Griffels 2017

Ga direct naar

Details:

De Griffeljury heeft op woensdag 21 juni 2017 tijdens de MidzomerKinderboekenBorrel in Amsterdam zeven kinderboeken bekroond met een Zilveren Griffel, de vakprijs voor de beste kinderboeken van het afgelopen jaar.

Op het Kinderboekenbal, dinsdagavond 3 oktober, is bekendgemaakt welke van de Zilveren Griffels bekroond is met de Gouden Griffel.

De Griffeljury 2017 bestond uit:
Margreet Ruardi, voorzitter
Martijn Blijleven
Adry Prade
Nathalie Scheffer
Nina Schouten



Uitreikingsrapport:


Juryrapport Griffels 2017:

De kinderboekenuitgevers in Nederland en Vlaanderen dienden in totaal 157 boeken in voor jurering door de Griffeljury 2017. In het jaar 2016 waren dat er 25 meer. Het aantal ingediende titels voor 2017 was daarmee ongeveer gelijk aan dat van 2015. De meeste titels werden ingediend in de categorie tot zes jaar, namelijk 55, de minste in de categorie poëzie. Aanvankelijk waren dat er maar twee, maar de categorie tot zes jaar bleek twee onmiskenbare poëziebundels te bevatten, zodat bij nadere beschouwing de verhoudingen anders kwamen te liggen dan volgens de indiening door de uitgevers. Ook met titels uit de andere categorieën heeft de jury in evidente gevallen geschoven. Enkele boeken kwamen reglementair niet in aanmerking voor jurering, onder andere omdat ze onder een andere titel al vóór 2016 waren verschenen.

In de categorie vanaf negen jaar waren er zoveel goede boeken dat de jury daar met pijn in het hart een aantal titels terzijde moest schuiven. In deze categorie heeft de jury twee titels voor een Zilveren Griffel voorgedragen en drie voor een Vlag en Wimpel. Bij tot zes jaar en informatief droeg de jury in beide gevallen twee titels voor een Zilveren Griffel voor en twee voor een Vlag en Wimpel. Uit het zeer kleine aanbod poëzie werd geen enkele titel voorgedragen voor een Zilveren Griffel, wel een voor een Vlag en Wimpel. In de categorie vanaf zes jaar droeg de jury één titel voor een Zilveren Griffel voor en geen enkele voor een Vlag en Wimpel. Voor meer bekroningen in deze categorie kon, ook na herlezing en uitvoerige bespreking, geen meerderheid in de jury worden gevonden.

Overigens nam de jury met waardering kennis van het nieuwe initiatief Tijgerlezen voor deze leeftijdsgroep van beginnende lezers. Deze boeken zijn niet ingedeeld volgens niveaus van technisch lezen en kunnen ook goed worden voorgelezen. Het is – los van de vraag of het initiatief bekroonbare titels op gaat leveren - een verrijking van het aanbod voor deze leeftijdscategorie die zo sterk rekening moet houden met de leesvaardigheid van de kinderen.

Al in een vorig jaar constateerde de Griffeljury de tendens dat er relatief veel kinderboeken worden uitgegeven waarvoor de beeldende kunst inspiratie is, bijvoorbeeld bij tentoonstellingen, en die in samenwerking met musea zijn gerealiseerd. Die trend heeft zich voortgezet en uitgebreid naar ook andere instellingen dan musea voor beeldende kunst. Twee van dergelijke boeken zijn dit jaar bekroond met een Zilveren Griffel. Een ander opmerkelijk gegeven is dat er dit jaar drie boeken bekroond zijn die op een prachtige manier het vertellen van een verhaal gethematiseerd hebben.

De Griffeljury



Gouden Griffel

  • Koos Meinderts - Naar het noorden

    Naar het noorden speelt zich af in de hongerwinter. Hoofdpersoon Jaap, tien jaar aan het begin van het verhaal, zijn zusje Nel (vijftien) en broertje Kleine Kees zijn zo ondervoed dat ze - zoals veel kinderen uit steden in West-Nederland - geëvacueerd worden en ondergebracht bij gezinnen in Friesland, waar wel voedsel is.

