J. Greshoff-prijs 1996

Winnaar

  • Piet Meeuse - Doorkijkjes

    Juryrapport J. Greshoff-prijs 1996:

    De fraaie afbeelding op de omslag van Doorkijkjes weerspiegelt de rijke inhoud van de bundel. We zien een fragment van De slaapkamer, een schilderij van Pieter de Hooch, door Meeuse aangeduid als ‘de meester van de doorkijkjes’. Deze reproductie, een beeld van een beeld om het zo te zeggen, laat op de plaats waarop in het origineel een schilderij is afgebeeld een televisietoestel zien. Op het scherm licht een beeld van de sfinx van Gizeh op.

    Verleden en heden worden zo in één beeld met elkaar verbonden, in perspectief geplaatst. Iets wat ook gebeurt in de bundel zélf. Meeuse gaat ervan uit dat de geschiedenis van de beeldende kunst in de eerste plaats een geschiedenis is van de blik, van onze manier van zien. Én van de wereld die waargenomen en uitgebeeld wordt: ‘Wat zichtbaar wordt in de opeenvolging van alle beelden is hoe de blik verándert.’ Meeuse licht deze stelling in een aantal schitterende, in een persoonlijk stijl geschreven essays toe door het werk van De Hooch te plaatsen tegenover dat van Magritte. Beiden bieden weliswaar ‘doorkijkjes’, maar het werk van Magritte wordt door hem als ‘een droogkomisch commentaar op het kijken’ gezien. Een commentaar ook op de bedrieglijke relatie tussen wat we weten en wat we zien. Of beter gezegd: wat we ménen te weten en ménen te zien: ‘Margrittes doorkijkjes hebben een averechts effect: ze lokken je het beeld niet in, maar stoten je terug.’

    De televisie maakt niet voor niets deel uit van de afbeelding van het schilderij op de omslag. Ook die heeft onze waarneming veranderd. Met zijn soms tot tegenspraak prikkelende beschouwingen over deze ‘technologisering van het beeld’ pleegt Meeuse een vorm van cultuurkritiek, want veel waardering heeft hij niet voor de zappende tv-kijker, die hij als een alles consumerende ‘Hollebolle Gijs’ diskwalificeert: ‘De zapper is een consument van beeldgehakt.’ In een welhaast als een laudatio te karakteriseren essay over de Russische filmer Andrei Tarkovsky, met de mooie titel ‘lof der traagheid’, reageert Meeuse als het ware op deze hedendaagse kijkhouding, die hem een gruwel is.

    De traagheid van de beelden van deze regisseur kent hij ‘een lyrische kwaliteit’toe, ‘waardoor het kijken verandert in een poging tot zien. Een zoeken naar betekenis.’ Want daar gaan deze essays óók over: het zoeken naar betekenis, onze zucht tot interpresenteren. De kracht van beelden is immers dat ze zo oneindig veel kunnen betekenen.

    Maar er was ook nog een sfinx te zien, op die televisie in dat schilderij. Die groeit in het laatste essay uit tot het symbool van wat men Meeuses poëtica zou kunnen noemen: een raadsel blijft uiteindelijk de beste uitleg. Een beeld – althans de beelden, mythen en verhalen, waar Meeuses soms bijna hartstochtelijk beleden liefde naar uitgaat - geeft zich nooit volledig prijs aan de toeschouwer, de lezer. De betekenis ervan is nooit exact te verwoorden, tenzij in een nieuw beeld, met een nieuw raadsel als gevolg.

    In Doorkijkjes betoont Meeuses zich een essayist pur sang, aan wie de jury uit volle overtuiging de J. Greshoff-prijs 1996 toekent.




    Dankwoord Piet Meeuse:

    Dames en heren,

    Lof is een soort doping die op geen enkele lijst verboden middelen voorkomt. Daar zou het ministerie van Volksgezondheid zicht toch eens over moeten buigen. Het schijnt dat je er makkelijk aan verslaafd raakt en of het prestatie verhogend werkt is maar de vraag, want je krijgt het meestal toegediend nadat de inspanning al geleverd is.

    Het valt niet te ontkennen dat zich dan een euforisch gevoel van je meester maakt. Maar er zijn ook merkwaardige bijwerkingen. Als ik de effecten ervan vergelijk met die van een medicijn als kritiek, dan valt op dat bepaalde functies die door kritiek worden gestimuleerd, door lof juist worden uitgeschakeld. Zo treedt na toediening van een dosis lof – dat is althans mijn ervaring – vaak een acute verlamming van de spreekvaardigheid op: het merkwaardige gevoel van een mond vol tanden, gevolgd door de onweerstaanbare neiging om schaapachtig te glimlachen en te knikken. (Dat ik daar nu geen last van heb, is natuurlijk omdat ik dit allemaal van tevoren heb opgeschreven.) Kritiek daarentegen maakt de tong onmiddellijk los. Je tanden zitten je niet in de weg: meteen dient zich een brandende vraag of een tegenwerping aan, en als het moet kun je zelfs van je af bijten.

