J. Greshoff-prijs 2011

Winnaar

  • David Van Reybrouck - Congo

    Juryrapport J. Greshoff-prijs 2010:

    Congo is een magistraal boek dat een steeds tragischer wordend verhaal vertelt. Toch laat het de lezer, happend naar adem, met een hoopvol besef achter dat er, ondanks alles, toch iets te vieren valt. Behalve een mijlpaal in de geschiedschrijving is Congo een persoonlijk reisverslag dat ons bijna aan den lijve doet ervaren wat het is je in het hart van Afrika te begeven. Van Reybrouck vertelt op adembenemende wijze het verhaal van een reusach- tig gebied dat ooit tot een koloniaal land werd geconstrueerd, gekneed en verdoemd. Honderden history from below-interviews vullen het omvangrijke literatuur- en archiefonderzoek aan. Het resultaat is deze biografie van een prachtig doch geteisterd land. Na de wrede exploitatie door koning Leopold ii en de Belgische kolonisatie ontstond uiteindelijk rond 1960 de onaf- hankelijke staat Zaïre, dankzij idealisme én gekonkel. Dat het corrupte avontuur van Mobutu’s dertig jaar lange dictatuur tot een bijna onoverzichtelijk chaotische burgeroorlog moest leiden, ervaart de ontzette lezer. Congo laat ons schaamtevol beseffen dat de gulzige drang naar kostbare grondstoffen iedere consument medeplichtig maakt aan de complexe catastrofe die vandaag de dag nog steeds daar woedt. Vanaf de eerste paragraaf sleurt David Van Reybrouck ons het reusachtig land binnen. Met hem zie je vanuit de Atlantische oceaan de zee, onder de aanslag van de Congo- rivier, haar ‘turkooizen rimpeling’ en het ‘peilloze kobalt’ verliezen: ‘vanaf hier is alles sop. Gelig, oker, roestig sop.’ Dankzij Van Reybroucks virtuoze compositievermogen en spannende stijl krijg je inzicht in dit ‘sop’ en begin je steeds meer te be- grijpen van de geschiedenis van een roerig land.

    De jury is zeer onder de indruk van de literaire wijze waarop Van Reybrouck zijn lezers ontwricht en hen een onthutsende confrontatie met het koloniaal verleden en het onvoorspelbare heden binnenvoert.
    Ze bekroont dit boek dan ook met volle overtuiging met de J. Greshoff-prijs.



    Dankwoord David van Reybrouck:

    Dames en heren,

    In 1889 trok Disasi Makulo door de binnenlanden van Congo op zoek naar hulp. Samen met een vriend droeg hij een draagstoel. In die draagstoel: Anthony Swinburne, hun Europese meester, dertig jaar oud, voormalig idealist die ivoorhandelaar was geworden, maar nu vooral doodziek. Zijn benen zaten onder de zweren, zijn koortsen waren ondraaglijk. Niemand kon hen helpen. Bij de Hollandse factorij van Ndunga, dichtbij de Atlantische kust, bezweek hun meester.

    De anekdote staat verteld op pagina 82 van Congo. Een geschiedenis. Ik vertelde erbij dat de Hollandse factorij werd bestuurd door Anton Greshoff, ‘de oom van de schrijver van Jan Greshoff’. Het is, voor zover ik kan overzien, de eerste keer in zijn dertigjarige geschiedenis dat de Jan Greshoff-prijs wordt uitgereikt aan een werk dat uitdrukkelijk gewag maakt van de man naar wie de onderscheiding is vernoemd. Maar omdat ik vermoed dat hier meer dan alleen maar sprake is van billijke vergoeding voor mijn zorgvuldige product placement, wil ik graag de leden van de jury en de mensen van de Jan Campert- Stichting danken voor zoveel erkenning. De Jan Greshoff-prijs is mij dierbaar doordat het zo’n zuivere prijs is. Prijzen ontlenen hun betekenis aan diverse factoren: de kwaliteit van de jury, de hoogte van het geldbedrag, de zichtbaarheid van de uitreiking, noem maar op.

