Letterenfonds Vertaalprijs 2011

Ga direct naar

Details:

De jury voor de Nederlands Letterenfonds Prijs voor een vertaler uit het Nederlands werd gevormd door de afdeling Vertaalbeleid Buitenland van het Letterenfonds; de jury voor de Nederlands Letterenfonds Prijzen voor vertalers in het Nederlands bestond dit jaar uit:
Hans Driessen
Jeanne Holierhoek
Djûke Poppinga, voorzitter

De prijsuitreiking vond plaats tijdens de Literaire Vertaaldagen op vrijdag 9 december 2011.


Winnaar

  • Vincent Hunink

    Juryrapport Nederlands Letterenfonds Prijs 2011 voor de vertaler als cultureel bemiddelaar:

    `Oud maar nieuw’, zo luidt het motto van Vincent Hunink. Sinds een jaar of twintig maakt hij teksten uit de Oudheid toegankelijk voor de Nederlandse lezers van nu. Zijn productie is omvangrijk en de door hem vertaalde teksten zijn gevarieerd. Het lezen van zijn vertalingen is een groot genoegen. Hij vertaalt hoofdzakelijk uit het Latijn, een enkele keer uit het Grieks. Allerlei genres heeft hij beproefd, van poëzie tot filosofie en geschiedenis. De jury was onder de indruk van zijn vele literaire nonfictievertalingen.

    Een greep uit de auteurs aan wie de prijswinnaar een Nederlandse stem heeft gegeven: Cicero, Tacitus, Caesar, Seneca, maar evengoed Augustinus, Anselmus van Canterbury en ook nog een reislustige dame uit de vierde eeuw, Egeria genaamd. Zijn vertaaloeuvre omvat meer dan vijftig titels, te veel om in dit juryrapport te noemen.

    Hunink is als docent verbonden aan de Radboud Universiteit, maar als vertaler kijkt hij over de grenzen van de wetenschap heen. Hij wil een breder publiek bereiken. We leven cultureel gezien in een gure tijd, waarin datgene wat moeilijk en elitair lijkt, maar al te snel wordt geminacht en weggezet. Maar de klassieken vechten zich terug en veroveren met succes steeds meer planken in vele boekenkasten, met dank aan uitgevers als Athenaeum-Polak & Van Gennep, en aan vertalers als Vincent Hunink.

    Tussen het oude Latijn en het moderne Nederlands zit veel speelruimte, die op allerlei manieren kan worden gevuld. In zijn woordkeus en qua idioom kiest Hunink vaak moderne, kleurrijke formuleringen, losjes vermengd met klassieke taal. Naast woorden als hard maken, aansturen en schouderklopjes, die een tamelijk eigentijdse indruk maken, vinden we in zijn vertalingen ouderwetsere termen als weldra, pochen en dralen. Deze combinatie houdt de lezer waakzaam en weet tegelijkertijd te overtuigen en te plezieren. Verder is de vertaler royaal met idiomatische uitdrukkingen, die de gehele tekst iets aards, iets tastbaars geven. Een voorbeeld uit Tacitus waarin toevallig twee idiomatische uitdrukkingen in één zin staan: `Dat zette kwaad bloed en er werd een opstand op touw gezet.’ Sommige populaire termen leiden weleens tot wenkbrauwgefrons van met name collega-classici, anderen bewonderen juist de frisse toon. Dat Hunink de inhoud van de teksten die hij vertaalt getrouw weergeeft, wordt door niemand bestreden.

    Naast het woordgebruik en het idioom is er de syntaxis. Ook die wordt door de vertaler spannend gemaakt. Dat doet hij bijvoorbeeld door veel te werken met vraagzinnen en ellipsen. Een aparte vermelding verdient de syntactische aanpak in de Historiën van Tacitus. Een vertaling die trouwens hardop zou moeten worden gelezen, omdat de klanken en het ritme zich zo goed voegen naar de betekenis. Klinkt dit bijvoorbeeld niet prachtig: Wat zijn vunzig leven nog besmeurde met een laat, beschamend eind.