    Hoezeer dat nodig was, wordt snel duidelijk. De kinderen worden erop uitgestuurd om tafellinnen te ruilen voor aardappels. Het is bitter koud. Meubels worden tot brandhout gehakt, ‘soms leek het of het niet alleen buiten maar ook binnen oorlog was’. Meinderts maakt de steeds heviger honger en kou voelbaar in schrijnende scènes, pijnlijke details en krachtige zinnen. Er is nog meer leed. Er wordt een zusje geboren, maar ze leeft slechts twee minuten. Ze wordt in een schoenendoos begraven. Ze blijft naamloos, maar Jaap noemt haar voor zichzelf Wiesje, dat klinkt als een zuchtje wind. Wiesje en wat bij haar hoort – haar wiegje, het houten engeltje – vormt een prachtig leidmotief in het boek.

    Jaap is een gevoelige jongen, vindt de moeder, daarom wil ze dat híj blijft. Maar Jaap wil zelf mee met de anderen. Ze gaan met een binnenschip, de luiken dicht voor de veiligheid. De stank wordt met het uur erger. Als ze na dagen van boord mogen, scheiden hun wegen. Jaap wordt, verzwakt en onder de luizen, ondergebracht bij het echtpaar Schut. Hij wordt ziek. Op school vecht hij zijn eigen oorlog met de buurjongen, die hem een uitslover vindt. Na een vechtpartij loopt Jaap in paniek weg. Hij weet Nel op te sporen. De brief die zij van de moeder heeft ontvangen zorgt voor een kentering. Het is alsof hij zijn moeder hóórt, hij zou háár willen zeggen dat ze zich geen zorgen hoeft te maken. Hij gaat terug naar de familie Schut. Alles wordt draaglijker. Subtiel trekt Meinderts de grauwsluier weg die tot dan over alles hing. Jaap gaat zich zelfs gelukkig voelen. En dan, op een zondag, marcheren de soldaten van de bevrijders het dorp binnen, een gebeurtenis die Meinderts weergaloos beschrijft.

    Jaap is de ik-verteller van het verhaal. De gebeurtenissen vernemen we via hem in meesterlijke combinaties van observatie, commentaar, herinnering en gevoel. Ze tonen Jaap als een schrandere jongen die scherp registreert hoe de oorlog de verhoudingen tussen de mensen verandert, ook binnen het gezin. Gevoelig is Jaap ook, maar hij wil niet, hoeveel hij ook van zijn moeder houdt, een moederskindje zijn. Hij wil voor de familie zorgen, hij beurt Kleine Kees op en steelt hout uit een lege boerderij. Prachtig is hoe twee gevoelens met elkaar strijden op zijn elfde verjaardag: intens verlangt hij dat ze die niet vergeten zijn, maar bij voorbaat heeft hij er begrip voor als dat wel zo is.

    In het noorden moet Jaap zich voortdurend aanpassen, aan de strenge gastfamilie, de school, het Fries, het andere geloof. Meinderts vertelt dit met mooie nuances. Zo zijn mevrouw en meneer Schut streng, maar Jaap beseft dat ze goed voor hem zorgen en gaat hen steeds meer waarderen. Omgekeerd laat Meinderts in ontroerende passages de groeiende genegenheid van het gereformeerde echtpaar voor de katholieke jongen zien.

    Als ook het westen bevrijd is, kunnen de kinderen terug naar huis. Daar hebben ze moeite om hun draai te vinden en weer aan elkaar te wennen. Jaap realiseert zich dat hij alleen maar vooruit kan, maar ook wat de oorlog heeft aangericht. Was er maar nooit een naar het noorden geweest. Het is een gedurfd slot van een prachtig boek waarin Koos Meindert in sobere taal een indringend beeld van de ontwikkeling van een jongen in oorlogstijd geeft.

    Details:
    Categorie vanaf zes jaar.


Zilveren Griffel

  • Bibi Dumon Tak - Siens hemel

    Rapport Bibi Dumon Tak:
    Als hond Sien sterft, zijn haar baasjes erbij. Het regent en het onweert, voor de lezer bijna hoorbaar in twee rollende rijmregels, maar zíj horen alleen hoe Sien haar laatste adem uitblaast. Dit is een indrukwekkend moment, zoveel is duidelijk. Ook uit de illustratie blijkt de concentratie op Sien. De bijna volledig zwarte bladzijde is, zien we bij verder bladeren, de vacht van Sien. Op de volgende bladzijden wordt verder uitgezoomd en zijn meer van haar contouren zichtbaar: de baasjes laten Sien los. Als ze het raam openen, schuiven de wolken even uit elkaar. Alsof ze Sien erdoor lieten, rechtstreeks de hemel in.

