F. Bordewijk-Prijs 2004

Winnaar

  • Arnon Grunberg

    Arnon Grunberg ontvangt de F. Bordewijk-prijs voor verhalend proza, voor zijn vierde roman De asielzoeker

    Juryrapport
    De jury is zeer onder de indruk van het meesterschap dat Arnon Grunberg met De asielzoeker betoont. Alle verhaallijnen zijn met vaste hand naar het desolate slotbeeld van de roman gevoerd. Hoofdpersoon Christian Beck zit in het witte nachthemd van zijn gestorven vrouw op een parkbankje in de regen. Hij speelt met haar slippers die aan zijn voeten bungelen. Hij wacht op de komst van verplegers: ‘Duitsland is een georganiseerd land.’ Hij zal worden opgenomen in een inrichting. ‘Maar niemand zal tot hem doordringen.’ Hij wacht door en door nat en kijkt naar de bomen. Dan volgen de slotwoorden van de roman: ‘eindelijk ziet hij alles wat hij heeft verloren.’
    Geen detail, hoe laat het ook in de roman opduikt, dat niet is voorbereid. Geen detail, hoe vroeg ook in de roman geplaatst, dat niet een spanningsboog creëert met een latere echo.
    Tot het beklemmende resultaat van dit meesterschap hoort de onrust in de lezer, dat zelfs niet slotbeeld niet het slot kan zijn. Is immers niet Christian Beck al op de eerste bladzijde van De asielzoeker iemand die zo goed als zonder illusies leeft? Zelfs de dood die altijd onverwacht komt, heeft hij schaakmat gezet door hem ‘overal en altijd te verwachten’. En toch overvalt de dood hem al de eerste regel. En als Beck accomodeert in een nieuwe toestand van illusieloosheid, overvalt hem elke volgende gebeurtenis en betekent elke nieuwe situatie opnieuw een desillusie. Zou voorbij de laatste regel niet kunnen blijken dat die verplegers toch niet komen?
    De vaste hand is goed merkbaar aan het perfecte ritme in alle vertelmiddelen. De afwisseling van de actuele verhaallijn van de gebeurtenissen in de laatste levensdagen van Becks vrouw, en de vertellingen uit een eerdere fase van hun leven is goed getimed. De lijnen zijn op tijd vervlochten om ze uit te spinnen in overtuigende en ontluisterende epiloog van crematie tot parkbankscène. Gebeurtenissen, reflecties van en omtrent de hoofdpersoon, dialogen zijn al even treffend afgewisseld.

    De asielzoeker is niet alleen een meesterlijk vertelde en gecomponeerde roman. Het is een met middelen van het blijspel vertelde tragedie. Grunberg creëert de ene hilarisch tragische scène na de andere. Zijn tragedie is goed te lezen als de ondergang van één man. Diens totale liefdevolle overgave blijkt onvoldoende om zijn geliefde te bereiken; evenals zij niet in staat is hem te bereiken met haar onvoorwaardelijke liefde.
    Grunberg heeft deze overtuigende tragedie van dit individuele liefdespaar zo opgeschreven dat wie wil het verhaal op vele andere niveaus kan lezen. Een daarvan willen we noemen. De asielzoeker is niet per se de actuele Algerijnse asielzoeker die in het verhaal een rol speelt. Hij is ook de eeuwig van huis en haard verdreven Jood die eindelijk wil aankomen. Hij en zijn geliefde zijn ook de overlevenden van de concentratiekampen in wie het kampleven zo is ingeprent, dat zij elkaars kampbewaarders zijn geworden. Zij zijn de overlevenden voor wie het overleven schuld is. Zij zijn de overlevenden voor wie de realisering van de liefde onmogelijk is geworden. In hun lotsverbonden onvermogen doen zij boete voor het overleven. Grunbergs roman roept de beklemmende vraag op tot in welk geslacht deze schuld het leven van de individuele mensen nog bepaalt. Grunbergs roman roept de beklemmende vraag op tot in welke geslacht mensen met hun boete voor deze schuld wonden blijven slaan. Hij roept de vraag op hoe ons samenleven nog getekend steeds is door de hypotheek van de vernietigingskampen waarin het eeuwenoude christelijke antisemitisme is geculmineerd. Het wonder van De asielzoeker is dat al deze loodzware vragen soms tot een ongehoord licht lezersgevoel kunnen leiden. Dat komt niet alleen doordat iemand ze überhaupt stelt. Het komt ook doordat hij ze op deze literair overtuigende manier stelt. Het komt omdat Grunberg het heeft aangedurfd deze existentiële tragedie met de middelen van groteske humor te vertellen. Daarom kan de beklemming zich af en toe ontladen in een bevrijdende lach. Als we zijn uitgelachen realiseren we ons dat we lachten omdat we beklemd zijn. Toch blijft een zekere lichtheid. Die blijft omdat Arnon Grunberg dit alles, deze roman en zijn vragen, zo meesterlijk heeft geschreven.

