AKO-Literatuurprijs 1991

Ga direct naar

Details:

De jury:
F. Bolkestein, voorzitter
L. Ferron
M. Janssens
Wam de Moor
J.J. Peereboom

Rapport:

De AKO-jury voor 1991 heeft 197 inzendingen moeten beoordelen. Aangezien elk boek door tenminste twee leden van de jury is gelezen, was dat geen geringe opgave. In vergelijking met vorige jaren kon doelmatiger worden gewerkt omdat de voorjaarsproductie reeds vóór de zomer van 1990 onder de juryleden werd verspreid, terwijl anderzijds de datum waarvoor het boek moet zijn gedrukt, is vervroegd van 31 maart tot 15 februari 1991. De volgende jury zal de literaire oogst van 15 februari tot en met 31 december 1991 beschouwen en dus nog meer tijd hebben voor een bezonken oordeel.

De gemiddelde kwaliteit van de ingezonden boeken was hoog. Vele bekende schrijvers bleken de gerecenseerde periode voor een publikatie te hebben uitgekozen. De jury kwam gedurende het jaar dan ook in de verheugende omstandigheid te verkeren dat zij over een veelvoud van het aantal nominaties aan werken beschikte die in aanmerking kwamen. Met veel genoegen had zij het dubbele aantal nominaties geformuleerd. Kwaliteiten als visie op de werkelijkheid, vorm en vooral stijl bleken bij het selectieproces de beslissende criteria.

Daar het in eerste en laatste instantie om kwalitatief hoogstaande proza ging, heeft de jury geen enkele tekstsoort links willen laten liggen, ongeacht de omvang van de tekst. Zo kon een boek van 40 bladzijden gerust wedijveren met een kanjer van 600.

De jury is bewust voorbijgegaan aan eventueel opzien dat de aangeboden boeken tot het ogenblik van haar beslissing in de media hebben gebaard. Zo kon het gebeuren dat een naam waar ongeveer iedereen over spreekt, moest wijken voor een naam waar nog haast niemand het over heeft, maar waar de jury van meent dat hij door velen genoemd mag worden. Natuurlijk was groot opzien evenmin in het nadeel van de meedingende publicaties.

Pas na gedane zaken kon de jury concluderen dat de nominaties over de verschillende genres bleken te zijn verdeeld: twee romans, een biografie, een verhalenbundel, een jeugdboek en een reisverslag. Het is voor het eerst in de geschiedenis van de AKO-Literatuurprijs dat een jeugdboek wordt genomineerd. Uit de keuze daarvan mag niet worden geconcludeerd dat de jury van emancipatorische idealen was bezield, hoewel - zoals gezegd - nog niet eerder een als jeugdboek aangekondigd werk binnen een mengeling van literair proza op gelijke voet is beoordeeld.

In deze quota-bewuste tijd valt tenslotte op te merken dat een der genomineerde schrijvers de Belgische nationaliteit heeft en dat twee der genomineerden van het vrouwelijke geslacht zijn. Maar ook die opmerkingen konden pas achteraf worden gemaakt.

Ik breng graag hulde aan de lees- en werklust, en aan de collegialiteit waar de juryleden, ondanks hun soms afwijkende standpunten en appreciaties, blijk van hebben gegeven. Met vijf juryleden tot een eensluidend besluit komen, is als een regering leiden met vijf coalitiepartners. Mijn ervaringen met de juryleden voor de AKO-Literatuurprijs 1991 hebben mij geleerd dat het bedrijf van de literaire kritiek nog ingewikkelder is dan dat van de politiek. Als je in de politiek met vijf bent en je wint met drie tegen twee, heb je volgens de regels van het democratische spel gewonnen. Literaire smaak is evenwel geen kwestie van neuzen tellen, evenmin van grootste gemene delers. De jury voor de AKO-Literatuurprijs heeft tot een unaniem besluit willen komen. Dat vergde van iedereen de passende dosering van beginselvastheid, luisterbereidheid, flexibiliteit en grootmoedigheid. Regeren bij consensus van vijf partners: wat blijkbaar denkbeeldig moet blijven in de politiek, blijkt goed mogelijk in een literaire jury.


