C. Buddingh-prijs 1999

Ga direct naar

Details:

De jury bestond uit:
Peter de Boer
Yra van Dijk
Gillis Dorleijn

Uitreikingsrapport:

De Nederlandse poëzie is de afgelopen vijftien jaar zo krachtig ontzuild dat er tegenwoordig bijna evenveel stromingen, kunstopvattingen en genres zijn als dichters. Die diversiteit ziet men ook terug in het werk van de nieuw bijgekomen dichters. Meer dan twintig debutanten hebben het afgelopen jaar hun intrede gedaan en elk van hen tokkelt zo op zijn eigen snaren. Zet ze bij elkaar en je krijgt iets als de verwachtingsvolle kakofonie van een zich inspelend orkest vlak voor de uitvoering. Hier klinkt even de aanzet van een klassiek strijkje, daar slaat iemand een aansprekend lightverse-akkoord aan, elders jongleert de triangel met postmoderne klingklang, neemt de hoorn een hap uit het sonnet of slaat de paukenist de laatste spijkers in het klankjuweel van zijn poëtisch hermetisme. Alles kan, alles mag, en een ieder heeft aan zijn eigen instrument genoeg.
Over de kwaliteit van de afzonderlijke debuten is hiermee uiteraard nog niets gezegd, maar het totaalbeeld is in elk geval kleurrijk en interessant. Dit acht de jury op zichzelf een positieve zaak, al bracht het wel een probleem mee: hoe uit zo'n bont geheel van debuten, waaronder enkele zeer veelbelovende, er nu één als het beste aan te wijzen? Het is de spreekwoordelijke appels met de dito peren vergelijken; wie recht doet aan de één doet tegelijk onrecht doen aan de ander.
Hoe het ook zij, dit gelegenheidsgilde van keurmeesters (of eigenlijk een meesteres en twee meesters) is na lange discussie toch tot een keuze gekomen. De situatie was daarbij zo dat er drie prachtige peren moesten afvallen omdat er maar één de mooiste appel kan zijn. De winnaar is de beste onder zijn ongelijken en werd, zonder per se de favoriet van élk jurylid te zijn, ten slotte unaniem aangewezen.
De jury is verheugd dat onder de debutanten zoveel goeds te vinden is. Zij is eveneens gelukkig met het feit dat de literaire uitgeverijen uit ons taalgebied zich voor de poëzie blijven inzetten, ondanks de eisen van de markt en de alom waar te nemen commercialisering. Zij nemen hun culturele verantwoordelijkheid. Dat mag wel eens gezegd in een tijd waarin (sommige) uitgevers verweten wordt alleen nog maar aan de portemonnee te denken.

Winnaar

  • Ilja Leonard Pfeijffer - Van de vierkante man

    Ilja Leonard Pfeijffers Van de vierkante man tapt uit een ander vaatje. Holle vaten klinken het hardst, luidt het spreekwoord, maar volle vaten klinken beter. Pfeijffer is de dichter van het volle vat, van de woorddronkenheid; de zanger `die zich op de bombast tromt', de `schuimspuiter', de `liedderrijke' die `in menig badkamer [zijn] stem heeft verheven / in klaterende aanhef van graniet' en die `verlicht van de retsina' zijn `grote woorden op hoge poten' uitgalmt. Dat zo'n volle bundel expliciet aan Pindaros plengt, is dan ook niet verbazingwekkend. Maar pindareske verhevenheid is vaak ver te zoeken. Ook de meest banale onderwerpen, situaties en perspectieven worden in de woordenstroom opgenomen.
    Waar het vat van vol is loopt de mond van over. Pfeijffer heeft veel gelezen en laat dat de lezer weten, maar zijn eruditie is niet een pretentieuze en hermetische intertekstualiteit voor ingewijden, maar een genietend echoën, een likkebaardend ruiken aan verschillende poëtische pannen, een zich brutaal en vlegelachtig indringen tussen de eters aan de poëtische ruif: schuif eens een stukje op, ik heb ook honger. Lucebert herkennen we wel het meest (hij mag blijven meeëten), en verder Pound, Nijhoff, Herzberg, Walcott, Kopland en zeker ook Faverey, van wie in enkele programmatische gedichten polemisch afscheid wordt genomen - onder andere in het openingsgedicht dat met een bedoelde ontsporing van de beeldspraak afsluit. Pfeijffer is hier en elders zorgvuldig onzorgvuldig en plaatst zich aldus luid en duidelijk in de zogenaamde onzuivere poëzietraditie. Om in het domein van eigen beeldspraak te blijven: Pfeijffer is de hollebolle Gijs, de `luilekkerman', de dichter die zich overeet aan de taal, die het ene gerecht na het andere verorbert, zoals Sjef van Oekel in de klassieker van Wim T. Schippers `Zuurkool met vette jus' (`soep vooraf, ja dat is mijn menu / kaantjes met bruine bonen / heel veel zout / niet van dat gewone') Inderdaad. Niet van dat gewone, oftewel: hè thaumata polla, wel veel raars, zoals het motto van de bundel al aankondigt. Niettegenstaande hun vraatzucht lijden Pfeijfers gedichten niet aan overgewicht. Ze zijn eerder een verrassende vorm van light verse. Ondanks (of misschien juist dankzij) de veelkleurigheid (we zien prachtige, gevarieerde stijloefeningen) en de allusies aan de Nederlandse en de wereldliteratuur, waaronder de klassieken, valt de ruimte die gang van de poëtische voetstap bepaalt grotendeels samen met het stratenplan van de studentenstad Leiden. En daarmee lijkt Pfeijffer meer op Piet Paaltjens en waar die naam voor staat, dan men op het eerste gezicht misschien zou denken.
    Zijn verve, zijn lef, zijn sprezzatura, zijn gebrek aan ernst ook, zijn een verademing in het soms wel erg serieuze Nederlandse poëzieklimaat. Daarom heeft de jury, na lange discussie, want van ernst is de jury nou ook weer niet vies, besloten Ilja Leonard Pfeijffer voor de Buddingh'-prijs voor te dragen.

