Letterenfonds Vertaalprijs 2007

Ga direct naar

Details:

De Fonds voor de Letteren-vertaalprijzen zijn op vrijdag 14 december 2007 toegekend aan Hilde Pach en Wilfred Oranje vanwege hun bijzondere verdiensten voor de kwaliteit en diversiteit van de literatuur in Nederlandse vertaling. Beide vertalers onderscheiden zich binnen hun taalgebied door initiatief en creativiteit. Aan de prijzen is een geldbedrag van 5.000 euro verbonden. De jury bestond dit jaar uit Ike Cialona, Arthur Langeveld (voorzitter) en Jan Pieter van der Sterre.


Winnaar

  • Wilfred Oranje

    Details:
    Toen Wilfred Oranje in de zesde klas van het gymnasium zat, in Haarlem, en Russische les kreeg van Marius Broekmeyer, wilde hij ambassadeur in Moskou worden. Hij ging in 1969 dus zowel Rechten als Slavistiek studeren. Tijdens zijn studie werd hij redacteur van het filmtijdschrift Skrien en voor dat blad vertaalde hij een aantal teksten van Sergej Eisenstein. Vervolgens vertaalde hij, samen met Karel Dibbets, een boek over de geschiedenis van de film van de Zwitserse schrijver Peter Bächlin. `En daarna,' zei Wilfred Oranje, `heb ik een boek van Eisenstein vertaald, en een van Pasolini. Ik heb ook uit het Frans en het Engels vertaald. En op een dag merkte ik dat ik helemaal niet meer studeerde, maar vertaler was geworden.’

    Inmiddels kan hij, dertig jaar later, bogen op een indrukwekkend oeuvre. Dat begint, wat de boeken betreft, met de zojuist genoemde De ekonomiese geschiedenis van de film van Peter Bächlin, uitgekomen in 1977, en wordt vervolgd met Montage: het konstructieprincipe in de kunst van Sergej Eisenstein, De zelfmoordenaar van Nikolai Erdman en De ketterse ervaring van Pier Paolo Pasolini, alle drie in 1981 verschenen. Omdat hij al vroeg in het werk van Freud geïnteresseerd was - op zijn zestiende las en bewonderde hij diens Vorlesungen al - werd hem in 1982 door Uitgeverij Boom gevraagd of hij, samen met Thomas Graftdijk, mee wilde werken aan de samenstelling van een Nederlandse editie van het werk van Sigmund Freud, een editie die niet chronologisch was maar rond de thema's van het werk werd geordend. Graftdijk overleed in 1992 en Wilfred Oranje voltooide de opdracht in 1993. Maar eind jaren negentig besloot Uitgeverij Boom alsnog een chronologische editie uit te geven. Eind vorig jaar is deze nieuwe, elfdelige serie van Freuds Werken uitgekomen, in totaal 8000 pagina's, vertaald en bewerkt door Wilfred Oranje. Hij is dus een kwarteeuw lang met Freud bezig geweest. Dankzij een iniatief van de Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse heeft hij vorig jaar dan ook een welverdiende koninklijke onderscheiding gekregen.

    Maar Wilfred Oranje heeft zich niet uitsluitend met Freud bezig gehouden. Hij heeft nog tientallen andere prachtboeken vertaald, niet alleen van de hedendaagse Italiaanse auteurs Giorgio Manganelli, Sebastiano Vassalli, Franco Ferrucci en Guido Ceronetti, maar ook een Verhandeling over de schilderkunst van Leonardo da Vinci, Aldus sprak Zarathoestra van Friedrich Nietzsche, Stechlin van Theodor Fontane, de Filosofische beschouwingen en de Dagboeken van Ludwig Wittgenstein, de Italiaanse reis van Goethe, de autobiografie van Arthur Schnitzler, Reistaferelen van Heinrich Heine, De Opstand der Nederlanden van Schiller, Mozart op reis naar Praag van Eduard Mörike, en in de afgelopen zeven jaar ook nog eens zes romans van de in Galicië geboren Oostenrijkse schrijver Joseph Roth.