Winnaar

  • P.F. Thomése - Zuidland

    Nominatierapport P.F. Thomése:

    Dit boek bestaat uit drie verhalen, die alle in het verleden spelen. Het eerste verhaal, “Leviathan” getiteld, beschrijft enige gebeurtenissen in het Noordwijk van de vroege zeventiende eeuw. De vissers daar worden getroffen door drie verschijningen: de storm die een overstroming van hun dorp veroorzaakt; een zwerver met een hondekar die door hen voor heilige wordt aangezien; en de gestrande walvis waarnaar het verhaal is genoemd. Hun heer, Jan van der Does, waant zich een moderne Ovidius en kijkt neer op het ongeletterde pummeldom. Zijn rederijkersvrienden meten de walvis terwijl hij zelf naar het Parijs van zijn studentenleven verlangt. De admiraal der vissersscheepjes vindt op het strand zijn einde en wordt aan beide benen in het noodweer weggesleept, duin op duin af, terwijl zijn gebochelde zoontje – het Bultje genaamd – zich van niets bewust in de verte verdwijnt. De sfeer van het verhaal is beklemmend en doet denken aan Ingmar Bergmans film “ Het zevende zegel” . Thomése toont ons hier de achterhoede der mensen.

    Het tweede verhaal, waarnaar het boek is genoemd, speelt zich af in Middelburg, wat later in de zeventiende eeuw. Het beschrijft de keurmeester der VOC Roggeveen en diens twee zonen Jan en Jacob. Roggeveens droom is de ontdekking van Zuidland, het grote land in het zuiden van de stille oceaan. Ondanks herhaalde requesten slaagt hij er niet in een expeditie te ondernemen. Jan lijdt aan astma en kan slechts kaarten tekenen en berekeningen maken. Jacob vaart tenslotte naar Indië maar ook hij zal Zuidland niet vinden. Ook deze mensen bevinden zich aan de rand van de wereld. Zij kijken toe hoe het grote leven hun voorbijgaat.

    Het derde verhaal, “Boven aarde” geheten, heeft plaats in het Thunis van de achttiende eeuw. De zogenaamde hertog Ripperda en diens lijfarts Foucart zijn gevangenen van de bey. Ripperda is minister geweest van Philips V van Spanje en heeft alle hoven van Europa gezien. Het is onduidelijk hoe hij in Barbarije is verzeild geraakt. Hij is ziek en wacht op zijn dood. Hij heeft Foucart uit het bagno, het slavenkwartier, losgekocht. Daar moest deze arts voor de zieken zorgen. In een prachtige, groteske passage beschrijft Thomése hoe Foucart uit gebrek aan kennis en medicijnen gedwongen wordt zich van de lijken der overleden slaven te ontdoen door ze door openingen onder het plafond naar buiten te proppen, tot grote hilariteit der bewakers. Terwijl Foucart de zogenaamde hertog Ripperda tracht te verzorgen, smacht hij naar de lenige lichamen van de Moorse jongens die zijn heer met zoeternij kon verwennen. Ook hier een beklemmende sfeer maar dan van zwoele verrotting, waar die van het eerste verhaal een schrale en onheilspellende was.

    Thomése beschrijft mensen die verdwaald zijn geraakt in een uithoek van het leven, die elke greep op hun omgeving kwijt zijn en die als kleine scheepjes voortdobberen op de stroom van de tijd. De kracht van zijn verhalen ligt in zijn verbeelding en in zijn stijl. De mensen waarom het gaat en de gebeurtenissen die zich afspelen, staan de lezer helder voor ogen, zo niet als foto dan toch als aquarel. De schrijver is een afstandelijke waarnemer maar de sfeer die hij tekent, is duidelijk voelbaar. Het beeldende en filosofische getinte proza is ongewoon, trefzeker en sierlijk. Het neigt naar het barokke, wat overeenkomt met de beschreven periodes. Toch is het niet gekunsteld. Zijn zinnen zijn voor hedendaagse schrijvers lang maar houden de aandacht moeiteloos vast. Om zijn verbeeldingskracht en zijn uitgesproken talent voor een mooie, lopende stijl verdient Thomése aanmoediging en lof. Het is te hopen dat het volgende boek van deze beginnende schrijver een volwaardige roman zal zijn.