    Siens baasjes zijn een jongen en meisje – we zien hen op de illustratie - en hun Klein Broertje. De oudste kinderen – en klinkt buiten beeld ook de ouderlijke stem mee? - vertellen het verhaal in de wij-vorm. Ze hebben allen verdriet, al komt dat woord niet in het verhaal voor. Evenmin vloeien er tranen. Het beeld van het open raam en de regen die Siens baasjes in hun gezicht opvangen zegt echter genoeg, net als de zwarte bladzijden waarmee het boek begint.

    Maar er moet ook gehandeld worden. De oudste kinderen weten wat er moet gebeuren als een huisdier is overleden. In de regen graven zij een gat in de tuin. Klein Broertje denkt aan Sien. Hij bedekt haar met zijn jas en haalt een bal, voor als ze in de hemel spelen wil. Dan komen zijn vragen, eerst over Siens spullen. Wat te doen met de riem, de mand en de etensbak? Daarna over de hemel: krijgt Sien daar brokjes, kan ze er zwemmen, of op katten jagen?

    De wij-vorm is hier zeer effectief. Het naïeve Klein Broertje tegenover de rationaliteit van de oudere kinderen levert een bijna poëtische opsomming van vragen op, met telkens hetzelfde antwoord: we weten het niet. Ook de psychologie daarvan is overtuigend. Aanvankelijk luisteren de oudere kinderen geduldig, maar ze krijgen genoeg van alle vragen en maken zich er een beetje vanaf. En als Klein Broertje Sien denkt te horen blaffen, doen ze net of ze luisteren, om aardig voor hem te zijn. Zijn onbevangen vragen laten hen echter niet onberoerd.

    Met de vragen zijn er de herinneringen aan een ravottende Sien, door Annemarie van Haeringen meesterlijk getekend in de ruimte die rond Siens silhouet bladzij voor bladzij verder vrijkomt en kleur krijgt. Het houdt op met regenen, de lucht klaart op, ook figuurlijk. De zwarte wolk op het eerste schutblad is op het laatste in een witte wolk veranderd. Bibi Dumon Tak vertelt het verhaal in prachtige beeldende taal en zinnen met grote zeggingskracht. ‘Sien was daar en Sien was hier. Ze was op twee plaatsen tegelijk met ons ertussenin.’

    Op weergaloze wijze heeft zij in Siens hemel de tijd gevangen tussen het moment dat Sien sterft en de plek die zij krijgt in de voorstelling van haar baasjes. Siens hemel is een universeel verhaal over het raadsel van de dood en de troost van de herinnering.

    Details:
    Categorie tot zes jaar


  • Martine Letterie - Kinderen met een ster

    Rapport Martine Letterie:
    Kinderen met een ster bevat 29 korte verhalen over zes kinderen die in de Tweede Wereldoorlog in doorgangskamp Westerbork zaten. Het zijn elkaar afwisselende scènes uit het dagelijks leven van de kinderen in een losse chronologische volgorde. Ze zijn rond de vier als de oorlog begint. Via Bennie maken we de Duitse inval mee, via Klaartje het bevrijde Nederland. Pas in het derde verhaal valt het woord ‘joods’, als Klaartjes moeder uitlegt dat en waarom de familie eerder uit nazi-Duitsland naar Nederland vluchtte.

    Zo maakt Letterie duidelijk dat de kinderen uit het boek doodgewone kinderen zijn. Maar ze zijn joodse kinderen in de Tweede Wereldoorlog. Via Bennie, Rosa, Klaartje, Jules en Leo wordt verteld hoe de Duitse bezetter vanaf het begin van de oorlog steeds rigider anti-joodse maatregelen invoert. Verboden, verplichtingen en afzondering grijpen diep in het leven van de kinderen in. Ze mogen niet in de speeltuin, het zwembad, de dierentuin en de tram. Ze moeten naar speciaal geformeerde joodse klasjes. In de korte, meestal afgeronde, verhalen over al die ingrepen vertelt Letterie heel direct - ze gebruikt de tegenwoordige tijd – en onopgesmukt wat er gebeurt en vooral hoe de kinderen dit begrijpen en beleven.