    Maar wat moet je zeggen als je geprezen wordt? Dan knik je dankbaar, bevangen door een lichte paniek omdat je voelt hoe je – ijdel als je bent - begint te smelten als een pakje boter in de zon. Als een ander het zegt, wordt de verleiding om het te geloven wel erg groot.

    Beter dan wie ook weet je dat er van alles op af te dingen valt. Maar je weet ook dat het niet verstandig is, dat zelf te doen. Dus zit er weinig anders op dan te glimmen van trots en tevredenheid: je hebt wel het gevoel dat er iets niet klopt, maar wie in het zonnetje wordt gezet kan weinig terugdoen.

    Wie herinnert zich niet uit zijn kinderjaren die rampzalige momenten waarop een volwassenen het nodig vond je publiekelijk te prijzen voor iets waar je zelf helemaal niet trots op was? Daar stond je dan met je goede gedrag. Letterlijk. En je schaamde je dood.

    Dat ligt nu gelukkig anders. Maar iets van dat ongemakkelijke gevoel blijft toch ook nu nog opspelen. Misschien heeft dat te maken met het feit dat we in Nederland twee uitdrukkingen kennen met het woord prijzen, die allebei wijzen op het gevaar ervan. Want of je nu de hemel of het graf wordt in geprezen – in beide gevallen voel je je verbannen naar een oord waar je liever nog even niet heen wilt.

    Kortom: lof smaakt zoet, maar het is een gevaarlijke drug. En nu ik toch in Den Haag ben, zou ik de Nederlandse regering een goede tip aan de hand willen doen: dit stimulerende middel kan uitstekend van pas komen in onze ‘drugsoorlog’ met Frankrijk: loof Jacques Chirac, prijs hem het graf in – en u zult zien dat hij met zijn mond vol tanden staat.

    De Nederlandse middenstand – of ze nu in softdrugs handelt of in iets anders- heeft trouwens wat lof en kritiek aangaat een tactiek gevonden waar ik me goed in kan vinden. Die is verwoord in de aloude slagzin: ‘Hebt u klachten, zeg ons. Bent u tevreden, zeg het anderen.’

    Dit leidt mij tot het verlossende inzicht dat de lof die over mijn boek wordt uitgestort, uiteindelijk niet voor mijn oren bestemd is, maar voor die van anderen. Hij komt dus uitstekend van pas voor het achterplat van volgende boeken.

    Strikt genomen gáát het ook niet eens over mij, maar over een schrijver die het product is van zijn boeken. Iemand die ik niet ken, omdat hij mijn dubbelganger is: iemand die geboren wordt in het hoofd van de lezer.
    Dat lucht op.

    En zo ben ik tevens beland bij het thema waar Doorkijkjes over gaat: beelden en beeldvorming. Maar daarover heb ik mijn zegje al gedaan. Dus rest mij alleen nog, mijn dank uit te spreken.

    In de eerste plaats wil ik mijn redactrice Maria Vlaar bedanken, die al eerder in het boek geloofde dan ikzelf. Dat helpt. Ze heeft zelfs bij verschijning al voorspeld dat het een prijs zou krijgen. Wat kan ik anders zeggen dan dat zulke redacteurs ook een prijs verdienen? Verder dank ik mijn huisgenoten, die mij op alle gebieden zo hardnekkig plegen tegen te spreken, dat ik mijn ideeën wel moet opschrijven om althans buiten de deur enige bijval te verwerven.

    En tot slot dank ik natuurlijk het bestuur van de Jan Campert-stichting voor de toekenning van de J. Greshoff-prijs, en ook u, voor uw aandacht.

    Maar er was ook nog een sfinx te zien, op die televisie in het schilderij. Die groeit in het laatste essay uit tot het symbool van wat men Meeuses poëtica zou kunnen noemen: een raadsel blijkt uiteindelijk de beste uitleg. Een beeld – althans de beelden, Maar er was ook nog een sfinx te zien, op die televisie in het schilderij. Die groeit in het laatste essay uit tot het symbool van wat men Meeuses poëtica zou kunnen noemen: een raadsel blijkt uiteindelijk de beste uitleg. Een beeld – althans de beelden, In Doorkijkjes betoont Meeuse zich een essayist pur sang, aan wie de jury uit volle overtuiging de J. Greshoff-prijs 1996 toekent.



    Details:
    De Jury van de J. Greshoff-prijs 1996:
    Harry Bekkering
    Hugo Brems
    Han Foppe
    Aukje Holtrop
    Anton Korteweg
    Janet Luis
    Leonore van Prooijen
    Nicolette Smabers
    Ad Zuiderent

Naar de overzichtspagina

Delen