    Tacitus schreef Latijn zoals niemand anders dat heeft gedaan. In beknopte zinnen, die met uiterste aandacht moeten worden gelezen, worden met luttele woorden grote drama’s geschetst, soms alleen maar gesuggereerd. In de vertaling is die beknoptheid zozeer in stand gebleven dat het soms pijn doet, dat het bij de lezer van het Nederlands even hard gaat schrijnen als het bij de lezer van de Latijnse tekst moet hebben gedaan. De vertaler heeft gekozen voor een radicale oplossing, aan de grens van de Nederlandse taal, zoals hijzelf zegt. Hij gebruikt zo min mogelijk lidwoorden en voegwoorden, als het even kan geen betrekkelijke bijzin maar in plaats daarvan een bijstelling, en zo past hij ook nog andere procédés toe die de tekst indikken. Met als resultaat een zin als de volgende: Op bevel van Vitellius werd een lichting onder jonge Bataven gehouden, een grote last op zichzelf, nog verzwaard door corruptie en perversie van de uitvoerenden.

    De uitgever heeft geprobeerd die radicaliteit enigszins te temperen, zoals de vertaler in een interview vertelt. Hunink praat en schrijft in het algemeen graag over zijn vertaalopvattingen, stelt ze in alle openheid ter discussie. Van de vertalingen van zijn voorgangers benadrukt hij vooral de goede kanten. Hij geeft duidelijk aan in hoeverre eerdere vertalingen en vertalingen in andere moderne talen hem van dienst zijn geweest. Kortom: een goede collega, die weigert zijn verdiensten te vergroten door in het openbaar het werk van anderen af te kraken.

    De vertalingen zelf zijn voortreffelijk ingebed in toelichtende teksten, noten en zo nodig een register. Lagen de klassieken ooit zo binnen het bereik van de gemiddelde lezer? En Hunink doet er ook nog langs andere wegen heel veel aan om de kennis van de klassieken te bevorderen. Op zijn website is hij gul met vertalingen die niet meer in druk verkrijgbaar zijn, hij adviseert een uitgeverij, publiceert in tijdschriften, laat zich graag interviewen... Maar ook en vooral geeft hij les in het eigenlijke handwerk, knutselt hij met zijn studenten en andere belangstellenden graag aan Tacitus en andere Latijnse teksten. De inzet waarmee hij de klassieken vertaalt en naar het publiek brengt is bewonderenswaardig.

    De jury feliciteert Vincent Hunink dan ook van ganser harte.



    Dankwoord Vincent Hunink bij de Nederlands Letterenfonds prijs 2011 voor de vertaler (van literaire non-fictie in het Nederlands) als cultureel bemiddelaar.

    Dames en heren,
    Op 28 november plaatste het Reformatorisch Dagblad een uitvoerige recensie van een recente bundel preken van Augustinus. Dat boek was het werk van een Augustinus-vertaalgroep uit Eindhoven, waarvan ik deel uitmaak. De recensent, Klaas van der Zwaag, ging diep op de tekst in. Maar geen woord over de vertaling, de vertalers, of zelfs maar over het feit dat het hier een vertaling betrof.

    Zoiets is voor vertalers teleurstellend. Ze willen graag een beetje aandacht, een beetje erkenning. En dan liefst niet met het obligate oordeel 'vlot leesbaar' of een treurig lijstje fouten.

    Maar het is ook mooi: de vertaler is transparant, onzichtbaar geworden, en eigenlijk hoort dat ook zo. De Nederlandse lezer leest de tekst als de woorden van de schrijver. Rechtstreeks. Kennelijk zonder iets van een belemmering te ervaren.

    Iets dergelijks geldt ook voor een persklaarmaker, een typograaf, een redacteur of een uitgever, ja, een boekbinder: als het goed is ziet de lezer hem of haar niet staan. En staat zij of hij dus niet in de weg. Toch valt de vertaler in de literaire wereld wat sneller op. Hij, of zij, staat op een of andere manier heel dicht bij de auteur. En loopt dus ook veel risico, moet zijn nek uitsteken. Vertalen is riskant maar belangrijk werk. Daar hoef ik hier wel niemand van te overtuigen...