    Vanaf het tweede oorlogsjaar zijn joden van zes jaar en ouder verplicht een davidster op hun kleren te dragen, om direct als joods herkenbaar te zijn. Joden worden opgepakt en weggevoerd. Klassen worden steeds leger. Ook Bennie, Rosa, Klaartje, Jules en Leo worden opgepakt en, al of niet met familie, weggevoerd naar Westerbork. Daar komen we ook het zesde kind, Ruth, tegen die hier al woonde omdat het kamp voor de oorlog een opvangkamp voor uit Duitsland gevluchte joden was. In Westerbork is ieders situatie anders. Zo moet Jules bij aankomst naar het weeshuis in het kamp. Rosa’s familie woont in barakken, haar vader gescheiden van de rest. Ontroerend is, hoe de kinderen ondanks alles spelen. Ruth vindt een scherf van een spiegel en vangt er een zonnestraal mee op waarmee ze een zonnevlekje op de grond kan toveren. Het kan gehoorzamen als een hondje. Was er vóór Westerbork de voortdurende dreiging te worden opgepakt, in Westerbork is er de dreiging dat je naam op de transportlijst staat. Indringend beschrijft Letterie de angst die de kinderen bij hun ouders registreren. Ze tipt de rol van Westerbork aan. Zo denkt Rosa dat de wagons die ze op het terrein zag staan voor dieren zijn. Haar moeder moet huilen als ze dat hoort. De ergste verschrikkingen houdt Letterie, in dit boek voor een jonge doelgroep, verregaand buiten beeld. In het deel over de bevrijding horen we in een herinnering van Bennie over het kamp dat erger was dan Westerbork en waar zijn moeder is doodgegaan.

    Martine Letterie baseerde haar boek op interviews die medewerkers van Herinneringskamp Westerbork hadden met mensen die als kind de oorlog meemaakten. Ook verwerkte ze herinneringen aan Leo Meijer over wie ze al eerder Mijn naam is Leo schreef. Leo kwam om in Auschwitz. De andere kinderen uit Kinderen met een ster behoren tot de weinigen uit Westerbork die de oorlog overleefden, schrijft Letterie in het nawoord.

    De constructie van het boek dwingt bewondering af. Het is buitengewoon knap hoe Letterie via de concrete belevenissen en de beleving van de kinderen over de geschiedenis vertelt van de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Kinderen met een ster is voor de beoogde jonge leeftijdsgroep vooral een voorleesboek, waarover nagepraat kan worden als er vragen zijn. Het is geschreven met veel gevoel voor zowel de jonge doelgroep als de historische gebeurtenissen en dat is een prestatie van formaat.

    Details:
    Categorie vanaf zes jaar.


  • Daan Remmerts de Vries - T.rex Trix in Naturalis

    Rapport Daan Remmerts de Vries:
    Hoe komen we aan onze kennis over dinosaurussen? Dat is de kernvraag van T.rex Trix in Naturalis, waarin nauwgezet de opgraving wordt gevolgd van het tyrannosaurusskelet dat in mei 2013 gevonden werd in Montana en dat drie maanden later als T.rex Trix aankwam in Naturalis. Naturalis verrichtte samen met een gerenommeerd Amerikaans instituut de opgraving. Daan Remmerts de Vries vertelt in de lopende tekst over de expeditie: uit wie Team T.Rex bestond, hoe de tijdelijke nederzetting eruit zag en met welke soorten gereedschap er gewerkt werd. Hoe ging men te werk: minutieus wordt alles wat er te zien is vastgelegd, o.a. met laserscans om de precieze ligging te documenteren. Voorzichtig wordt er van buiten naar binnen gegraven. Het zand wordt gezeefd. Ieder bot wordt direct bewerkt met een krachtige lijm om uiteenvallen te voorkomen. Tijdens de opgraving worden al enkele botaandoeningen geconstateerd, waaronder bijtsporen. Jaarringen in de botten laten zien dat de T.rex oud is geworden, ruim dertig jaar. Dit deel van het boek wordt ruimschoots geïllustreerd met foto’s, zoals een luchtfoto van het terrein met de ligging van de fossiele resten. Heel interessant zijn de in toepasselijke kaders opgenomen aantekeningen van paleontoloog Anne Schulp die per dag verslag doet van de vondsten. Hij noteert, op grond van de dikke knobbel boven de oogkas, de ontdekking dat het om een dames-dino gaat.

