J. Greshoff-prijs 2004

Winnaar

  • Frank Westerman

    Frank Westerman ontvangt de J. Greshoff-prijs voor Ingenieurs van de ziel.

    Jury:
    Harry Bekkering
    Yra van Dijk
    Hans Groenewegen
    Koen Hilberdink
    Aukje Holtrop
    Ena Jansen
    Jos Joosten
    Anton Korteweg
    Lut Missinne

    Juryrapport
    Frank Westerman schreef met Ingenieurs van de ziel een indringend boek over het politieke en culturele klimaat in de jaren dertig van de Sovjet-Unie. Met de nieuwsgierigheid van een verslaggever en de pen van een groot stilist vertelt hij hoe tijdens de Stalin-dictatuur uiteenlopende zaken als de waterhuishoudkunde en de literatuur in dienst werden gesteld van een hoger doel: de communistische heilstaat. Hij onderzoekt op fascinerende wijze de relatie tussen beide en ontdekt hoe het werk van ‘echte’ ingenieurs werd ondersteund door dat van ‘de ingenieurs van de ziel’, de schrijvers. Zij schreven in opdracht romantische werken waarin de lof werd verkondigd over de makers van grote gemalen en stuwdammen.

    En dat alles omdat zij dienden te werken binnen het kader van een nieuwe doctrine, het socialistisch-realisme. Deze eenvoudige taakomschrijving van schrijvers werd in 1932 geboren tijdens een buitengewone bijeenkomst in het huis van volksschrijver Maxim Gorki. Een aantal geselecteerde auteurs werd daar als volgt door Josef Stalin toegesproken: ‘Onze tanks zijn waardeloos, wanneer de zielen die ze besturen van klei zijn. Daarom zeg ik: de productie van zielen is belangrijker dan die van tanks. Dat is belangrijk, de productie van menselijke zielen. En daarom hef ik het glas op jullie, schrijvers, op de ingenieurs van de menselijke ziel.’ De schrijver in de Sovjet-Unie was vanaf nu een kneder van de menselijke ziel naar marxistische snit.

    Over deze bijeenkomst en de gevolgen van Stalins woorden lezen we in Ingenieurs van de ziel. Een hoogtepunt daarin, maar misschien wel een van de dieptepunten in de Russische literatuurgeschiedenis, is het verhaal rond Konstantin Paustovski. Deze ‘meesterchroniqueur van de Russische revolutie’ beschrijft in De baai van Kara Bogaz de overwinning van de ingenieurs op het zoutmeer Kara Bogaz aan de Kaspische Zee. Tot zijn grote teleurstelling komt Westerman tot de ontdekking dat Paustovski daar nooit is geweest en de door hem beschreven werkelijkheid een illusie is. Ook de grote Paustovski speelde het spel mee en stelde zijn schrijverschap in dienst van de Sovjetdictatuur.

    ‘Ooit wilde ik landmeter worden’, schrijft Westerman in de proloog van Ingenieurs van de ziel. Hij wilde ‘dingen in de omgeving nalopen, gewoon voor de zekerheid: of alles inderdaad zo was als het leek.’ Met deze instelling schreef hij inmiddels vijf boeiende boeken. Maar zij kwam hem bijzonder goed van pas bij deze reconstructie en deconstructie van de Sovjetwerkelijkheid. Hier was alles bij uitstek niet zoals het leek en volgde de ene illusie op de andere.

    ‘Schrijven is voor mij een vorm van zelfonderzoek. Waar sta ik? Die vraag stel ik mezelf continu,’ vertrouwde Westerman onlangs een interviewer toe. Ingenieurs van de ziel is daarom niet alleen een staaltje van hoogstaande onderzoeksjournalistiek, maar ook een studie die getuigt van een persoonlijke betrokkenheid. Westerman is geboeid door de mensen die hij ontmoet en tekent met medeleven hun verhalen op. Wij vinden dat hij dat moet blijven doen en kennen hem daarom als blijk van waardering en als stimulans voor zijn schrijverschap de J. Greshoff-prijs 2004 toe.

    Dankwoord
    Dames en heren,

    Het leuke van een bekroning als deze vind ik, los van de eer en de euros, dat je iets te weten komt over je eigen werk. Bijvoorbeeld dat je - getuige de bevindingen van de jury - Ingenieurs van de Ziel kunt lezen als ‘een studie’.

