Dr. Wijnaendts Francken-prijs 1975

Winnaar

  • Rob Nieuwenhuys

    Rapport van de jury voor de toekenning van de Dr. Wijnaendts Francken-prijs 1975

    De jury voor de toekenning van de Dr. Wijnaendts Francken-prijs 1975 heeft kennis genomen van een groot aantal werken op biografisch en cultuur-historisch gebied. Zij is na een vrij langdurige discussie tot haar voorstel gekomen. Deze discussie is niet veroorzaakt door twijfel aan de waarde van het uiteindelijk door haar voorgestelde werk, maar door het verheugende feit dat er haars inziens verschillende publikaties zijn verschenen die voor bekroning in aanmerking zouden kunnen komen. De jury heeft ten slotte haar keus laten vallen op Rob Nieuwenhuys' Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot heden (Querido, Amsterdam, 1973).

    De jury waardeert het uitvoerige boek van Nieuwenhuys niet alleen als een belangwekkende en boeiende studie, zij acht het ook van bijzondere betekenis door de aard van het onderwerp en de persoon van de auteur. De Oost-Indische spiegel is het eerste boek waarin de geschiedenis van de literaire neerslag van vele eeuwen Nederlandse aanwezigheid in Indonesië in haar totaliteit aan de orde is gesteld. Weliswaar bestaan er natuurlijk heel wat incidentele studies en geschriften over aspecten van deze problematiek, maar sinds Gerard Brom's ruim veertig jaar geleden verschenen Java in onze Kunst, is er geen op synthese gerichte studie meer gepubliceerd. Toch is het duidelijk, dat het hier gaat om een onderwerp van grote sociaal- en cultuurhistorische betekenis - en dat niet alleen vanuit Nederlands gezichtspunt.

    Bovendien is de schrijver, Rob Nieuwenhuys, bij uitstek de aangewezen man om een dergelijke poging te ondernemen. Het is een gemeenplaats te zeggen, dat Nieuwenhuys een schrijver tussen twee werelden is voor wie ‘Het land van herkomst’ altijd een ‘Vaderland in de verte’ is gebleven. Zijn persoonlijke ervaringen in Indonesië enerzijds, zijn langdurige werkzaamheden aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde anderzijds, alsmede zijn literaire gaven en interessen geven hem een unieke geschiktheid voor dit werk. Een boek als dit zal na het verdwijnen van deze generatie nooit meer in deze vorm geschreven kunnen worden.

    Het resultaat van deze ontmoeting tussen onderwerp en auteur is dan ook naar de mening van de jury bijzonder belangwekkend. De auteur is in zijn ambitieuze streven naar synthese en compleetheid stellig geslaagd. Er is weinig of niets dat ontbreekt en men kan zelfs zeggen, dat door het welhaast encyclopedische karakter van het boek de vormgeving soms wat te weinig resoluut en geserreerd is. Ook is een principiële bedenking mogelijk. Er valt in het boek een zekere aarzeling te constateren, een balanceren tussen cultuur- en literatuurgeschiedenis, die het een wat ambigu karakter geeft. De literatuur-historicus zal zich afvragen of alle besproken auteurs wel tot de literatuur - laat staan de ‘grote literatuur - kunnen worden gerekend. Hij zal literair-kritische criteria en overwegingen missen. De cultuur-historicus van zijn kant zal het bezwaar hebben dat het werk toch te veel rond schrijvers en boeken geconcentreerd en geordend is, om de definitieve stap naar cultuurhistorische concepties en vraagstellingen te maken.

    Maar deze principiële twijfels zullen beide soorten lezers - en anderen - niet beletten om in te zien dat we hier met een zeer belangrijk, wel overwogen, rijk gedocumenteerd en evenwichtig boek te doen hebben, de vrucht van een unieke eruditie en kennis van zaken en van een opmerkelijk inlevings- en uitbeeldingsvermogen. Niet alles is natuurlijk nieuw of onverwacht, maar tal van minder bekende figuren worden belicht en in hun historische context geplaatst en gewaardeerd, terwijl op meer bekenden een persoonlijke en vaak originele visie wordt gegeven. Zo is de Oost-Indische spiegel een zeer belangrijke publikatie geworden, waarin een grote thematiek op persoonlijke en toch kritisch-wetenschappelijke wijze wordt behandeld en een zeer belangrijk cultuurhistorisch terrein in kaart wordt gebracht.

    prof. dr. S. Dresden
    mr. J.R. de Groot
    prof. dr. D.J. Roorda
    dr. H.L. Wesseling.

Naar de overzichtspagina

Delen