    Maar het mooiste criterium is en blijft toch wel de zuiverheid van het palmares. Het is goed, zeer goed aanschuiven bij het lijstje eerdere laureaten van de Jan Greshoff-prijs. Alsof je op een receptie toekomt en onmiddellijk bij een groepje goed volk mag aansluiten, zinnige lui, fijne mensen, uitzonderlijke geesten. Ik voel me er meteen thuis en bevoorrecht tegelijkertijd. Dat Congo andermaal in Nederland in de prijzen valt, laat me evenmin onberoerd. Naast waardering voor de literaire en historiografische kwaliteiten lees ik er ook een soort verlangen in, het verlangen dat het Nederlandse koloniale verleden op gelijksoortige aandacht mag rekenen. Welaan dan, dat verlang ik eigenlijk ook.
    ,br> Toen ik in de tweede helft van de jaren negentig in Nederland woonde, was ik bij wijlen diep onder de indruk van ’s lands zoektocht naar een volwassen omgang met het koloniale verleden. Ik promoveerde in Leiden aan de faculteit archeologie, en die faculteit was zo klein dat we het pand moesten delen met het Koninklijk Instituut voor Talen, Landen en Volkeren, de nazaat van een groot koloniaal wetenschappelijk instituut. Terwijl wij potscherven plakten en mammoetkiezen flosten deden onze bovenburen onderzoek naar het wel en vooral wee van Nederlands-Indië. Dat klonk toch iets verhevener. Wij waren enigszins geïntimideerd door die huisgenoten met hun uitmuntende bibliotheek en ernstige gezichten.

    Enkele straten verder pakte het Volkenkundig Museum geregeld uit met knappe, originele tentoonstellingen, en na een halfuurtje sporen stond je in het Koninklijke Instituut voor de Tropen te Amsterdam vaak in verbluffende opstellingen. Wat een verschil met Tervuren, zuchtte ik meer dan eens beschaamd. Het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, onze nazaat van ons groot koloniaal wetenschappelijk instituut, was toch meer een groot koloniaal wetenschappelijk instituut dan nazaat. Tervuren leek een stoffig fossiel, geen museum van Midden-Afrika meer, maar een museum van het laat-kolonialisme, een museum van het museum, een spontane, ongewilde installatie. Als een van de weinige ‘federale wetenschappelijke instellingen’ viel het in de jaren negentig tussen de plooien van een België dat steeds meer bevoegdheden naar de deelstaten overhevelde. Tervuren was een restcategorie, niet alleen van Congo, maar ook van België. Ook wat betreft de omgang met het koloniale verleden stond Nederland mijlen verder dan België. Maar zou er zoiets bestaan als de wet op de stimulerende achterstand? Anno 2011 lijkt het alsof de Vergangenheitsbewaltigung met betrekking tot het Belgisch kolonialisme verder door- gevoerd is die met betrekking tot het Nederlandse. 2010, het jaar van de vijftigste verjaardag van de Congolese onafhankelijkheid, bracht een hele herdenkingsindustrie op gang, die lang niet altijd vlekkeloos verliep, maar wel veel zinvolle momenten kende. Er kwamen uitstekende krantenbijlages, kwalitatief hoogstaande tv-documentaires en in Tervuren, jawel, het voormalige hol van de leeuw, een schitterende tentoonstelling van de dekolonisatie. Sterker nog, het museum sluit de komende tijd zijn deuren voor de ingrijpendste renovatie in een halve eeuw. Nederlandse vrienden spraken mij er op aan. Waarom kon dit in Amsterdam niet? Vrienden van Indonesische en Surinaamse origine klaagden over de geringe belangstelling voor het koloniale verleden in een Nederland dat vandaag liever focuste naar recente migratiegolven dan stil te staan bij de eigen imperiale voorgeschiedenis, alsof dat geen twee momenten waren van eenzelfde globaliseringsgeschiedenis.

    Ook andere Nederlanders vertelden mij dat ze inmiddels meer van Congo dan de Antillen wisten. En hoewel ze dat bedoelden als compliment, kon ik er maar half van genieten. Het groeiend analfabetisme over Nederlands overzeese avonturen leek mij uiterst problematisch. Nochtans: boeken als Sonny Boy van Annejet van der Zijl en Njai van Reggie Baay geven aan dat er wel degelijk grote belangstelling bestaat voor koloniale geschiedenissen, zeker wanneer die kundig uitgeplozen en vaardig neergeschreven zijn. In de hoop dat deze bekroning voor Congo ook een stimulans mag betekenen voor historische introspectie in Nederland, geef ik het maar toe: dus ja, dan toch product placement, niet van Greshoff in Congo, maar van Congo in Nederland.