Genomineerd

  • Paul Demets - De papegaaienziekte

    Rapport Paul Demets:
    Paul Demets schrijft in een van zijn gedichten uit zijn bundel De papagaaienziekte over een vrucht die haar vlees schuilhoudt onder een stekelig bolster. Dat is meteen een doeltreffend beeld voor zijn eigen poëzie, die zich al net zomin makkelijk prijsgeeft. Onder ogenschijnlijk kalme zinnen die over de versregels gedrapeerd zijn in een statig ritme, gaat een chaotische dichterlijke wereld schuil.
    Het is niet zo dat Demets het zijn lezers moedwillig moeilijk maakt, maar de wereld laat zich nu eenmaal niet zonder slag of stoot tot poëzie vertalen. Op het eerste gezicht lijkt het dichten net zo vanzelfsprekend als het leven zelf: `Wat je zeggen wil / ligt, kloppend en onverdund nog, voor het rapen'. Maar zodra de dichter aan het werk gaat ontdekt hij dat de wereld achter zijn woorden verdwijnt: de dingen laten zich niet vermurwen in taal te verschijnen. Niet voor niets verwijst Demets naar de filosoof Heidegger: de werkelijke aard der dingen ligt buiten onze kennis en dus buiten onze taal, en dat is het probleem waar de dichter steeds weer op stuit: 'Buiten het weten, hoe besta // je het, een ding'. Net als dichters als Faverey en Kouwenaar, aan wie Demets ook refereert, worstelt hij met het probleem dat de wereld in de poëzie niet daadwerkelijk kan bestaan. Maar dat wil niet zeggen dat de dichter er het zwijgen toe doet. Integendeel. Verwoed zet de romanticus die Demets ook is, zijn 'alleenspraak' voort in de hoop toch nog aan iets te kunnen zeggen over de wereld. Door eindeloos veel beelden, symbolen en metaforen op te werpen probeert de dichter omzichtig langs de onbeschrijfelijke werkelijkheid te schampen. Soms zet hij vaste uitdrukkingen en zegswijzen naar zijn hand om op unieke wijze gestalte te geven aan dingen die voorheen zonder naam waren. Zo heeft hij het over 'weewater' of over de maan die 'spataderblauw' is. Een auto in de regen is een schaaldier, en een herfstdag heeft een 'laag bloedeloze zon' die 'gaten in de middag' slaat.
    Er is een flinke dosis uithoudingsvermogen nodig voor deze poëzie, maar de lezer die volhoudt wordt beloond, want Demets' poëzie is niet alleen een vrucht met ruwe bolster, maar ook 'een glas/ dat, tegen je oor gezet, ruis vermoedt'. Het is dat vermoeden van ruis dat het kenmerk is van ware poëzie.

