anekdotisch te worden.
    Pleysier is erin geslaagd een "blij" verhaal te schrijven over de dood; een verhaal dat er met zijn duidelijk Vlaams coloriet, zonder evenwel burlesk te worden, het dood-gewone leven opheft uit het gewone; een verhaal dat de lezer uitnodigt om het vanuit de stilte te beluisteren en "tussen de regels" te lezen. Zo komt immers het "wit" het best tot zijn recht.

    Het procédé van de raamvertelling dat bij diverse episodes wordt toegepast is als het ware een echo van het begin- en de eindzinnen, die het hele verhaal tussen dood en leven bijeenhouden en de moeder-zoonrelatie - "ik en gij" - subliem weergeven: "Kom maar, zei ze. 'Kom maar door.'(...) 'Ga maar weer nu. Ga maar', zei ze." Deze gesloten dialogische monoloog van de moeder wordt gevolgd door een korte epiloog waarin de zoon, ruim na de begrafenis, meent zijn moeder te zien lopen; sprakeloos ziet hij hoe zij in de verte verdwijnt. De onuitgesproken relatie wordt over de dood heen op de laatste bladzijde verwoord in het mooiste "doodsprentje" dat een zoon voor zijn moeder kan schrijven: " 'Wit denk ik. 'Geef haar van het zuiverste, meest smetteloze wit dat er te vinden is... Geef haar al het wit dat opstuift tussen Nova Zembla en Alaska...; al het wit van de witste woestijnsteden van Arabië en Afrika... En dan nog is er geen wit genoeg', denk ik."
    Het is de jury een genoegen dit ontroerend en knap geschreven portret voor te dragen.

Naar de overzichtspagina

Delen