    Ik ben blij dat het vertalen meer en meer in de aandacht komt en gewaardeerd wordt. In de media (een beetje), op de universiteit (die van mij adverteerde meteen in de NRC met mijn naam. Hier scoor je dus kennelijk mee! 10 jaar geleden was dit ondenkbaar). En er is aandacht en waardering via activiteiten zoals de Nederlandse Vertaaldagen, en ja, in de vorm van prijzen, zoals deze prachtige prijs van het Nederlands Letterenfonds. Dat die prijs bestaat vind ik geweldig. Dat ik hem krijg stemt mij dankbaar en vrolijk. Ik kreeg het bericht op een grauwe maandagmiddag in november. Niets speciaals voor gedaan, geen competitie, geen opgefokte shortlist of vernederend TV-gala, de prijs kwam gewoon via de telefoon aanwaaien. En bracht mij even een stukje zon en lente. -- Daarna ben ik gewoon doorgegaan met vertalen. Want dat zat ik op dat moment te doen, en u zult het begrijpen: die paragraaf moest wél af.

    Dat ik intussen 'cultureel bemiddelaar' ben, want dat staat toch in die prijs, en zelfs 'cultuurdrager', volgens de advertentie van mijn universiteit, maakt mijn goede humeur alleen maar beter. Ik neem mezelf meestal wel serieus, maar toch niet zó serieus.

    Het prijzengeld zal ik dankbaar gebruiken om een klein cultureel tegenwicht te bieden in deze toch donkere tijden: ik kan er een of twee vertalingen mee financieren die echt de moeite waard zijn. En dus commercieel onhaalbaar. Graag dank ik het Nederlands Letterenfonds en de jury voor de prijs. Ik ben er heel erg blij mee. En ik dank ook alle uitgevers, redacteuren en collega's voor hun vertrouwen, hun hulp en belangstelling. Én de trouwe lezers van klassieken, want zonder hen heeft het werk geen zin.

    Zolang zij, die lezers, er zijn ga ik als vertaler door. Tot ik erbij neerval. Want prijs of geen prijs, vertalen is en blijft iets prachtigs om te doen.

    Dank u wel.



  • Bartho Kriek



    Juryrapport Nederlands Letterenfonds Prijs 2011 voor de vertaler als cultureel bemiddelaar :

    Volgens een hardnekkige gemeenplaats schuilt in iedere vertaler een gemankeerd schrijver. Afgezien van wat we van deze, voor het vertaalvak niet al te vleiende uitspraak moeten vinden, kan ze grofweg op twee manieren worden uitgelegd. Ten eerste kan een schrijver gaan vertalen omdat hij als schrijver (tijdelijk) niet de kost kan verdienen; ten tweede kan een vertaler gaan schrijven omdat hij, al dan niet uit overmoed, nu wel meent te weten hoe dat moet, dat schrijven – en soms wordt die overmoed zo groot dat de vertaler ervan overtuigd is dat hij het zelf beter kan. Hoe dit ook zij, in beide gevallen wordt vooropgesteld dat schrijven een hogere bezigheid is dan vertalen.

    Hoe het nu precies zit met dat vertalen en schrijven – misschien dat de winnaar van de Vertaalprijs van het Letterenfonds 2011, Bartho Kriek, ons hierover wat meer zou kunnen vertellen. Hiermee is niet gezegd dat vertaler Kriek een gemankeerd schrijver is, verre van dat. Want een gemankeerde schrijver is iemand die nooit een zelfgeschreven boek heeft gepubliceerd, en Kriek heeft dat wel degelijk, twee romans kort na elkaar, Het ijzeren heden (1998) en Hollandse fado (2000), en hij heeft weer een roman in voorbereiding. Bartho Kriek heeft een imposant vertaaloeuvre op zijn naam staan, niet alleen in kwantitatieve (ruim 45 titels) maar ook in kwalitatieve zin. Op die lijst prijken twee Nobelprijswinnaars, Isaac Bashevis Singer (11x) en William Faulkner, één gedoodverfde Nobelprijswinnaar, Philip Roth (4x), en voorts auteurs van grote faam, zoals Paul Auster (4x), Kurt Vonnegut (3x) en Kazuo Ishiguro (3x). Kriek heeft deze schrijvers vakkundig en vloeiend vertaald.