    Een indrukwekkend oeuvre, inderdaad, van een begenadigd en gedreven vertaler. Collegavertaler Paul Beers schreef in maart 1997 in Vrij Nederland over de vertaling van Also sprach Zarathustra: `Oranje paart een bewonderenswaardige precisie, waarvan hij in zijn vele Freudvertalingen al blijk heeft gegeven, aan een gedragen stijl, en het is een plezier om bij opvallende passages te kijken wat er in het origineel stond. Vaak blijkt dan dat het Nederlands als geen andere taal dicht aanleunt tegen het Duits en dat Nietzsches taalspel letterlijk kan worden overgenomen, andere keren komen mooie oplossingen "gewoon" uit de onvolprezen Duitse Van Dale, maar veel vaker komt de vondst geheel op het conto van Oranje. "Ons komt het vliegen niet aangevlogen" is de fraaie vertaling van "man erfliegt das Fliegen nicht" en de trits "foezelig en groezelig en smoezelig" is het antwoord op "faulicht und lauicht und schaumicht".'

    Ook de jury is zeer onder de indruk van Oranjes vertaalkunde. Zij vindt bij voorbeeld zijn vertaling van Schillers monumentale werk over de Nederlandse opstand tegen de Spanjaarden ronduit magistraal. Zonder de tekst te vereenvoudigen, te moderniseren of anderszins aan te passen is Oranje tot een vertaling gekomen die je bijna niet weg kunt leggen: prachtig Nederlands, klassiek, maar niet hinderlijk ouderwets. Datzelfde geldt ook voor zijn vertaling van Hotel Savoy van Joseph Roth. Met de vertaling van dit soort schijnbaar eenvoudige maar in wezen weerbarstige teksten kan van alles misgaan, maar niet bij Wilfred Oranje. Het lezen van zijn vertalingen is een groot genoegen.

    Over het verschil tussen het vertalen van literaire fictie en non-fictie zei Oranje zelf op 16 december 2005 in Utrecht tijdens de Vertaaldagen: `Voor mijzelf is het onderscheid tussen literaire fictie en non-fictie in de loop van mijn vertalersbestaan steeds verder vervluchtigd. Niet het verschil tussen fictie en non-fictie is in mijn ogen relevant bij het vertalen, maar de vraag of de auteur goed of slecht schrijft. Een vertaler is een van de eersten die merkt dat er in de te vertalen tekst iets hapert. En een slecht geschreven tekst in de brontaal leidt onvermijdelijk tot een slechte vertaling. Vertalers zouden de moed moeten opbrengen om tegen hun uitgever te zeggen: "Waarde uitgever, dit is een slecht geschreven boek dat nooit in vertaling mag uitkomen. En wel om de volgende redenen: zo'n vertaling is slecht voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de vertaler, slecht voor het aanzien van de uitgever, slecht voor het taalgevoel van de lezers en al helemaal slecht voor het behoud van onze mooie en o zo wendbare moedertaal."'

    Uit zijn vertaaloeuvre blijkt dat Wilfred Oranje meer dan eens de daad bij dit stellige woord heeft gevoegd. En daarmee vervult hij in de ogen van de jury de voorbeeldfunctie die, naast de hoge kwaliteit van zijn vertalersschap, doorslaggevend is geweest voor zijn uitverkiezing tot prijswinnaar van dit jaar.
  • Hilde Pach