  • Jan Lauwereyns - Nagelaten sonnetten

    Rapport Jan Lauwereyns:
    Al meteen in de eerste reeks van Jan Lauwereyns' Nagelaten sonnetten wordt de lezer grondig gewaarschuwd. Dit blijken geen comfortabele gedichten te zijn die we van een afstandje kunnen beschouwen. De lezer wordt daadwerkelijk binnengehaald in de poëtische wereld van Lauwereyns, zodat het zomaar pijpestelen kan gaan regenen op het boek in zijn handen. In een volgend gedicht stort de lezer zelfs met luie stoel en al een verdieping naar beneden. Ondanks veilig klinkende titels als `stadswandeling' of `zomervakantie' is het een weinig overzichtelijke wereld die er in deze gedichten wordt opgeroepen. Zo ligt er een ijsberg in het bad, gaat een oma zingen als een ooievaar en kunnen kikvorsen sterrenkijken. Zelfs de gedichten die beginnen met een treffende beschrijving van een natuurlandschap, krijgen altijd een onverwachte en bizarre draai richting het absurde. De wereld die hier wordt beschreven laat zich niet in een vaste vorm gieten, daar is zij te bont voor. Iedere observatie loopt meteen uit de hand door vreemde associaties die het beeld verstoren, en bovendien is ieder gedicht verknoopt met de rest van de literatuur. Lauwereyns is zich ervan bewust dat het niet mogelijk is om taal te gebruiken zonder te citeren. Maar het gaat niet alleen om de wereldliteratuur; ook uit dromen, legendes, films of schuine liedjes wordt geciteerd, en de meeste verwijzingen blijven zelfs anoniem.
    Daarmee doet Lauwereyns recht aan de veelstemmigheid van de wereld en van ons eigen geheugen. Zo wordt zijn poëzie een wemeling van beelden en indrukken die zich niet al te gemakkelijk laat lezen. `Je leest tot op het bot. Niets komt', zegt de dichter zelf ontmoedigend. Toch is het zeer de moeite waard door te lezen `tot op het bot', door de bezieling waarmee Lauwereyns tracht een onbeschrijfelijke wereld toch te beschrijven. Om dat te bewerkstelligen hanteert hij de taal op een uiterst oorspronkelijke manier. Zo wordt iemand wakker met `tuitende remmen', of schuimt er iemand `de kaart af op zoek naar vogelvlucht'. Het zijn die mooie en precieze beelden waardoor we voor zijn poëzie worden ingenomen.

  • Paul Marijnis - Gillette

    Rapport Paul Marijnis:
    Paul Marijnis bewijst in Gillette te beschikken over een uniek beeldend vermogen. Elk gedicht is een pirouette van rake, spanningsvolle metaforen, waardoor de bundel als geheel iets wegheeft van een literair prentenkabinet. De onderwerpen - dieren, bomen, alledaagse voorwerpen als een bril of een stoel - zijn weinig opzienbarend, maar de wijze waarop Marijnis ze als met een etsnaald verbeeldt en verrijkt, is frappant en bewonderenswaardig. Hij maakt de werkelijkheid tegelijk vreemder en vertrouwder wanneer hij, om maar wat te noemen, een buldog omschrijft als `een bom met korte lont' of een koekoek als een `anonieme onomatopoëet'. De virtuoze plasticiteit van deze gedichten zal iedere poëzieliefhebber, ongeacht zijn of haar specifieke voorkeuren en depreciaties, treffen als bijzonder. Dat er aan deze in wezen maniëristische woordetsjes ook iets kunstmatigs kleeft, kan niet worden ontkend. Maar het is een kunstmatigheid, zo blijkt uit het sleutelgedicht `Bij een boeket', die de waarheid in waarachtigheid naar de kroon wenst te steken. Want niet alleen zijn de kunstrozen in dit gedicht zoals de dichter zelf zegt `stijlbloempjes die veel langer staan dan echte', maar zij kunnen bovendien in hun bedrieglijke namaak ook de snaren der ontroering bedrieglijk levensecht aan het trillen brengen. `Net echt' wordt dankzij dit grootmeesterlijk bedrog `echter dan echt', en wie dat niettemin nep vindt mag ook nooit meer zichtbaar volschieten wanneer hij door de filmtranen van een topactrice ten diepste wordt geraakt. Waarmee maar gezegd wil zijn dat Marijnis' plastische capriolen, waarvan de ambachtelijke brille voortdurend op de meest originele wijze in het oog springt, een emotionele gedrevenheid en geraaktheid niet uitsluiten. Want achter hun barokke façade gaan de aloude gevoelens schuil van eenzaamheid, weemoed, vergeefsheid, verdriet om de teloorgang der dingen en wat dies meer zij. Daarom zijn Marijnis' kunstboeketten ook kunst: ze frapperen niet alleen, ze treffen je ook.

Naar de overzichtspagina

Delen