    Ik dank u zeer.



    Walter Zinzen - Congo tussen hoop en wanhoop over Congo. Een geschiedenis van David Van Reybrouck:

    Congo. Een geschiedenis is om meer dan één reden een uniek boek. Vooreerst domweg omdat het er is. Nooit eerder is in het Nederlands een alles omvattende geschiedenis van Congo geschreven.

    Studies over periodes en episodes ja, die zijn er in overvloed. Van zeer ongelijke kwaliteit overigens. Maar nu hebben we eindelijk een, voor zover mogelijk, volledig overzicht in handen, dat begint bij de Ark van Noë en eindigt in 2010. Meteen ook een meesterwerk, dat de meeste andere publicaties, in welke taal dan ook, doet verbleken. Het begint al bij de titel: ‘een geschiedenis’, niet ‘de geschiedenis’, een tweede reden om dit boek uniek te noemen. Het gaat hier immers grotendeels om verhalen, verteld door mensen, die getuige zijn geweest van de grote en kleine gebeurtenissen, die zich in hun land hebben afgespeeld. Dat zijn per definitie subjectieve verhalen, puzzelstukjes die door Van Reybrouck zijn ineengepast tot een groot, samenhangend geheel.

    Een andere auteur zou wellicht andere verhalen heb- ben opgetekend en een puzzel hebben bijeen geharkt die er wat anders uitziet en ook dat zou ‘een’ geschiedenis zijn. Voor deze aanpak leggen historici meestal enige huiver aan de dag. Zij beperken zich het liefst tot geschreven bronnen, want die lenen zich tot het toepassen van historische kritiek. David Van Reybrouck heeft gekozen voor een mengvorm. Hij heeft de geschreven bronnen zeker niet verwaarloosd. Bijna dertig bladzijden heeft hij nodig om al de werken op te sommen die hij geraadpleegd heeft. Maar die boekenkennis komt pas tot leven door wat Congolezen zelf hem hebben verteld. Van Reybrouck heeft Congo doorkruist van Noord naar Zuid en van Oost naar West. Letterlijk honderden mensen heeft hij geïnterviewd.

    Daardoor krijgt de geschiedenis – zijn geschiedenis – vlees en bloed. Dat is des te meer zo omdat Van Reybrouck wel heel aparte figuren heeft weten te vinden. Maar tegelijk heeft hij er zijn geloofwaardigheid mee op het spel gezet. Vertellen al die Congolezen wel écht wat ze meegemaakt hebben? Is het niet zo dat ze vaak verhaaltjes vertellen, waarvan ze denken dat hun blanke gesprekspartner ze wil horen, zonder zich veel om het waarheidsgehalte te bekreunen? Die twijfel werd bij kritische recensenten vooral gevoed door twee personages. Het eerste personage, ongetwijfeld ook het meest opmerkelijke, is de man wiens foto op de cover staat en aan wie het boek is opgedragen: Etienne Nkasi. Hij beweerde dat hij de tijd van Stanley nog had gekend, de eerste missionarissen had begroet, de aanleg van de eerste spoorweg met eigen ogen had gezien, een man kortom die in 1882 geboren zou zijn en dus 126 jaar oud was toen Van Reybrouck hem voor het eerst zag. Ongelooflijk? Inderdaad, ook onze schrijver is zich daarvan bewust. Onwaarachtig? Helemaal niet. Soms worden Congolezen, hoe uitzonderlijk ook, wel degelijk stokoud. Maar vooral: de orale traditie is in Congo – en Afrika – heel sterk. Wellicht vertelt Nkasi dingen die hij van horen zeggen heeft, misschien verbeeldt hij zich wel dat hij ze zelf heeft meegemaakt. Juist daarom heeft Van Reybrouck Nkasi’s verhalen zo- veel als mogelijk gecontroleerd: de data, de omstandigheden, de plaatsen. Hij heeft kortom de historische kritiek toegepast. En geconcludeerd dat het allemaal klopte.