    Details:
    De prijzen die het Fonds voor de Letteren jaarlijks aan vertalers toekent zijn uiteraard in de eerste plaats een uiting van waardering voor de kwaliteit van hun vertalingen, maar ook de andere activiteiten die de laureaten op hun werkterrein ontplooien vormen een belangrijk ‘asset’, om deze managersterm maar eens te gebruiken. Bij Hilde Pach zijn deze extra’s prominent aanwezig. Het vertalerschap is bij haar onderdeel, een belangrijk onderdeel, dat wel, van een geheel van activiteiten dat je zou kunnen samenvatten als ‘ambassadeur van de joodse talen en culturen’. In dat kader vertaalt ze niet alleen hedendaagse Israëlische schrijvers uit het Hebreeuws maar houdt ze zich ook bezig met het Jiddisch. Ze bereidt een proefschrift voor over een Jiddische krant die aan het einde van de zeventiende eeuw in Amsterdam verscheen, is redacteur van Grine Medine, een kwartaalblad voor liefhebbers van het Jiddisch en medeauteur van ‘Hebreeuwse en Jiddische woorden in het Nederlands’. Tevens schrijft ze regelmatig recensies in NRC Handelsblad en geeft ze cursussen over Israëlische literatuur.
    Ze is overigens niet alleen betrokken bij de Israëlische literatuur, haar inzet voor het Nederlandse literaire leven mag er evenzeer wezen. Zes jaar lang is ze secretaris van het bestuur van de Vereniging voor Letterkundigen geweest, waar ze zich duchtig weerde in de discussie over de vaste boekenprijs. Onnodig te zeggen dat ze daar tot op het hoogste niveau met vuur en overtuigende argumenten voor is opgekomen. En ook haar lidmaatschap in 2002 van de jury van de Librisprijs mag niet onvermeld blijven.
    Naast wetenschappelijke interesse, publicitaire en educatieve activiteiten, en maatschappelijke betrokkenheid lijkt literaire smaak het vierde element in het universum van Hilde Pach. De literaire kwaliteit van haar vertaaloeuvre is uitzonderlijk hoog. Amos Oz en David Grossman, de twee grootste schrijvers van Israël, vormen er de kern van. De kennismaking, op zestienjarige leeftijd, met Mijn Michael, een van de vroege romans van Amos Oz, zette haar ertoe aan naast Nederlands ook Hebreeuws te gaan studeren. Geen wonder dat zij vele jaren later van dit werk een nieuwe vertaling heeft gemaakt.
    David Grossman en Amos Oz zijn ook de auteurs van twee boeken die als dé hoogtepunten niet alleen van de Israëlische literatuur maar waarschijnlijk ook van de naoorlogse wereldliteratuur worden beschouwd. In de vertaling van Hilde Pach zijn Zie: liefde van Grossman en Een verhaal van liefde en duisternis van Oz ook hier te lande literaire gebeurtenissen van de eerste orde geworden.
    Dat zulks niet in de laatste plaats te danken is aan haar superieure vertalingen is iets wat de jury in geen van de talrijke recensies die er over deze boeken zijn verschenen is tegengekomen. En misschien is juist dat wel de hoogste lof voor een vertaler. Wanneer je in Rusland als buitenlander Russisch praat en je krijgt het compliment ‘wat spreekt u goed Russisch’, dan weet je dat je op een kilometer afstand als buitenlander bent te herkennen. Als je de taal werkelijk vloeiend spreekt zegt niemand iets, het valt niet meer op. Zo is het ook met vertalingen: werkelijk goede vertalingen vallen vaak nauwelijks als vertaling op. Maar weinig mensen hebben in de gaten hoeveel kennis, kunde en creativiteit en ook liefde en integriteit er voor nodig zijn om een vertaling te produceren die leest alsof er nooit een origineel is geweest. Citaten, rijmpjes, woordspelingen, dubbelzinnigheden, personen die in zeer verschillende registers spreken, plus, met name in het werk van Amos Oz, voortdurende overgangen van plaats en tijd – van het Oost-Europa van voor WO I, naar het Palestina van de jaren dertig van de vorige eeuw tot het naoorlogse Israël – met alle taalkundige implicaties van dien.
    De geschiedenis van het joodse volk in de twintigste eeuw, een beladener onderwerp is moeilijk te bedenken.. David Grossman en Amos Oz zijn erin geslaagd hierover uitermate genuanceerd en met grote distantie te schrijven. Het is niet de minste verdienste van Hilde Pach dat ze deze distantie en nuances ook in haar vertalingen heeft weten over te brengen. Ze probeert hierbij een Nederlandse tekst te maken die op de Nederlandse lezer dezelfde indruk maakt als het origineel op de Israëlische. Het is een doel dat vele vertalers nastreven en dat voor velen te hooggegrepen is. Maar als er iemand is die dit ideaal onwaarschijnlijk dicht benaderd heeft, dan is dat wel Hilde Pach in haar vertaling van – om maar iets te noemen – Een verhaal van liefde en duisternis van Amos Oz. Haar vertalingen zijn een genot om te lezen. Dat het om een boek uit een andere taal gaat blijkt natuurlijk volop uit de meestal exotische wereld die erin wordt beschreven, maar zeker niet uit het Nederlands van de vertaalster. En niet alleen het Nederlands is zoals Nederlands zijn moet, dat geldt ook voor de nauwkeurigheid waarmee de brontekst gevolgd wordt. Beoordeelaars die het Hebreeuws machtig zijn spraken unaniem van foutloze, onberispelijke vertalingen.
    De moderne Israëlische literatuur lééft in Nederland, ze is aanwezig, de belangrijkste werken worden met verheugende regelmaat vertaald en uitgegeven. Dat is, ondanks alle bijzondere banden die er tussen Nederland en Israël heten te zijn, voor een dergelijk klein taalgebied verre van zelfsprekend. En ook dat is niet in de laatste plaats de verdienste van Hilde Pach. Een indrukwekkend taal- en vertaalvermogen gepaard aan een enorme inzet waar het ‘haar’ literatuur en taalgebied betreft: de jury heeft Hilde Pach met het grootste genoegen voor de prijs van het Fonds voor de Letteren voorgedragen.

Naar de overzichtspagina

Delen