    Vóór al deze informatie over de opgraving schrijft Remmerts de Vries een heel ander verhaal, dat zich 67 miljoen jaar geleden afspeelt, in het warme vochtige woud van het Laat-Krijt waar hij Trix uit haar ei laat kruipen. De strijd om het bestaan is hard is en Trix loopt op jacht naar vlees heel wat verwondingen op. De auteur volgt haar tot haar dood, 34 jaar later. ‘Alles wat hier wordt verteld is een mogelijkheid’, zo begint dat verhaal. Wat hij over Trix vertelt, is een verhalende reconstructie waarin hij de vondsten en ontdekkingen van de opgraving heeft verwerkt. Hij benadrukt dat alles wat we tegenwoordig aannemen over de wereld van de dinosaurussen afkomstig is uit onderzoek, van fossielen van botten, door pootafdrukken, vraatsporen en uitwerpselen. Verder kan het leven van Trix alleen maar worden ingevuld met theorieën, en met vergelijkingen van wat we weten van andere dieren uit die tijd, en op dino’s gelijkende dieren die nu leven. Dat nu deed de auteur in deze biografie van Trix.

    Zo heeft het boek een spiegelconstructie, die goed laat zien hoe onderzoek de basis van alle dinokennis is. In T.rex Trix in Naturalis staat behalve de tekst over Trix’ leven en de opgraving nog veel meer. Er wordt uitvoerig ingegaan op de reconstructie van het skelet en het vervoer als bouwpakket naar Nederland. In aparte kaders wordt informatie gegeven over thema’s als het groeiproces en de kracht van de kaken. Tal van illustraties verhelderen de tekst, bijvoorbeeld die – met informatie - van dieren die in dezelfde tijd leefde als Trix. Veel aandacht is er voor het beroep van paleontoloog, de wetenschapper die er door onderzoek achter probeert te komen hoe de wereld er in voorbije tijden heeft uitgezien en hoe het tegenwoordige leven hieruit is ontstaan. Het boek toont hun deskundigheid, vakmanschap, precisie en bevlogenheid. Er staat een testje in het boek: is de lezer zelf geschikt om paleontoloog te worden?

    T.rex Trix in Naturalis is een rijk gevuld boek, waar de lezer dankzij de adequate vormgeving soepel doorheen geleid wordt. Het is door zijn interessante invalshoek en opbouw een dinoboek uit de hoogste categorie. Het munt uit in helderheid: van taal en van informatie-ordening. Het is een ode aan de nieuwsgierigheid.

    Details:
    Categorie Informatief.


  • Maranke Rinck - Tangramkat

    Rapport Maranke Rinck:
    Een jongen krijgt, als hij zich verveelt, een tangrampuzzel. Hij gelooft niet dat je van de slechts zeven stukjes waaruit dit spel bestaat álles maken kunt. Het eerste probeersel is geslaagd: we zien het op de illustratie, eerst alleen als blauwe vorm. Een kat, raadt de lezer. Inderdaad, als we omslaan bevat diezelfde vorm ogen, snorharen en een staart. Onmiskenbaar een kat. Dan maakt de jongen een huis voor de kat, maar de kat loopt weg en moet gelokt worden. Waarmee? Zo ontstaat er een verhaal en dat zien we niet alleen, we lezen het ook in de overwegingen van de jongen. Hij fantaseert verder: een kat heeft een kattenvriendje nodig. Maar dat pakt anders uit dan bedoeld. Het vriendje blijkt een hond te zijn geworden. Kat en hond, ziedaar de ingrediënten voor een verhaal vol dynamiek waar de jongen zichzelf ook in fantaseert.

    Alles in het verhaal wordt geïntroduceerd zoals dat met kat gebeurde: eerst de blauwe tangramvorm en aan de andere kant van de pagina de ingetekende versie. Dat nodigt uit tot raden, en Maranke Rinck, die de gedachten van de jongen en zijn pogingen tot communicatie met de kat prachtig stem geeft in de tekst, geeft daar uiteenlopende voorzetten toe.

    Uiteraard zijn de illustraties van Martijn van der Linden in dit boek van cruciaal belang, maar het kan niet anders of de verhaallijn in Tangramkat is in zeer nauwe samenwerking tussen illustrator en schrijver ontstaan. Rinck geeft glasheldere uitleg waar dat nodig is en het kattenverhaal vertelt ze heel levendig. Zoekende gedachten, vragen, aansporingen en uitroepen van verbazing, alles op de juiste plaats, maken van Tangramkat een heerlijk interactief voorleesboek.