    Die zorgvuldigheid en het respect, waarmee de auteur zijn verhalen heeft opgetekend, maken er, ondanks aanvankelijke twijfel, een indrukwekkend getuigenis van. Met een andere figuur hadden Van Reybroucks critici meer grond onder de voeten: de degendief! Op 30 juni 1960, onafhankelijkheidsdag, reed Koning Boudewijn, staande in een open limousine, door de straten van de hoofdstad Kinshasa. Een man wist zich uit de menigte los te maken, achter de koning aan te hollen en hem ongemerkt zijn degen te ontfutselen. Zijn foto sierde de dag nadien de voorpagina van alle Belgische kranten. Vijftig jaar later was de vraag wie die man was en welk motief hem bezield had, nog altijd niet beantwoord. David Van Reybrouck vindt in de stad Kikwit ene Longin Ngwadi, die hem met veel details vertelt dat hij de dader was. Twee Vlaamse cineasten, die dezelfde zoektocht als Van Reybrouck ondernemen, komen echter tot de conclusie dat Ngwadi een bedrieger is en dat de echte degendief al jaren geleden overleden is. Hun argumenten snijden hout, Van Reybrouck moet toegeven dat hij misleid is. Een schoonheidsfoutje, zeker. Maar die hele degengeschiedenis is tenslotte minder dan een voetnoot in de woelige Congolese geschiedenis. En doet niets af aan de waarde van de honderden andere getuigen.

    Jamais Kalonga bijvoorbeeld, de eerste zwarte die ooit met een blanke vrouw heeft gedanst en op 30 juni 1960 de feestelijkheden van de onafhankelijkheid live versloeg voor de radio. Of die andere journalist, Zizi Kabongo, die van Mobutu de opdracht had gekregen de heroïsche boksmatch Foreman- Mohamed Ali in het grote stadion van Kinshasa te verslaan. Of Dominique Sakombi Inongo, de Goebbels van zowel Mobutu als zijn opvolger Kabila (de oude). Of luitenant Papy Bulaya, een gewezen kindsoldaat, die betrokken was bij de slachtpartij op tienduizenden Rwandese Hutuvluchtelingen nabij Kisangani in 1997, en nadien bij de gruwelen die met de grond- stoffenroof in het Oosten gepaard gaan: moord, verkrachting, plundering. Veel boeken waar ook de daders aan het woord komen, ken ik niet. Het belang van al deze en vele andere verhalen kan nauwelijks overschat worden.

    Van Reybrouck heeft de Congolezen een belangrijk deel van hun geschiedenis terug gegeven, zoals Koen Vidal het in De Morgen formuleerde.1 In ons hoofd heeft zich immers The Heart of Darkness als beeld van Congo genesteld, zo is zijn argument, mede door de verhalen van ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley en Leopold ii, die verkondigden dat in het hart van de duisternis enkel de moedigste en nobelste blanken zich konden handhaven. Het werd een wij-zij-verhaal: de beschaafden tegen de primitieven. Het goede tegen het kwade. Verfijning tegen botheid. Intelligentie tegen domheid, ontwikkeld tegen onderontwikkeld... Blank tegen zwart. Al die tegenstellingen roestten vast in onze hoofden en bleven hardnekkig doorwerken doorheen de koloniale periode. Van Reybrouck heeft deze beeldvorming gecorrigeerd. Zijn grote verdienste is, zegt Vidal, dat hij een boek heeft geschreven dat in harmonie leeft met de Congolezen. Het laat de donkere kanten van Congo niet onaangeroerd. Maar met veel kracht en literaire schoonheid maakt David ook duidelijk dat dit uitzonderlijke land evengoed het hart van het licht herbergt. Congo, the heart of brightness.

    Op zich al voldoende om van een uniek boek te spreken. En toch is er nog meer: de keuze van de thema’s. De auteur heeft een duidelijke voorkeur voor episodes, die tot nog toe onderbelicht of zelfs helemaal onbekend zijn gebleven. Zo besteedt hij heel wat aandacht aan de rol die Congo heeft gespeeld in beide wereldoorlogen, hoe de economie er in beide gevallen op volle toeren draaide, maar ook welke grote prijs de Congolese bevolking tot twee keer toe daarvoor heeft moeten betalen.