    Juryrapport winnaar AKO-Literatuurprijs 1991:

    Het beraad van de jury heeft zich tijdens haar laatste veraderingen vrijwel onmiddelijk geconcentreerd op de vraag, of zij, net als de jury van vorig jaar, de voorkeur moest gevan aan het boek van een gevestigde auteur, in dit geval Michel van der Plas, wiens warm en persoonlijk geschreven biografie Mijnheer Gezelle beschouwd mag worden als de kroon op het werk van deze auteur, of aan de verhalenbundel Zuidland van de debutant P.F. Thomése. Van de opvatting, aan te treffen in sommige nogal heetgebakerde reacties op de nominaties, dat de biografie evenmin als het kinderboek in aanmerking zou mogen komen voor de AKO-Literatuurprijs, omdat deze bedoeld zou zijn voor fictionele literatuur "for adults only", is de jury uiteraard ook nu niet uitgegaan. Ze verwijst voor de juistheid van haar houding naar art. 7a van het reglement voor de prijs: "Het boek dient een werk te zijn van literaire proza, verhalend of beschouwend, dat oorspronkelijk in het Nederlands is geschreven". Vandaar dat zij onbekommerd en met overtuiging de genomineerde werken nog eens de revu heeft laten passeren en lang stil is blijven staan bij Mijnheer Gezelle van Van der Plas. Deze lijvige studie is de vrucht van jarenlange persoonlijke inleving in leven en werk van de bewonderde Vlaamse meester, die op bepaalde momenten zelfs als alter ego van de auteur verschijnt. Die vereenzelviging is Van der Plas door wetenschappelijk georiënteerde Gezellekenners niet in dank afgenomen. De jury acht het evenwel een grote verdienste, dat hij erin geslaagd is het werk van vele voorgangers op literaire wijze te verwerken.

    Geen van de 24 werken die in de aanloop naar de nominaties waren overgebleven, kreeg echter zo onverkort de bijval van de jury als de literaire bezinning door debutant Thomése op de vraag naar de betekenis van de dood in het leven. In geen der 197 door deze jury gelezen werken werd eenzelfde zorgvuldigheid in stijl aangetroffen als in de verhalen "Leviathan" en "Boven aarde" uit Thoméses bundel Zuidland.
    Voor deze schrijver geldt boven alles het adagium dat ons sterven begint zodra we geboren worden. Deze oude wijsheid werkt hij in zijn drie verhalen op een concrete en oorspronkelijke wijze uit.
    Steeds is er sprake van leven, dat zich oriënteert op verleden, heden en toekomst en desondanks de mens ontglipt. "Leviathan", spelend in het begin van de zeventiende eeuw, is een verhaal als verteld op een oude gravure. Enkele figuren op de voorgrond - een hevig twijfelende zeemand die zijn oude geloof heeft ingeruild voor het nieuwe en Leidse dichter Dousa, hoog boven de heffe des volks - stellen het thema van waarheid en schoonheid en de ongrijpbaarheid daarvan. Onmondig daarachter, klein in beeld, de vele bijfiguren, stuk voor stuk geëtst. Het decor is Noordwijk in de stormvloed. En dat grote zwarte beest op het strand van Noordwijk, de leviathan, is dat een geheimzinnig teken van boven? De kleine mensen weten er geen raad mee en het verdwijnt precies zo geheimzinning als het gekomen is.