    Dankwoord
    Geachte aanwezigen,
    Tot mijn verbazing, en misschien ook tot de uwe, ben ik hier verschenen om de Bordewijk-prijs op te halen. Ik hoop niet, als ik zo in vier minuten ben uitgesproken, dat u uw buurman zachtjes aanstoot en fluistert: ‘Laat hem de volgende keer toch maar gewoon weer wegblijven als hij een prijs krijgt.’ Waarop uw buurman terugfluistert: ‘Denk je dat er nog een volgende keer komt? Na dit.’
    Ik haast mij te zeggen dat het uitlokken van een dergelijke reactie niet mijn bedoeling is. Ik ben hier niet gekomen om u, of wie dan ook, te beledigen. Hoewel ik geloof dat het bijten van de hand die je voedt nuttig en soms zelfs noodzakelijk kan zijn, is het praktisch gezien onmogelijk en ethisch gezien onwenselijk die hand te bijten terwijl je hem nog aan het schudden bent. Tussen het voederen en het bijten hoort minimaal vierenentwintig uur te zitten.

    Ik zal dus niet doen zoals Jeroen Brouwers deed toen hij in 2001 De Gouden Uil in ontvangst nam en zijn dankwoord gebruikte om een litanie af te steken tegen commerciële prijzen en commerciële circussen. Zover het oog reikt zie ik vanavond niets dat op een commercieel circus wijst, en gezien het geldbedrag dat aan de Bordewijk-prijs is verbonden kan men deze prijs met de beste wil van de wereld niet commericeel noemen. Deze bijeenkomst vanavond, de aanwezigheid van de wethouder van Cultuur wijst ook in die richting, is een ouderwets eervolle bedoening.

    Ook zal ik u niet, om meteen maar te verklappen wat ik niet zal doen in dit dankwoord, lastigvallen met obligate verwijzingen naar Bordewijk. Ik ga er vanuit dat wanneer deze prijs de Maarten ’t Hart-prijs had geheten of de Maarten Biesheuvel-prijs, u hem ook aan had mij had toegekend. Als ik iets over Bordewijk te zeggen heb zal ik dat te zijner tijd wel doen in een avondblad.

    Het is niet per definitie zo, om terug te keren naar prijzen en de uitreikingen die daaraan vastzitten, dat een feestelijke prijsuitreiking bijdraagt aan de goede stemming van de schrijver en van hen die de prijs uitreiken.
    Een van de eerste prijzen die ik ontving was de Anton Wachter-prijs. De feestelijke uitreiking vond plaats in Harlingen. Na mij een beeldje te hebben overhandigd, fluisterde de Weduwe Vestijk in mijn oor dat het haar speet deze prijs aan mij te moeten overhandigen, maar dat ze zo sportief was zich neer te leggen bij het besluit van de jury. Ze zei het nog net niet, maar haar gezichtsuitdrukking liet er geen misverstand over bestaan dat juryleden wat haar betreft domoren waren zonder gevoel voor literatuur. En dat haar sportiviteit in deze het heldendom benaderde. De jury zelf was zo verstandig geweest niet op te komen dagen, op één professor uit Leiden na die tijdens het diner - de vegetariërs kregen een gerecht geserveerd dat Vervangend Vlees heette - verzuchtte dat de debuten ieder jaar magerder werden, niet alleen qua dikte, maar vooral ook qua inhoud, qua alles eigenlijk.
    Ik begreep toen dat, wil een schrijver na een prijs te hebben ontvangen nog enigszins met opgeheven hoofd door het leven gaan, hij die prijs vooral niet zelf in ontvangst moet komen nemen. Wil de schrijver nog een paar illusies over literaire prijzen behouden moet hij wegblijven bij de uitreiking van die prijzen, zich verstoppen op een continent duizend kilometers van die uitreiking vandaan. Onderduiken, misschien wel voor altijd.
    Maar je kunt niet altijd aan dit soort literair escapisme blijven doen. We zijn nu tien jaar en een paar prijzen verder en ik ben hier vanavond verschenen in de verwachting dat aan mijn laatste illusies over literaire prijzen een eind zal worden gemaakt. Ik hoop dat u mij straks bij de receptie daarbij behulpzaam zult zijn.