    Dat de Force Publique, zoals het koloniale leger heette, in 1916 Tabora in het huidige Tanzania op de Duitsers heeft veroverd – Weidmannsheil heette het toen – weten we nog min of meer. Maar wie herinnert zich nog de rol die diezelfde Force Publique in de Twééde Wereldoorlog heeft gespeeld bij de bevrijding van Abyssinië, het huidige Ethiopië? Het hele verhaal is trouwens een mooi voorbeeld van het succes van de methode-Van Reybrouck: hij heeft het gehoord van oud-strijders, die het allemaal mee gemaakt hebben. Hij is ervoor naar hun bijeenkomsten geweest, die ze ook nu nog in Kinshasa houden. Na beide oorlogen waren de Belgische officieren vol bewondering voor hun Congolese soldaten. Maar die laatsten waren wel zeer ontnuchterd, zo noteert de auteur al in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, […] want ze hadden gezien hoe de blanken die hun geleerd hadden niet meer te moorden en geen tribale oorlogen meer te voeren, elkaar vier jaar lang om onduidelijke redenen met een ontzagwekkend wapenarsenaal naar het leven hadden gestaan in een conflict dat meer doden eiste dan al de tribale oorlogen die ze zich konden herinneren bij elkaar. Ja, het deed toch iets met het ontzag dat je voor hen voelde. Het brokkelde af.

    David Van Reybrouck vraagt ook veel aandacht voor de rol die religieuze bewegingen in de ontwikkeling van Congo hebben gespeeld, te beginnen met het Kimbangisme. De stichter ervan, Simon Kimbangu, een buurjongen van de oude Nkasi op de cover, had in 1921 een Afrikaanse vorm voor het geïmporteerde christelijke geloof bedacht. Geweld heeft hij nooit gepleegd. Toch werd hij door het koloniale regime gearresteerd en veroordeeld. Hij zou tot aan zijn dood in de gevangenis blijven. Ook zijn volgelingen werden vervolgd en gedeporteerd. Het gevolg was voorspelbaar: het kimbangisme verspreidde zich en werd van de weeromstuit antikoloniaal en anti-blank. Andere, nieuwe, religieuze bewegingen rezen in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw in heel het land als paddestoelen uit de grond. Het ging, zegt Van Reybrouck, om een eerste gestructureerde vorm van volksprotest, dat toonde hoe velen zuchtten naar verlossing. Ten tijde van Mobutu paste de Kimbangistische kerk perfect in wat toen het ‘authenticiteitsbeleid’ heette, de terugkeer naar de authentieke Afrikaanse waarden. Vandaag de dag vormen de kimbangisten nog altijd een grote en machtige kerk, die veel belang hecht aan muziek. Hun fanfares komen wel eens langs in Brussel maar in Kinshasa beschikken ze over een groot symfonisch orkest: Orchestre Symphonique de Kinshasa.

    Het bestaat uit arme drommels die zich iedere week met blinkende instrumenten naar de repetitie begeven om er, zoals ze zelf zeggen, troost te vinden in de Carmina Burana. Want dat is de muziek die ze spelen. Anno 2010 hebben de kimbangisten veel concurrentie gekregen van de zgn. ‘Pinkstergemeenten’. Dat is de naam die Van Reybrouck geeft aan de genootschappen, die minder welwillende lieden ‘sekten’ noemen. Ze bloeien als kool. Sommige kloppen de mensen geld uit de zakken met leugenachtige praatjes over wonderbaarlijke genezingen, andere doen nuttig sociaal werk. Vele zijn verweven met de politiek en het bedrijfsleven. In een hoofdstuk dat hij La bière et la prière (Bier en bidden) noemt, ontwaart David Van Reybrouck een nieuwe, postkoloniale, drievuldigheid. Waar die in de koloniale tijd bestond uit de staat, de kerk en de Société Générale3 is er nu […] een corrupte politieke klasse die een alliantie aanging met nieuwerwetse godsdiensten en door de zakenwereld groot gemaakte popsterren. Dat was het duidelijkst tijdens de verkiezingen in 2006 toen één van de twee grote brouwerijen in Kinshasa de door haar gesponsorde popster en bijhorende kerkelijke televisiezender tot het kamp van Kabila behoorden en de andere brouwerij met háár ster en kerk tot het kamp van Bemba.4 Aanhangers van Kabila dronken Primus, die van Bemba Skol. Of, om het nog eens met Van Reybrouck zelf te zeggen: Bedrijven en kerken – la bière et la prière – hadden de publieke ruimte ingepalmd en de geesten beneveld en verblijd. In de aanloop naar de verkiezingen bestond de bevolking meer uit consumenten en kwezels dan uit wakkere burgers. Dit soort harde maar correcte analyses maken één van de grote charmes van het boek uit. Want een vrijblijvende, zogenaamd neutrale, waarnemer is David Van Reybrouck allerminst.