    Dit thema van het verloren zijn aan een hogere, onbestemde macht en de vergeefsheid van het alledaagse leven bindt "Leviathan" aan beide andere verhalen. Jacob Roggeveen, de latere ontdekker, deinst zijn hele leven terug voor de opdracht die hem van God gegeven lijkt, Zuidland te zoeken. Hij is daardoor een "displaced person", niet in staat tot wezenseigen handelen. Het derde verhaal voert de lezer naar het Tunis van de achttiende eeuw, waar de Nederlandse hertog Ripperda met zijn lijfarts Foucart in gevangenschap ieder hun tot bijna niets dan herinneringen gereduceerde leven leiden. Meesterlijk zijn de zeer sterke, groteske beschrijvingen van ziekte, wellus en dood. De verteller is, net als in de andere verhalen, een afstandelijke waarnemer, alwetend, streng maar ook liefdevol voor zijn personages. Het idee van het menselijk onvermogen de werkelijkheid in de greep te krijgen lijkt hem nooit los te laten. Het respect voor de ernstige toon van dit proza, de bewondering voor het vermogen van deze auteur om een volkomen eigen wereld op te roepen, van Hollandse mensen in wat naar tijd en plaats uithoeken van het menselijk bestaan genoemd kunnen worden, en de bewondering voor zijn groot stilistisch talent, hebben het uiteindelijk dan ook gewonnen van alle andere overwegingen die de jury heeft gehad.

    Kreeg in 1990 de gevestigde auteur meer krediet dan de debutant, dit jaar gebeurt het omgekeerde. De jury draagt dan ook met meerderheid van stemmen en van harte als winnaar van de AKO-Literatuurprijs 1991 voor: de auteur van de schitterende verhalenbundel Zuidland, P.F. Thomése.

Genomineerd

  • Patricia De Martelaere - Littekens

    Rapport Patricia De Martelaere:
    Wat de lezer het eerst opvalt in ”Littekens” is het vermogen van Patricia de Martelaere om de vluchtige intimiteit van mensen met zichzelf onder woorden te brengen.
    De roman vertelt het uitzichtloze verhaal van de briljante medische studente Eva en de hopeloze eerstejaars in de rechten Vincent, die af en aan samenwonen. Zij is bang om zich over te geven aan de seksualiteit, hij kan er niet tegen dat zij een eigen leven heeft; hij jaagt haar telkens vernederend het huis uit, zij laat zich iedere keer terugroepen als hij zich bedenkt.

    Zij kunnen zich niet beschikbaar stellen voor elkaar. De littekens waar de roman naar genoemd is verwijzen waarschijnlijk naar ervaringen die iets van hun onmacht verklaren, maar wij komen er niet achter hoe dat zit. Eva heeft er een op haar buik, Vincent een op zijn voorhoofd; als zij erover spreken verzinnen zij maar wat.
    Er zou in hun verleden naar de waarheid van de littekens gespeurd kunnen worden; in plaats daarvan krijgen wij te zien hoe zij de dagelijkse omgang beleven, in tegenstrijdige gevoelens en gedachten. Daar is de term vluchtig op van toepassing: zij merken alles op bij zichzelf, en zij kunnen nergens op rekenen.

    Hun nijdige en onbevredigende manier van leven neemt de vorm aan van een komedie waarin de lezer zichzelf weerspiegeld ziet. Sommige taferelen, zoals die van Eva met haar naasten uit winkelen, horen tot de pijnlijkste grappige van de Nederlandse literatuur. Vaak is de komedie uitgedrukt in dialogen, zoals wanneer Eva een oudere man ontmoet heeft die niet begrijpt wat zij van hem verlangt. Een geheime relatie?
    “Ik wil het niet”, zei hij
    “Het gaat heel goed, tussen mijn vrouw en mij.”
    “Ja natuurlijk”, zei Eva.
    Hij keek haar niet begrijpend aan.
    “En bovendien,” zei hij, “ik ken je niet. Hoe zou ik verliefd kunnen zijn op jou?”
    “Je zou het kunnen worden”, zei Eva.
    “Maar dat wil ik helemaal niet”, zei hij. “Daar heb ik helemaal geen behoefte aan.”
    “Natuurlijk niet”, zei Eva.

    De innerlijke ruimte waarin de mensen hun radeloosheid beleven en de uiterlijke overzichtelijkheid van woorden en wederwoorden komen tegelijk tot hun recht in zulke dialogen. Dat geldt zelfs wanneer er bijfiguren aan het woord zijn, want De Martelaere kent ieder van haar personen een gelijke toe, ook aan een weerloze moeder en een onhandige vader.