    Dat geeft, behalve cachet aan de zaak, ook te denken. Zelf heb ik namelijk de indruk dat ik altijd vreselijk mijn best doe om vooral geen studie te schrijven. In ieder geval geen in nuances stukgekookte, van mitsen en maren doortrokken, naar wetenschappelijkheid zwemende studie.

    Het heeft me al eerder verbaasd en het blijft me boeien: professionele genreduiders maar ook willekeurige lezers zijn verdeeld over de vraag hoe toch een boek als Ingenieurs van de ziel te karakteriseren en te labelen.

    Het Nederlands Genootschap van Letterkundigen hield het bij ‘literatuurkritiek’. Mijn Duitse uitgever noemt het ein journalistischer Krimi. Een recensent van de Frankfurter Allgemeine ‘een gelukkige wedergeboorte van de historische roman uit de geest van de journalistiek’. Bij de boekhandel zie je het liggen bij Ruslandkunde, of bij literatuurgeschiedenis, of bij waterbouwkunde of gewoon in de kast Nederlandse literatuur tussen Waterdrinker en Wolkers.

    Enige consensus lijkt er te bestaan over de indeling in de categorie ‘non-fictie’ - wat ik een beetje schamel vind: literatuurwetenschappers en recensenten zijn het er kennelijk alleen over eens wat het niet is.

    Persoonlijk vind ik de gangbare tweedeling in fictie en non-fictie oninteressant en als beoordelingscriterium nietszeggend. Ik heb er al eens voor gepleit het onderscheid fictie/non-fictie te vervangen voor frictie en non-frictie. Ik schreef toen dat de toets voor kwaliteit wat mij betreft zou moeten zijn: wrikt een tekst iets los? Verrast, ontroert, onthutst hij?

    Anders gezegd: er zijn werken die beschrijven wat we al wisten, aanvoelden of konden vermoeden. Boeken die geen ander gevoel losmaken dan herkenning. Non-frictie. Er zijn er ook die ontwrichten, prikkelen, choqueren of heel subtiel je wereldbeeld een graadje uit het lood zetten. Frictie.

    Ook in Ingenieurs van de ziel staat een voorbeeld dat kan illustreren waarom de indeling fictie/non-fictie onzinnig is.

    Het gaat dan om het zogeheten ‘raadsel van de rotgans’. De rotgans, dat is een compact, donkergekleurd gansje, met een witte vlek in de hals; de kleinste van de zes soorten wilde ganzen die in het Waddengebied plegen te overwinteren.

    Lange tijd wist niemand waar de rotganzen in de herfst vandaan kwamen, waar ze in het voorjaar naartoe trokken, hoe de vogel zich überhaupt voortplantte. Niemand had ooit een nest van rotganzen gezien, en het volksgeloof wilde dat deze soort uit eendenmosselen groeide (schelpdieren die zich in trossen vastzetten op wrakhout).

    Deze mythe is pas ontzenuwd tijdens de fataal verlopen ontdekkingreis van Willem Barents - de Terschellinger die zoals bekend een doorvaart ‘om de noord’ zocht en daarbij niet verder kwam dan het pakijs van Nova Zembla. Een van de weinige overlevenden van deze expeditie, de Amsterdammer Gerrit de Veer, noteerde onderweg - in de zomer van 1598 - het volgende in het scheepsjournaal: ‘Toen roeiden wij voort en vonden veel eieren van rotganzen die wij op het nest zagen zitten en die riepen: rot, rot, rot. En wij smeten een gans met een steen dood, die wij rookten en met wel zestig eieren mede scheep brachten. Dit waren oprechte rotganzen, als er in Holland omtrent Wieringen in grote menigte alle jaren komen en gevangen worden, maar waarvan men tot nog toe niet geweten heeft waar ze haar eieren leggen en uitbroeden.’

    Toch is dit niet het ‘raadsel van de rotgans’ waar ik op doel. Dat ontstond pas in 1932 bij de voltooiing van de Afsluitdijk. De eerstvolgende winter nadat de Zuiderzee was getemd en afgesloten bleven namelijk de rotganzen weg. Kwamen er jaarlijks naar schatting tweehonderdduizend, vanaf 1932 daalde hun aantal drastisch in een paar jaar tijd tot een kritiek niveau van twintigduizend exemplaren. Ziehier het ornithologische raadsel van de rotgans: wat veroorzaakte deze kennelijk massale vogelsterfte?