    Van de zeven tangramstukken kun je dus écht alles maken, daar komt de jongen met hulp van Martijn van der Linden achter. De lezer kan zijn voorbeeld volgen, want achterin het boek is een tangramspel opgenomen: een blauw vierkant, zodanig versneden dat er geheel volgens de regels van het eeuwenoude Chinese spel vijf driehoeken en twee vierhoeken zijn ontstaan. Dat is een aantrekkelijk extraatje in dit boek.

    Echt bijzonder is dat Tangramkat speelt met het vertellen van een verhaal in een verhaal. Speels en aanstekelijk geeft het inzicht in het beeldend en verhalend scheppingsproces. Tangramkat is een superieure demonstratie verhalen vertellen. Maranke Rinck vond de perfecte woorden en toon om van Tangramkat een miraculeus prentenboek te maken.

    Details:
    Categorie tot zes jaar.


  • Bette Westera - Baby'tje in mama's buik

    Rapport Bette Westera:
    Informatie of voorlichting verpakt in een verhaal pakt lang niet altijd gelukkig uit. Maar wel in Bette Westera’s Baby’tje in mama’s buik. In een voortreffelijk lopend verhaal, in ik-vorm verteld vanuit het vierjarige meisje Jip, vertelt Bette Westera alles over zwangerschap en geboorte. Jip hoort op een zondag bij het ontbijt dat er al drie maanden een baby’tje in haar moeders buik zit. Waarom zegt haar moeder dit nu pas? De moeder vertelt dat het baby’tje eerst zo klein was dat ze zelf niet in de gaten had dat het er zat. Zo klein als het kleinste hagelslagje dat de vader op het bord heeft uitgeschud – geen wonder dat mama niets in de gaten had.

    Het is de in heerlijke dialogen geschreven openingsscène van dit boek dat verder alle fasen van de zwangerschap volgt, vooral via de bezoeken van de moeder aan de verloskundige. Vragen van Jip komen in haar op in de wachtkamer, de supermarkt, of bij opa en oma als ze daar logeert als haar ouders de babykamer inrichten. De mededeling van de komst van een baby leidde al tot een reeks vragen, maar ieder antwoord daarop leidt tot nadenken – overtuigend verwoord door Bette Westera – en tot nieuwe vragen. Het ik-perspectief van Jip werkt zeer goed. Haar moeder zegt dat de armpjes en beentjes van de baby al te zien zijn. Zou je dan door haar navel naar binnen kunnen gluren? Van de echofoto wordt Jip niet wijzer, maar van de vergelijking met een Playmobilpoppetje wel. Natuurlijk is er snel de vraag hoe een baby in de buik komt. Jip stelt hem niet aan haar moeder, maar aan een andere zwangere vrouw in de wachtkamer van de verloskundige, in een geestige passage die vooral de voorlezer zal doen glimlachen. Heel soepel en helder voegt Westera de informatie over seks in. De wetenschap over de eitjes en zaadjes blijft Jip bezighouden. Hoe wist haar eitje nou welk zaadje ze moest binnenlaten om háár te laten groeien en niet een ander meisje? De vader legt uit: ‘Gelukkig werd jij jij’.’ Een ander kind hadden ze niet gewild, maar Jip is niet voor een gat te vangen: en het nieuwe broertje dan? ‘Leuker dan jij kan hij niet worden’, zegt de vader. ‘Even leuk misschien, maar niet leuker. Onthoud dat maar goed.’ Lichte gevoelens van jaloezie, niet als zodanig benoemd maar als een ‘nee-bui’, zijn er als Jips kamer gereed wordt gemaakt voor het nieuwe broertje.

    Het boek volgt de stadia van een normaal verlopende zwangerschap, en in dat kader komen de belangrijke zaken en begrippen rond conceptie, zwangerschap, geboorte en bevalling aan de orde. Woorden als piemel, vagina, schede en spleetje vinden hier een volstrekt natuurlijke bedding. In zijlijnen van het verhaal is er aandacht voor kinderen van twee moeders of twee vaders en voor geadopteerde kinderen. Ook treurige dingen rond zwangerschap en geboorte komen voorbij, zoals miskramen en gestorven baby’s. Het maakt Baby’tje in mama’s buik tot een compleet en veelzijdig informatieboek. Het verhaal staat in dienst van de informatie, nergens wordt het geforceerd, integendeel: het perspectief van de vragende Jip maakt identificatie mogelijk. De levendige dialogen en de prachtig weergegeven gedachtegangen van het meisje maken het boek tot een heerlijk voorleesboek.