    Wat er opmerkelijk is aan ”Littekens” kan kort samengevat worden in twee punten. De roman beeldt ondervindingen en gedragingen die ons ongeveer vertrouwd waren zo levend uit dat ze voor het eerst onontkoombaar lijken te worden, en laat herinneringen na aan de personen en wat zij zeiden, lang nadat de meeste romans in de nevels van het geheugen zijn zoekgeraakt.

    Daarbij verdient de schrijfster een compliment voor de slotpassage, wanneer zij uitverteld is over de twee hoofdpersonen en terugkomt op de oudere man die niet wist wat hij moest. Hij heeft de studente een tijd geleden voor het laatst gezien en vindt dat hij het gemis niet hoeft te betreuren: want bijzonder was zij niet. Haast niemand zal spontaan instemmen met die onzekere man; zo worden wij als het al afgelopen lijkt opnieuw in het verhaal betrokken.

  • Adriaan van Dis - Het beloofde land

    Rapport Adriaan van Dis:
    Onder de vele reisboeken die de jury onder ogen kreeg - er waren er tenminste drie waarvoor zij veel waardering had - muntte "Het beloofde land" van Adriaan van Dis uit in concentratie op het doel dat de reisbeschrijver zich gesteld heeft en in helderheid, lichtheid en directheid van de stijl. Met het levensverhaal van de bediende Sophie bevinden wij ons als lezers onmiddellijk midden in het probleem van de zwarte meerderheid in Zuid-Afrika in dienst van de blanke minderheid, maar weggestopt in armzalige behuizingen op uren afstand van het werk, en onderling hopeloos verdeeld. En juist in de Karoo, volgens het partijblad van de Konservatiewe Party "die beloofde land", gaat van Dis, in het spoor van zijn vriendin Eva Landman, op zoek naar de betekenis van zeventien jaar Zuidafrikaanse geschiedenis en vooral: hoe het daar in 1990 leven is voor blank, zwart en gekleurd. "Er zit een dreigende neger in mijn onderbewustzijn", erkent blanke Eva en tegelijkertijd is er geen hechter relatie dan tussen de oude, zwarte beauty en haar missus Ina, Eva's schoonzuster.

    Van Dis maakt op concrete wijze en zonder clichématige tegenstellingen te vervallen voelbaar hoe groot de kloof tussen zwart en blank in feite is, door de onwetendheid te beschrijven. "Kennis van de zwarten is gebaseerd op folklore", merkt hij op, in een irritatie die leidt tot een conflict met Eva's broer, de boer van de plaas, en de ware aard van al dat gedaas openbaart: angst voor wat komen gaat. En hoeveel reden er is voor die angst en vooral voor de wraak om het aangedane onrecht, laten de jeugdherinneringen zien die Van Dis' gastvrouw ten beste geeft. Daar is bijvoorbeeld het verhaal van de kippejongen die voor zijn bestiale omgang door zijn blanke meesters gruwelijk wordt bejegend. "Eens zullen we om deze dingen gestraft worden, wij en onze kinderen tot in het derde en vierde geslacht", verzucht Eva Landman.

    Zonder zichzelf op de voorgrond te dringen, geeft Van Dis vorm aan zijn eigen verwarring, voortspruitend uit de paradoxale situatie waarin heel Zuid-Afrika verkeert. Historische dimensies schetst hij zonder vertoon van geleerdheid. Steeds laat hij de mensen zelf aan het woord, met hun onzekerheden, hun affecties, hun verleden en...hun huidskleur. "Zwart..bruin.. een nuance die op deze reis zo belangrijk is geworden. Overal trekken mensen hier grenzen". Maar het bezoek aan een rasechte Afrikaner die alleen nog maar met witte mensen wil werken en in alle anderen de duivel zelf ziet, breekt zijn geduld grondig af. Van Dis zelf erkent bijna ten einde raad: "Ik wil reizen zonder vooroordelen, maar het valt niet mee".

    Het voor alles boeiende van dit reisboek is dat de schrijver zich heel persoonlijk verhoudt tot de verwarring waarin de blanke bevolking van de Karoo verkeert. Wat met een gesprekje tussen zwarte werkvrouw en blanke gast begon loopt gaandeweg uit op de dramatische spanning van het open einde en met die spanning in zijn lichaam sluit de lezer het boek. De lach van de werkvrouw in de laatste regel is niet die van het verlossende einde, maar kondigt als het ware het ongezegde tragische vervolg aan dat auteur noch lezer kennen.