    Ik betreur het dat de Weduwe Vestijk vanavond niet aanwezig is, maar ik verwacht dat er genoeg dames en heren aanwezig zijn die haar rol met verve op zich kunnen nemen, misschien zelfs met geraffineerder venijn. Maar het zou flauw zijn mijn lichte onbehagen over literaire prijzen, literaire avonden, literaire boottochten en literaire circussen te beperken tot een, toch eigenlijk bijzonder vriendelijke weduwe. Alsof het allemaal de schuld is van de Weduwe Vestijk. Integendeel.

    In een korte beschouwing getiteld De giraf schrijft Frans Kellendonk: ‘Wie schoonheid wil scheppen schept kitsch. De beoordelaar die mooi zegt - “héél mooi” of “mooi”, met zuinige nadruk - laat blijken dat het kunstwerk hem van harte koud laat.’ Stiekem vindt de schrijver het niet vervelend af en toe te horen dat zijn boek mooi is, maar hij kan niet anders dan de woorden van Kellendonk onderschrijven. Hij zal, nadat hij te horen heeft gekregen een prijs te hebben ontvangen, denken: Aha, mijn kunstwerk heeft weer een aantal mensen van harte koud gelaten. Oh, ik ontken niet dat een prijs zeer aangenaam en eervol is, niet in de laatste paats voor de moeder van de laureaat, maar wie het alleen aangenaam en eervol vindt moet over een benijdenswaardige naïeviteit beschikken, of over een diepe hang naar ongecompliceerdheid die zich niet meer laat onderscheiden van oppervlakkigheid.

    De roman is een reservaat, dat is altijd zo geweest, een soort Indianenreservaat. Soms komen toeristen kijken hoe het met die grappige Indianen ervoor staat. Ik beklaag me niet, het kan erger. Maar tegelijkertijd wil de romanschrijver, de Indiaan uit dat reservaat, meedoen aan de werkelijkheid, die zich dus niet of maar zeer ten dele in dat reservaat bevindt, ingrijpen in die werkelijkheid, misschien niet altijd op even aangename wijze. Aangenaam ingrijpen heeft de werkelijkheid lang niet altijd verdiend. In De asielzoeker komt een schrijver voor die een kort verhaal heeft geschreven over een aanslag op het Amsterdamse bordeel Yab Yum. Jaren later, hij is dan geen schrijver meer, wordt dat bordeel opgeblazen. Twee televisiepresentatoren beschuldigen de schrijver in hun goed bekeken en maatschappelijk relevante televisiehow iets gemaakt te hebben dat nu plotseling, hoe heet dat in die wereld, maatschappelijk relevant is. Hij heeft ingegrepen in de werkelijkheid. En plotseling bestaat hij. Hoe pijnlijk die beschulding voor hem ook zal zijn, ik kan me voorstellen dat hij een gevoel van triomf nauwelijks kon onderdrukken. Aan deze ex-schrijver moest ik denken toen ik verleden week in Het Parool las dat terroristen aanslagen plannen op de Amsterdamse Wallen.

    Geachte aanwezigen, ik wil geen mooie boeken schrijven, de gedachte alleen bezorgt mij rillingen. Maar mocht u onverhoopt vinden dat ik een mooi boek heb geschreven hoeft u dat niet onder stoelen of banken te steken. Ook uw oorvijgen vermomd als complimenten zijn van harte welkom. In welke hoedanigheid ik hier ook sta, ik sta hier ook als masochist.
    In mijn idee waart de romanschrijver vanuit zijn Indianenreservaat als een virus over de wereld. U hebt mij deze prijs toegekend, omdat u dacht: als we dat virus er niet onder kunnen krijgen, dan moeten we het maar in goede banen leiden.
    Het staat u uiteraard vrij dit idee als romantisch en dwaas af te doen.
    Niettemin wil ik u dankzeggen voor de Bordewijk-prijs.
    Deze prijs was een van de verrukkelijkste en zachtmoedigste oorvijgen die ik in lange tijd heb mogen ontvangen. Ik blijf erop vertrouwen dat u zo dadelijk tijdens de receptie de Weduwe Vestdijk naar de kroon zult steken.
    Ik dank u allen zeer voor uw aandacht en uw medewerking.

    Jury:
    Harry Bekkering
    Yra van Dijk
    Hans Groenewegen
    Koen Hilberdink
    Aukje Holtrop
    Ena Jansen
    Jos Joosten
    Anton Korteweg
    Lut Missinne

Naar de overzichtspagina

Delen