    Verfrissend is dat hij de hoofdrolspelers in de Congolese historie van 1885 tot nu ontdoet van hun mythische proporties, die ze in de loop der jaren vaak gekregen hebben. Het begint al met Leopold ii, door o.m. Louis Michel5 ‘een genie’ genoemd, door de Amerikaanse schrijver Adam Hochschild beschuldigd van moord op 10 miljoen mensen. Een gratuite bewering vindt Van Reybrouck, want solide cijfers zijn er niet. Leopold heeft geen genocide of holocaust aangericht maar een hecatombe, […] een slachting op een ongelooflijke schaal, die niet bedoeld was maar wel het gevolg van een perfide, roof- zuchtige exploitatiepolitiek, een offer op het altaar van het ziekelijk winstbejag. Het heeft hem veel kritiek opgeleverd bij al wie in de Belgische vorst wel degelijk een volksmoordenaar ziet. Het lijkt een wat abstracte discussie: genocide of hecatombe, wat maakt het uit. Dat er op grote schaal gemoord is staat vast, wat ook het etiket is dat gehanteerd wordt. Ook de held van de onafhankelijkheid, Patrice Lumumba, moet eraan geloven. Zijn palmares, aldus Van Reybrouck, leest als een opeenstapeling van blunders en inschattingsfouten […]. De tragiek van zijn kortstondige loopbaan was dat zijn grootste troef van vóór de onafhankelijkheid – zijn onwaarschijnlijke talent om de massa op te zwepen – zijn grootste nadeel werd toen hij eenmaal als machthebber geacht werd iets serener op te treden. De magneet die eerst aantrok, stootte nu af. Joseph-Désiré Mobutu6 was dan weer, dixit Van Reybrouck, de slaaf van zijn eigen machtshonger, die zijn land in een diepe crisis stortte, onze taal met het nieuwe aan het Engels ontleende woord kleptokratie heeft verrijkt, maar zich wel tot maarschalk liet kronen en bij die gelegenheid als wapen- spreuk koos: Toujours servir – altijd dienen.

    Van Reybrouck: Het was niet eens meer lachwekkend. Het was het trieste toppunt van losgeslagen waanzin. En over Mobutu’s opvolger Kabila de Oude, volgens klein- en extreem-links de geestelijke erfgenaam van Lumumba en nieuwe Congolese held: Bepaald geen doorgewinterde politicus. Van diplomatie had hij geen benul. Boertigheid was zijn stijl. […] Hier sprak niet langer een sluwe vos (zoals Mobutu) maar een ongelikte beer.

    Over zijn zoon Joseph lijkt de auteur wat milder te denken maar in feite is zijn oordeel even vernietigend. Als hij het over de bloedbaden heeft die onder de jonge, zij het democratisch verkozen, president zijn aangericht in Kinshasa en Beneden- Congo bijvoorbeeld, zegt hij dat die aantonen dat hij geen controle heeft over zijn eigen troepen. In tegenstelling tot Mobutu, […] die wilde laten zien dat hij een sterke figuur was met sterke beginselen, moest Kabila verbergen dat hij een zwakke figuur was omgeven door zwakke instellingen.