    Dat Van Dis de lezer zo weet te betrekken bij een drama waarvan gemakkelijk gedacht wordt dat men er dankzij de media alles al van weet, is een grote verdienste. Zijn vertelkunst geeft de naakte feiten een humaan en persoonlijk karakter. In het lot van de vele familieleden Landman die hij ontmoet, schetst hij een breed spectrum van nuances. En door alles heen voert hij een heimelijke dialoog met de geliefde van weleer. Bij alle vervreemding houdt deze ook hun gemeenschappelijke droefheid om de teloorgang van het mooie land in.
    Kan men al spreken van een grens tussen journalistiek en literatuur, dan heeft Van Dis deze met zijn boek " Het beloofde land" ten volle opgeheven.

  • Geerten Meijsing - Altijd de vrouw

    Rapport Geerten Meijsing:
    Er zijn auteurs bij wie de kwaliteit gelegen is in het bewust klein houden van thematiek en techniek. En al wordt hen soms enigszins smalend verweten “Hollandse realisten” te zijn, niettemin vormen zij de ruggengraat van de Nederlandse literatuur.
    Geerten Meijsing nu onttrekt zich volledig aan deze karakterisering. Al in zijn, onder pseudoniem geschreven, debuutroman ”Erwin” poneerde hij zich met de nodige theatraliteit als een auteur die het grote gebaar niet schuwde en zich er nadrukkelijk op liet voorstaan zijn inspiratie te putten uit maar liefst het Total westerse culturele erfgoed. Een literaire duivelskunstenaar wás hij en wilde hij ook zijn. Hoe anders moet men zijn onder de naam Eefje Wijnberg geschreven pulproman ”Een meisjesleven” beschouwen?

    Het is uitgerekend deze Eefje Wijnberg die de vrouwelijke hoofdpersoon blijkt te zijn in Meijsings nieuwste roman ”Altijd de vrouw”. In het drietal aan de roman voorafgaande motto’s verwijst de auteur naar de doos van Pandora, waarin uiteindelijk alleen nog de hoop achterblijft. Voor het zover is zijn we getuige van dat fragment uit het leven van de schrijver Erik, waarin deze zich vergooit aan het meisje Eefje. Een aardse, wispelturige vrouw bij wie Erik alle intellectuele en emotionele zeilen moet bijzetten om zijn liefde voor haar te laten passen binnen het elitaire denk- en leefpatroon dat hij voor zichzelf heeft opgezet.

    Meijsing zelf noemt ”Altijd de vrouw” de ethische pendant van zijn voorgaande roman ”Veranderlijk en wisselvallig” - waarvoor hij in 1988 de AKO-Literatuurprijs kreeg. In die zin zou de roman, alweer volgens de auteur, gaan om een aan Plato ontleende “dialoog over de ziel en verliefdheid als functie van de retorica”. Een bijna beangstigend abstract uitgangspunt dat door de auteur echter op verrassend concrete wijze wordt uitgewerkt.
    De mannelijke hoofdfiguur, die liefde, ontucht en wat daarbij komt kijken intellectueel benadert en zo ook het meisje Eefje in zijn schema betrekt, moet tot zijn ontzetting ervaren dat zij de rollen weet om te draaien en hem ziek van liefde en intellectueel en emotioneel ontredderd aan zijn lot overlaat. Dit hevig tegendraadse gegeven had kunnen leiden tot een larmoyante vertoning.