    Details:
    Categorie Informatief.


  • Anna Woltz - Alaska

    Rapport Anna Woltz:
    Alaska, zo heet de hond die vier maanden geleden nog van Parker was, maar weg moest vanwege de allergie van haar broertje. Parker mist Alaska vreselijk, helemaal na een gewelddadige overval op de fotozaak van haar ouders. Sindsdien heeft ze last van angsten. Haar familie is geblutst door de overval, vooral de vader die gewond raakte. Nu zit hij thuis de hele dag achter de computer beelden van de bewakingscamera te bekijken. Parker helpt haar moeder met het in het gareel houden van de drie broertjes.

    Op de eerste dag in de brugklas daagt klasgenoot Sven Parker zo uit dat zij zich voor schut gezet voelt. Zij heeft direct een hekel aan hem en dat is wederzijds. Sven heeft sinds een jaar ernstige epilepsie. Hij voelt zich gereduceerd tot zijn ziekte. Hij had op deze eerste schooldag willen opvallen door iets anders. Maar zover komt het niet, want in de les krijgt hij een kleine aanval. Vanaf nu is hij die zielige jongen uit 1b, denkt hij. Als Parker ontdekt dat Alaska nu de hulphond van Sven is, is de schok zo groot dat ze besluit Alaska in de nacht te ontvoeren.

    Alaska wordt beurtelings verteld vanuit Parker en Sven, in korte snelle hoofdstukken met een eigen toon. In zorgvuldig gedoseerde flarden bouwt Woltz een beeld van hun leven en achtergrond op, maar de lezer krijgt al snel een idee van hun persoonlijkheid. Svens toon is vaak cynisch maar daaronder is er wanhoop. Hij lijdt niet alleen aan epilepsie, hij lijdt onder alle maatregelen die hem beschermen mocht hij een aanval krijgen, wat ieder moment van de dag kan gebeuren. Ze isoleren hem en hij wil niet alleen zijn. Aan zijn hulphond kunnen mensen zien dat er wat met hem is, ze zien hem als een freak.

    Consequent noemt Sven Alaska ‘het beest’. Parkers gedachten worden beheerst door misdaad. Ze kent er statistieken van, traint zich in observatie, is constant oplettend op straat en weet dat misdagers op ieder moment van de dag kunnen toeslaan. Ze is scherp en kritisch, vooral over de brugklastip die ze op internet las: wees vooral jezelf.

    Woltz buit het dubbele perspectief helemaal uit: het laat direct horen hoe de twee over elkaar denken en hoe verschillend ze dingen ervaren die ze beiden meemaakten. Helemaal geraffineerd wordt het als Parker incognito opduikt in de ontvoeringsnacht.

    Voor Sven zijn het fluisterende bivakmeisje en Parker twee verschillende personen waar hij verschillend over denkt. In de nacht vertellen ze over zichzelf en hun diepe angsten. Ondanks de verschillende situaties zijn er tal van parallellen, die samenkomen in de vraag hoe het is te leven met de angst dat er ieder moment iets ergs kan gebeuren.

    Alaska ontvoeren lukt Parker niet, maar ze heeft haar hond kunnen aaien. Dat, en wellicht ook de confrontatie met Svens situatie, geeft haar kracht iets te doen aan de situatie van haar familie. Haar observatievermogen leidt tot resultaten: Alaska is ook een spannende speurdersroman. En Sven heeft – met dank aan Alaska - eveneens baat bij haar opmerkingsgave. Alaska is een boek met veel verwikkelingen, maar door de bondige en beeldende stijl van Woltz – wat weet ze met verrassende woorden en uitdrukkingen veel duidelijk te maken – blijft het toch compact. Onderwerpen als ‘jezelf zijn’, ‘anders zijn’, ‘erbij willen horen’, ‘pesten’ en ‘de blik van een ander’ zijn er meesterlijk en eigentijds in uitgewerkt. Heel goed hebben de complexe gevoelens van beide hoofdpersonen in dit boek een plaats gekregen.

    Details:
    Categorie vanaf negen jaar.


Vlag & Wimpel

Naar de overzichtspagina

Delen