    Zijn meesterproef, de vertaling van William Faulkner’s The Sound and the Fury heeft Kriek onlangs, in 2010, afgelegd. Het geluid en de drift, zoals het bij Kriek heet, is een berucht moeilijke roman. Het verhaal wordt om beurten verteld door drie verschillende personages en een alwetende verteller. Ieder van die vier heeft zijn eigen stem met haar eigen register, en ieder van de vier vertelt het verhaal vanuit zijn eigen perspectief. Een extra complicerende factor is dat één van de personages een jongen is die, zoals Faulkner het onnavolgbaar uitdrukt, ‘al dertig jaar drie’ is.

    De roman opent met de volgende beschrijving door de ogen van deze achterlijke Benjy - citaat: ‘Door het hek, tussen de kronkelende bloemplekken, zag ik ze slaan. Ze gingen naar waar de vlag stond en ik liep langs het hek. [...] Ze haalden de vlag eruit en sloegen weer. Toen zetten ze de vlag terug en liepen naar de tafel, en hij sloeg en die ander sloeg...’ – einde citaat. Met Benjy heeft de lezer hier – in eerste instantie – geen idee dat het om golfen gaat. Het is Kriek’s grote verdienste dat hij die onbeholpen, niet-reflexieve taal op bewonderenswaardige wijze in het Nederlands weet te reproduceren.

    De vertaling van deze even fenomenale als duistere roman leverde Kriek alom lof op. Niet alleen de vertaling zelf werd geprezen maar ook de manier waarop hij die toegankelijk heeft gemaakt. En nu legt hij de laatste hand aan de vertaling van een, zo mogelijk nog moeilijker roman van deze dipsomane schrijver, te weten Absalom, Absalom!. Bartho Kriek is allerminst een bange vertaler – dat moge nu wel duidelijk zijn. Hij is bovendien een veelzijdig vertaler: hij heeft in deze hoedanigheid menig jeugdboek op zijn naam staan – ook niet direct het makkelijkste om te doen.

    Alsof dit allemaal nog niet genoeg is, werpt hij zich sinds jaar en dag op als kwaliteitsbewaker van het vertaalvak. Een jaar of tien geleden ontwierp hij een cursus Ondertitelen, die hij vervolgens kon onderbrengen bij het ITV, de Hogeschool voor tolken en vertalen te Utrecht. Sinds 2005 is hij daar als docent aan verbonden. Daarna paste hij deze cursus aan voor internationaal gebruik en sindsdien begeleidt hij, via internet, ondertitelaars in bijvoorbeeld Kameroen en India. En ten slotte is hij als docent verbonden aan de VertalersVakschool te Amsterdam, a prolific gentleman, indeed, zou de Engelsman zeggen.

    Terzijde: wie geïnteresseerd is in het reilen en zeilen in de wereld van de ondertitelaars, raadplege Bartho Kriek’s website www.barthokriek.nl, waar hij ook een tijdlang bloopers uit het ondertitelaarswezen registreerde – uiterst vermakelijke lectuur.

    Zoals iedere vertaler heeft Kriek in zijn vertaalloopbaan frustraties gekend, de minder fraaie kanten van de vertaalwereld gezien. In zijn roman Het ijzeren heden, legt hij een zekere Bob, literair vertaler, de volgende woorden in de mond nadat hem gevraagd is of hij niet iets anders voor de kost kan gaan doen. Bob ontsteekt in woede - citaat: ‘Hoe kun je zoiets zeggen! Ik ben goed in mijn vak, verdomd goed, al zeg ik het zelf. En dat de grote literaire werken goed vertaald worden, is voor het hele Nederlandse volk van het grootste belang.

    Anders stikt het nog in zijn eigen bedomptheid. En het gaat me niet in de eerste plaats om geld. Ik wil niet vernederd worden, een redelijke waardering krijgen. Respect!’ – einde citaat. Toegegeven, je mag natuurlijk niet iedere romanfiguur vereenzelvigen met de schrijver van die roman, maar in dit geval lijkt het vermoeden gerechtvaardigd dat deze Bob enige verwantschap met Bartho vertoont.

    Of beter, vertoonde, want het is de jury een groot genoegen om de lof die Bartho Kriek reeds ten deel viel hier nadrukkelijk te herhalen en hem met de overhandiging van deze Prijs het respect en de waardering te geven die hij ten volle verdient.

    Bartho Kriek, proficiat!



