Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2003

Winnaar

  • Frank Westerman - Ingenieurs van de ziel

    Advies van de Commissie van voordracht

    Een jong, aankomend ingenieur in de tropische landbouwkunde die zich specialiseert in de waterbouw voor irrigatiestelsels paart aan het begin van de jaren tachtig van de twintigste eeuw als kind van zijn tijd idealisme aan praktische zin en is aangeraakt door het neomarxistische gedachtegoed. Allemaal schouders eronder, weg met de uitwassen van het kapitalisme. Een van zijn Wageningse docenten houdt midden in de woeste stroom van de nieuwe tijd, belichaamd door linksige studenten, de rechts-liberale rug recht. Hij doceert dat irrigatie tot tirannie leidt. ?Dat is een inzicht van Marx,? zegt hij. ?Hoe kolossaler de waterwerken die een staatsmacht ter hand neemt, des te despotischer haar heersers.?

    Die uitspraak van zijn antropologiedocent blijft Frank Westerman bij. Hij leest er meer over en maakt kennis met de verhalen van Andrej Platonov, een Russische irrigatie-ingenieur die in de jaren dertig zijn beroepservaringen in zijn literaire werk verwerkte. Die lectuur vormt een basis voor een persoonlijke fascinatie, die Westerman - inmiddels correspondent in Moskou - aanzet tot een nader onderzoek naar de verhoudingen tussen Sovjet-schrijvers en hun weergave van de werkelijkheid.

    Het resultaat is een boek dat leest als een wetenschappelijke en journalistieke detective. We volgen de journalist-schrijver-ingenieur onder andere op zijn zoektocht naar de verschillende verschijningsvormen van de baai van Kara Bogaz, waar de Sovjet-Unie haar futuristische zoutchemie gestalte zou geven. Op sommige kaarten bestaat Kara Bogaz helemaal niet, op andere is de baai een stippellijn. De industriële ontwikkeling in dat gebied werd beschreven (en gefilmd) door Konstantin Paustovski, maar is de vermaarde schrijver er werkelijk geweest? Westermans zoektocht in ruimte en tijd levert niet alleen een beeld op van de verbijsterende werkelijkheid van de communistische planeconomie en de rol die schrijvers daarin was toegedacht, maar ook van de naweeën ervan in de postcommunistische uiteengevallen Sovjet-Unie. Voor alles gaat het over de mensen, die niet de geschiedenis zijn ingegaan als helden van het vrije woord, maar als halve meelopers, schipperaars, overlevers in een absurde en deprimerende werkelijkheid.

    Ingenieurs van de ziel getuigt van vasthoudendheid en inzicht. De keuze van het onderwerp is origineel. Frank Westerman rafelt een complex gegeven zo uiteen dat er geen versimpeling optreedt maar dat aan de complexiteit recht wordt gedaan en dat de absurditeit voelbaar wordt gemaakt. Zijn stijl is aangenaam informatief en soepel zonder ironisch te zijn, op de juiste momenten verlicht een welgekozen metafoor het pad. Zijn persoonlijke inzet en nieuwsgierigheid zijn de motor die de lezer door het relaas stuwt. De Commissie van voordracht van de Dr. Wijnaendts Francken-prijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde is daarom unaniem van oordeel dat Ingenieurs van de ziel van Frank Westerman de bekroning verdient.

    Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft op grond van het advies van de Commissie van voordracht besloten de Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2003 toe te kennen aan Frank Westerman.


    Dankwoord door Frank Westerman

    Dames en heren,

    Ik kan u verzekeren dat ik ontzettend blij ben met de toekenning van de Dr. Wijnaendts Francken-prijs voor Ingenieurs van de ziel. Extra leuk vind ik het dat mijn boek is bekroond in de categorie ‘essays en literaire kritiek’.

    Ik was mij bij het schrijven van Ingenieurs van de ziel niet bewust dat ik essayistiek of literatuurkritiek aan het beoefenen was. Maar bij nader inzien vind ik deze genreaanduidingen helemaal niet vergezocht.

    Ingenieurs van de ziel gaat over de poging van de Sovjet-Unie om de literatuur ‘op een radicaal nieuwe leest te schoeien’. Met in het brandpunt: de werken van Russische schrijvers die hun talent in dienst hebben gesteld van Stalin.

    Ik heb mij afgevraagd wat voor opwindends er schuil kan gaan achter boeken met titels als ‘Hoe het staal gehard werd’, ‘Voorwaarts, tijd!’ ‘De waterkrachtcentrale’ of ‘Lente op de Leninkolchoze’.

    Daarbij kwam ik er al gauw achter dat ik de echte dramatiek, het ruwe materiaal waaruit toch de meeste romans en verhalen zijn opgebouwd, niet moest zoeken in de bibliotheek van het socialistisch realisme. Die dramatiek (zeg maar gerust tragiek) was er wel, maar zij was door de censuur uit de boeken gefilterd en gewrongen en had zich in verstikkende hoeveelheden opgehoopt in de levens van de Sovjet-schrijvers.

    Gebroken schrijverslevens, tijdens een van de meest bizarre experimenten uit de menselijke geschiedenis - daarover heb ik geschreven. Je kunt Ingenieurs van de ziel inderdaad ook lezen als een betoog - of een analyse - over het optreden van een handvol Sovjet-schrijvers in het spektakelstuk dat Stalin onder de titel ‘socialistisch realisme’ wist te ensceneren. En ja, daarbij heb ik ook essayistiek en literatuurkritiek bedreven.