    Niets daarvan bij Meijsing. Hij verstaat het métier als de besten. Een nauwgezet constructeur, maar ook een sensitief schilder met taal en tenslotte een romanticus, die met pijnlijke objectiviteit een blik in zichzelf durft te slaan. Met deze kwaliteiten maakt hij zijn roman ”Altijd de vrouw” na ”Veranderlijk en wisselvallig” tot een volgend hoogtepunt in zijn oeuvre

  • Michel van der Plas - Mijnheer Gezelle

    Rapport Michel van der Plas:
    Het lijvige boek van Michel van der Plas ”Mijnheer Gezelle” draagt als ondertitel “Biografie van een priester-dichter (1830-1899)”. Het boek heeft niet de ambitie een wetenschappelijke studie te zijn, laat staan een “definitieve” biografie van een Vlaamse katholiek priester die “de grootste dichter van de vorige eeuw in het Nederlandse taalgebied” genoemd wordt. Het boek is een verhaal, niet verteld door een filoloog met de methodes en ten gerieve van specialisten-vakgenoten, maar door een essayist die een persoonlijke, haast intieme betrokkenheid van tientallen jaren bij de figuur van Gezelle hiermee bekroont.

    De levensbeschrijving door Van der Plas is vrucht van een bewonderende inleving die zich op de rand van de vereenzelviging met de gebiografeerde beweegt. De Gezelle-biografie rondt Van der Plas’ eigen levenslange verwerking van het fenomeen Gezelle af en ze synthetiseert ook oudere en nieuwere inzichten in leven en werk van de priester-dichter. Geen archieven maar gedichten domineren dit werkstuk, want in elk hoofdstuk wordt van de wieg tot het graf een relatie gelegd tussen de historisch-biografische, sociale en inzonderheid kerkhistorische context enerzijds en de poëzie anderzijds, zonder dat de verteller in een simplistisch biografisme verzandt. Vanzelfsprekend vertelt Michel van der Plas heel wat verworven kennis uit het Gezelle-onderzoek na. Hij versterkt bepaalde interpretaties, dikt die aan en eigent zich die toe met zijn warme sympathie voor de bewonderde meester. Sommige dramatische momenten in Gezelles bewogen leven als leraar, journalist, Westvlaamse particularist, kapelaan, enzovoort heeft hij met ontroerende inlevingskracht in beeld gebracht.

    Het hoofdstuk over de “bijzondere vriendschap” met de lievelingsleerling Eugène van Oye in Roeselare, bijvoorbeeld, vertelt hij met een discrete fijngevoeligheid die de stilaan ontelbare commentatoren van die episode in Gezelles lerarentijd zelden hebben opgebracht. De herhaaldelijke conflicten met de oversten in het Klein Seminarie en in het bisdom Brugge worden levendig uit de doeken gedaan. De verteller Van der Plas, zelf ooit kandidaat-priester-dichter, leeft kennelijk heel intens met dat drama mee van de gefnuikte dichter die zich als priester toch maar aan zijn soms hatelijke superieuren onderwierp.

    De grote momenten in de evolutie van de dichter Gezelle worden met passende citaten toegelicht. De biografie is geen bloemlezing, noch een oefening in poëzieanalyse. Wel worden voortdurend de meest treffende verzen als voorbeeld geciteerd en kort becommentarieerd.
    Niet verrassend is Van der Plas’ bewondering voor de gelegenheidsgedichten en voor een bundel van de latere Gezelle als “Tijdskrans”, die hij artistiek zeer hoog schat als een rijpe verwezenlijking van Gezelles dichterlijke programma, vooral een religieus poëtische getuigenis ter beschikking te stellen van een breed publiek – een ideaal waar Michel van der Plas allicht zelf ooit vurig van gedroomd heeft.

    Met zijn biografie kwijt hij zich van een “ereplicht” tegenover Gezelle, en misschien ook tegenover zijn eigen schrijversprogramma, dat in hem rijpte van toen hij, als adolescent, ook in een seminarie, Gezelles werk als een “bijbel” voor het leven ontdekte. Al bouderen de hooggeleerde Gezellianen zijn zo meeslepend geschreven verhaal misschien, met dit boek kan de Nederlander Van der Plas als gangmaker van Gezelle voor een ruimer publiek fungeren. Zijn biografie kan in elk geval voor velen een uitnodiging zijn om de poëzie van die “Mijnheer Gezelle” zelf te gaan lezen. Dan zou het vervullen van de “ereplicht” helemaal rond kunnen zijn.