    Congo. Een geschiedenis is natuurlijk veel meer dan een opsomming van rake karakteristieken van de hoofdrolspelers en de vaak ontroerende verhalen van al dan niet bevoorrechte getuigen. We hebben hier tenslotte te maken met een auteur die, hoe jong ook, al een literaire reputatie te verliezen heeft. Zijn eersteling, De plaag, die zich in Zuid-Afrika afspeelt, had al laten zien hoe ingenieus David Van Reybrouck wetenschap, journalistiek en schone letteren tot een harmonieus en pakkend geheel weet samen te voegen. Met zijn monoloog Missie heeft hij op ongeëvenaarde wijze de dramatiek van de Congo-missionaris gestalte gegeven, ook weer op basis van ettelijke interviews. Met zijn geschiedenis van Congo bereikt hij een nieuw hoogtepunt. Waarmee tegelijk een vierde reden is aangegeven om zijn werkstuk uniek te noemen. Vooreerst is er de compositie van het boek. Geen opeenvolging van feiten – hoewel hij natuurlijk wel de chronologie volgt – maar een groepering ervan per thema. Zo deelt hij het koloniale tijdperk in vijf episodes in met titels die telkens de tijdsgeest weerspiegelen. Het rode uur van de aftrap, De oorlog en de bedrieglijke stilte erna noemt hij bijvoorbeeld de periode 1940–1955. Maar ook de structuur van de hoofdstukken zelf is bijzonder knap. Zondag 4 januari 1959 zorgde voor een kantelmoment: zware rellen in Leopoldstad met honderden doden zorgden in Brussel voor paniek en een overhaaste toekenning van de onafhankelijkheid. David beschrijft die dag in een soort van split-screen: wat deden op ongeveer hetzelfde ogenblik de dramatis personae in het steenkoude Brussel op het ministerie van Defensie, in het snikhete Leopoldstad in de residentie van de gouverneur-generaal, in de inlandse wijken, in de cafés, op de plek waar een massa bijeengekomen was voor een meeting die verboden werd…

    Deze cruciale dag krijgt door de simultaan-vertelling een onwaarschijnlijke kracht en vormt één van de hoogtepunten van het boek. Maar het allermooiste is de symboliek, die de auteur af en toe haast onopvallend, schijnbaar terloops, aan zijn beschrijvingen weet te geven. Het boek begint en eindigt met zo’n gelaagde beschrijving. Op de allereerste pagina’s wordt de monding van de Congo-stroom in de Atlantische Oceaan beschreven, gezien door de ogen van wie ooit voor het eerst met de pakketboot naar Congo voer. Naarmate de Congo-stroom dichterbij komt, is het de kleur van het water die verandert: […] het blauw raakt gaandeweg bezoedeld met geel. En dat levert geen groen op, zoals je van de kleurentheorie nog weet, maar troebelheid. Het schitterende azuur is verdwenen. De turkooizen rimpeling onder de middagzon is weg. Het peilloze kobalt waaruit de zon opsteeg, het ultramarijn van de schemering, het loodgrijs van de nacht: voorbij. In zijn twee laatste hoofdstukken heeft Van Reybrouck het over China: China in Congo, maar ook Congo in China. Hij is ervoor naar de stad Guangzhou gegaan, waar de afgelopen jaren een grote Afrikaanse kolonie is ontstaan. Hij ontmoet er Congolezen die vloeiend Chinees spreken én schrijven. Het zijn handelaars, die containers vol met Chinese spullen naar hun land verzenden. Vaak zijn het ook vrouwen die met een handtas als enige bagage uit Kinshasa vertrekken en met tientallen goed gevulde reiskoffers terugkomen.

    Van Reybrouck heeft er ontmoet die dank zij die handel een mate van welvaart hebben bereikt, die ze nooit eerder hadden gekend. Op de terugreis naar Congo zit hij in het vliegtuig achter twee van zulke vrouwen, met platinablonde pruiken, vrolijk taterend, in gloednieuwe kleren gestoken, het label er nog aan. Na de landing in Kinshasa loopt hij achter ze aan. Het levert de allerlaatste zin van het boek op. Ik zag de blonde haren van hun pruiken opveren bij elke stap die ze zetten. Ik zag hoe de wind enkele plukjes verwoei. En terwijl ze gezwind over het verbrokkelde asfalt in de richting van hun thuiskomst stapten, zag ik de labels aan hun mouw flapperen en tollen in de ochtendlucht, dartel en speels, alsof er iets te vieren viel.

    Wie op zo’n virtuoze wijze zowel de darkness als de brigthness van Congo kan beschrijven, mag nog vele prijzen en onderscheidingen verwachten.



    Details:
    De jury bestond uit:
    Aad Meinderts, voorzitter
    Yra van Dijk
    Hans Groenewegen
    Koen Hilberdink
    Aukje Holtrop
    Ena Jansen
    Jos Joosten
    Annemie Leysen
    Lut Missinne


Naar de overzichtspagina

Delen