    Inmiddels werk ik aan een nieuw boek, en tot welk genre of welke categorie dat gaat behoren - daar ben ik nog niet uit. Het is ook niet iets waar ik me druk om maak, maar ik wil u graag schetsen wat de lastigheid zal zijn voor wie het in een bestaand genre wil onderbrengen.

    Ik heb nog geen titel, en weet ook nog niet precies hoe dat nieuwe boek eruit gaat zien. Maar ik heb al wel een hoofdpersoon: een naamloze, onbekende, morsdode man uit het begin van de negentiende eeuw, van wie de meest elementaire gegevens zoals de geboorte- en sterfdatum niet meer te achterhalen zijn.

    Precies tien jaar geleden heeft er een lijkschouwing plaatsgevonden op de stoffelijke resten van mijn hoofdpersoon. Het verslag daarvan heb verwerkt in de volgende passage uit mijn boek-in-wording:

    Is het mogelijk de doodsoorzaak te achterhalen van iemand die in 1830 is gestorven? Een team van negen lijkschouwers waagt in juni 1993 een poging. Op tafel ligt het wonderbaarlijk goed geconserveerde lichaam van een onbekende man.

    De medici - forensisch antropologen, radiologen, toxicologen - gaan omzichtig te werk; ze beginnen met een uitwendige inspectie. Elke vierkante centimeter wordt bevoeld en beklopt en onder een vergrootglas bekeken. In de linkerzij van heup tot oksel zit een langgerekt litteken - als de rits van een duikerspak. Het blijkt een snijwond, ondiep en gehecht met een rijgsteek. Verder is het lichaam vrij van schrammen, kneuzingen of andere kwetsuren.

    ‘Tekenen van uitwendig geweld die duiden op een traumatische dood hebben wij niet waargenomen’, rapporteren de lijkschouwers. Analyse van het gebit leert dat de man 27 jaar is geworden - met een foutenmarge van plus of min drie. Hij was klein van stuk: bij leven moet hij 1 meter 35 (hooguit 1 meter 40) hebben gemeten. Zijn tenen staan wijd uiteen; wat een aanwijzing kan zijn dat hij grote afstanden blootsvoets placht af te leggen.

    De huid blijkt gelooid als kalfsleer. In de poriën worden resten arseen aangetroffen, die het pigment hebben aangetast - met als gevolg: verbleking van de oorspronkelijke huidskleur. Om dat proces tegen te gaan zijn er laagjes schoensmeer op de huid aangebracht.

    In de avond van 28 juni 1993 wordt het lichaam onder het röntgenapparaat geschoven. De foto's, eenmaal uitgestald op de lichtbak, tonen aan dat de wervelkolom is vervangen door twee ijzeren staven. Zoals een betonsculptuur stevigheid ontleent aan zijn wapening, zo wordt deze man van binnenuit gestut door een dubbele metaaldraad van hiel tot kruin.

    Ter hoogte van het sleutelbeen laat de radioscopie een houten dwarsbalk zien, bij wijze van schouderpartij, waaraan de authentieke armbotten (humerus, radius, ulna) zijn opgehangen. Spierweefsel, organen en vetlagen zijn verwijderd; het lichaam is gevuld met stro.

    De lijkschouwers prijzen het werk van de preparateur; want al is de man ontdaan van zijn ruggengraat, de proporties van zijn lichaam vertonen ‘een perfecte harmonie’.

    Mijn protagonist is de zogenoemde ‘Opgezette Neger van Banyoles’. Ook wel aangeduid als ‘El Negro’, of, ‘El Negrito’ - want zo groot was hij nou ook weer niet. Er zijn uitsluitend feiten bekend uit zijn ‘leven-na-de-dood’. Zeker is dat hij, in opgezette vorm, voorzien van speer en raffiatooi, op de volgende plaatsen is tentoongesteld: Parijs, 1831; Barcelona, 1888; Banyoles (een stadje in de Spaanse Pyreneeën) vanaf 1916 tot aan het einde van de eeuw. In de herfst van 2000 is hij overgebracht naar Botswana, alwaar hij - als een soort ‘verloren zoon van Afrika’ - op 5 oktober 2000 een staatsbegrafenis heeft gekregen.

    Door hem nu tot hoofdpersoon van mijn vertelling te kiezen, breng ik mijn toekomstige genreduiders, vrees ik, in een lastig parket. Kun je de biografie schrijven van een dode? Is een vertelling over een geprepareerd lijk dat 170 jaar door Europa heeft gezworven een necrologie?

    Pure geschiedschrijving wordt het in geen geval. Daar is het mij namelijk niet om te doen; in mijn vertelling zal ‘El Negro’ de lezer tot gids zijn. In zijn donkere, met schoensmeer bewerkte huid, wil ik de heersende opvattingen laten weerspiegelen van 1831, van 1888, van 1916 en die van 2000 tot nu - als een reeks ijkpunten in de ontwikkeling van het Europese denken over ras- en cultuurverschillen. En daarmee hoop ik dan iets te kunnen betogen...

    Tegelijk daagt mijn protagonist mij als verteller uit tot zelfreflectie. Het zou dus goed kunnen dat het boek dat ik wil schrijven een autobiografisch karakter krijgt - dat moet nog blijken.

    Maar los van deze overwegingen ben ik van mening dat de genre-indeling bij uitstek iets is om aan derden over te laten. Aan literatuurwetenschappers bijvoorbeeld...

    Geachte leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, geachte Commissie van voordracht, ik dank u voor de erkenning en voor de stimulans die ik van de toekenning van de Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2003 voel uitgaan.

Naar de overzichtspagina

Delen