  • Anne Vegter - Verse bekken!, of Hoe Heel Kort zich in een kip vergiste, uit het wc-raam hing, het op een sluipen zette en andere avonturen van de rat

    Rapport Anne Vegter:
    Er bestaat geen andere waarheid dan die van jezelf. Dat is de zinrijke gedachte die de jury rond het boek “Verse bekken! of Hoe Heel Kort zich in een kip vergiste, uit het wc-raam hing, het op een sluipen zette en andere avonturen van de rat”. In achttien kleine verhalen schiep Vegter een wereld waarin de gebeurtenissen niet samenvallen met wat er voor het oog gebeurt, maar met de verrassende gedachte of houding daarachter.
    Dankzij haar geestige fantasie maakt zij van zwoerig vakantiehouden een poëtische werkelijkheid, toont zij telkens in het wel of niet handelen van haar hoofdfiguur Heel Kort en bijfiguur rat, gadegeslagen en soms moreel ondersteund door de verteller, de verwantschap aan tussen laarzen en tafelpoten, voert zij een rat naar zijn identiteitscrisis, maakt zij een meeuw wijs dat hij een kip is waarvan een ei wordt verwacht. Er dwarrelt een muis voorbij, hangend aan een eikeblad. Er wordt gefilosofeerd over tijd en haast, over het wel of niet hebben van vriendinnen, over lucht van gisteren die zo fris was; het gaat over hagel op een snikhete dag en hoe een vlinder zich schroeit aan de hete lamp; het gaat kortom over het onverwachte en wat niet gezegd kan worden.

    De absurde taal van Koolhaas’dieren, de dartelheid van Vromans poëzie, de dialogen uit Herenleed en de wereld waar de dieren hun eigen maat bezitten van Tellegen hebben in Vegter een schrijfster gevonden die met deze klankkleuren haar persoonlijke akkoord samenstelt. Als Vegter haar kleine held laat vertellen hoe een dronken rat in verdrinkingsdood wordt gered door vissen in de sloot, laat ze hem het bevrijdende einde formuleren in een eigen concrete wending van de taal: “Toen legde ze hem op het nippertje van de wal" (p 17). “Had ik een vriendin,”zuchtte Heel Kort, “dan zoende ik erop”(p 19). Wanneer muis en rat elkaar knuffelen heet dat: “Zij stonden nogal aan elkaar”(p 22). Als Heel Kort droomt, staat er: “In Heel Kort was een droom”(p 26). Voor een ander voorbeeld van het geestige taalgebruik, zie dit dialoogje tussen Heel Kort en rat: Heel Kort doofde zijn peuk, “Ik maak de aanstalten,” zei hij, “want ik krijg haast. Waar is mijn pindarotsje?” “Haast”, zei ik. “Wat is dat en hoe kom je eraan?”
    “Inderdaad,” zei hij, “als je tijd hebt kom je er nooit aan. Heb jij tijd?” (p.18).
    Dat verhaaltje eindigt dan zo: “Zou dit haast zijn, “ dacht ik, “dat je het pindarotsje vergeet, waar je zo graag zin in had?”
    Dit type formuleringen houdt niet alleen de lezer klaarwakker, maar het geeft ook door de zeer persoonlijke humor die in elk verhaal aanwezig is permanent leesgenoegen.

    De verbondenheid van de illustratie met het jeugdboek – bij Wilhelm Busch in een en dezelfde kunstenaar te vinden, in bijvoorbeeld “Winnie-the-Pooh” afhankelijk van de combinatie van schrijver en illustrator – is ook in “Verse bekken!” aanwezig. Een passage als: “Heel Kort trok bekken aan tafel. Hij had er zat” functioneert op zichzelf reeds voldoende, maar ze wordt nog versterkt door een Busch-achtige reeks van twintig expressies die Heel Kort ten beste geeft dankzij het contépotlood van Geerten ten Bosch. Daardoor wordt de lezer gericht op de zeer directe dialoog tussen tekst en illustratie.

    Dit boek bevestigt de grote kwaliteit die Vegter in haar debuut ”De dame en de neushoorn” (1989) aan de dag legde, ten volle. Haar werk betekent een aanzienlijke verrijking van onze prozaliteratuur.

Naar de overzichtspagina

Delen