    Er kwamen al gauw twee theorieën bovendrijven. De eerste ging uit van een schimmelziekte die het zeewier - het belangrijkste voedsel van de rotgans - had aangetast. Volgens de tweede verklaring lag de schuld bij de Afsluitdijk. Door deze dertig kilometer lange barrière van klei en asfalt zou de getijdenwerking in de Waddenzee zijn verstoord, waardoor het zeewier was losgeslagen van de ondiepe platen en afgestorven.

    Uiteindelijk na de oorlog heeft een staatscommissie het ontwrichtende effect van de Afsluitdijk erkend, en op grond daarvan zijn de gedupeerde rotgansjagers van het eiland Wieringen schadeloos gesteld voor gederfde inkomsten.

    Meer dan een halve eeuw later, in 1999, bezocht ik het broedgebied van de rotgans: de kusten tegenover Nova Zembla, het land achter de Goelag-stad Norilsk. En daar - op de toendra boven de poolcirkel - hoorde ik een derde, compleet andere verklaring. In het plaatselijke Goelag-museum hingen tekeningen van Sovjet-gevangenen in de jaren dertig die drijfjachten hielden… op de rotgans.

    Stalin was in die tijd druk bezig zijn Goelag-archipel te bouwen - zonder een deugdelijke bevoorrading. Door honger en gebrek zag de kampleiding zich daarom gedwongen jachtbrigades samen te stellen. In de zomer werden er drijfjachten gehouden op de rotgans. Vlak na het broeden gaan de ganzen in de rui, ze verliezen hun slagpennen en kunnen gedurende drie weken niet vliegen. En zo, met ingezouten of ingevroren gans, probeerden de gevangenen en hun bewakers de winters door te komen.

    Het heeft tot 1997 geduurd voordat dit verhaal bekend werd. Een Pools-Duitse ornitholoog, Eugeniusz Nowak, heeft in dat jaar deze verklaring van het ‘raadsel van de rotgans’ gedocumenteerd en gepubliceerd.

    Dus niet de Afsluitdijk, maar Stalins Goelag had de rotgans bijna de das om gedaan. Je zou ook kunnen zeggen: de rotgans was wat biologen noemen een ‘indicatorsoort’: met hun afnemende getal vertelden zij als eersten het nog onbekende verhaal van de Goelag.

    Maar waar het mij nu om gaat is het relatieve van feit en fictie. De betrekkelijkheid van de werkelijkheid waarnaar je studie kunt verrichten, en evenzogoed van de waan waarin we vaak verkeren.

    Want welke consequenties zou je aan dit rotgansverhaal moeten verbinden? Zou je de rotgansjagers van Wieringen niet alsnog hun premie afhandig moeten maken, en hen, of hun kinderen, met hun schadeclaim moeten doorverwijzen naar president Poetin? En kun je eigenlijk anders concluderen dan dat de Nederlandse, Duitse en Deense ornithologen met hun wetenschappelijke publicaties over het raadsel van de rotgans een halve eeuw lang fictie hebben bedreven?

    Mij schijnt het toe dat de betrekkelijkheid van waan en werkelijkheid in ieder geval het onderscheid tussen fictie en non-fictie volstrekt arbitrair maakt. Zelf wil ik dan ook het genre van de frictie beoefenen. Maar zolang die termen frictie en non-frictie niet algemeen aanvaard zijn, prijs ik mij gelukkig met jury’s die een boek als Ingenieurs van de ziel beschouwen als een studie.

    Maar dan niet in de academische betekenis van het woord. Ik vat het woord ‘studie’ op zoals Vincent van Gogh dat deed, die getuige zijn brieven, vrijwel nooit een schilderij heeft gemaakt. Zelfs zijn zonnebloemen waren voor hem ‘studies’ en dat is wat hij tot het gekmakende einde aan toe bleef doen: studies maken. Benaderingen van zowel waan als werkelijkheid.

    Ik dank het bestuur en de jury voor de eervolle bekroning van Ingenieurs van de ziel met de Jan Greshoff-prijs, en u allen voor de aandacht.

Naar de overzichtspagina

Delen