    Dankwoord Bartho Kriek bij de Nederlands Letterenfonds prijs 2011 voor de vertaler als cultureel bemiddelaar:

    Je denkt veilig te zijn achter je personages, maar nee, zoals uit het zojuist voorgelezen juryrapport blijkt is dat niet helemaal het geval. Ik denk dat ik met personage Bob in Het ijzeren heden, de vanwege zijn positie mopperende literaire vertaler, heb gecreëerd juist omdat ik bepaalde zaken achter me wilde laten; je hebt zo weinig aan gemopper. Overigens ben ik begonnen met literair vertalen omdat mijn geld op was, curieus genoeg, en omdat ik schrijver wilde worden.

    Vijf jaar geleden was ik in Bangalore in de Indiase deelstaat Karnataka in verband met mijn cursus ondertitelen. Overal zag ik die prachtige maar volkomen onbegrijpelijke krulletters van het Kannada, de taal van 50 miljoen mensen; voor een beetje taaldier natuurlijk een ondraaglijke situatie. Omdat datzelfde Kannada ook nog eens de doeltaal van de geplande cursussen zou worden, ging ik het alfabet leren.

    Een keer zat ik in een cafeetje, als een lagere-schoolkind, mijn schrijfoefeningen te doen. De ober, een jongen van een jaar of twintig, zag wat ik aan het doen was, zette meteen alles wat hij droeg neer, stak me zijn hand toe en zei: ‘Meneer, u bent mijn taal aan het leren. Mag ik u bedanken?’

    Dat dat voorval zo’n diepe indruk op me maakte, kwam ongetwijfeld door het feit dat zo’n arme Indiër, vooral met overleven bezig, toch in dezen een gelijkgestemde kon zijn. Zelf zeg ik vaak dat mijn taal, onze taal, bijna net zo belangrijk is als de lucht die we inademen. Maar er ging ook iets door me heen als: waren er maar meer Nederlandse jongeren, en volwassenen, die zo veel van hun taal houden. Wat later weer tot de gedachte leidde: als je cultuur en taal onder druk staan, zijn disciplines als literair vertalen misschien wel extra belangrijk. En eerlijk gezegd voelde ik me ook schuldig want ik had net een periode achter me waarin ik het literaire vertalen eraan had willen geven; ik had willen verzaken en die arme ober gaf mij het goede voorbeeld.

    Over deze discipline van het literair vertalen moet me iets van het hart. Het lijkt soms wel of de gangbare mening is dat literair vertalen puur een ambacht of vak is. Maar termen als ‘herscheppen’, ‘de toon treffen’ en ‘auteursrecht’ suggereren iets anders, namelijk dat literair vertalen ook een kunst is. Als dit laatste waar is, dan dient de literaire vertaler een sterke affiniteit te hebben met ‘zijn’ auteurs en ze liefst uit te kiezen, zoals uitvoerende musici ‘hun’ componisten kiezen, of in elk geval met zorg te selecteren. Dan is literair vertalen net als schrijven een heilig moeten, waarbij de vertaler voor zijn vertaling evenveel tijd en moeite overheeft als een auteur voor een origineel werk.

    Hoe het ook zij, het is een voorrecht en een eer om grote stemmen uit de wereldliteratuur toegankelijk te mogen maken voor je cultuurgenoten. En het is een ontdekkingstocht je niet alleen in te leven in hun werk maar ook in hun persoon en in hun leven – liefst, wat mij betreft, in zo’n mate dat de stem van de auteur een innerlijke stem wordt, een dibboek, zou Singer zeggen, ofwel ‘geest’. Want heb je eenmaal zo’n zelfgecreëerde en overigens niet-onprettige meervoudige persoonlijkheidsstoornis, dan kan het onbewuste, je gevoel, mee gaan doen en bestaat de kans dat je vertalingen iets geïnspireerds krijgen en de naam herschepping wellicht verdienen.

    Ik wil vele mensen bedanken, maar wat namen betreft beperk ik me tot twee: Emile Brugman en Ellen Schalker: zo lang zo belangrijk aan uitgeverszijde, en bijna altijd bereid en in staat me de tijd te geven die ik voor een vertaling wilde nemen. Als je er goed over nadenkt, bedank ik hen in feite voor hun liefde voor de literatuur. Verder bedank ik de mensen in mijn omgeving die me hielpen met nalezen en problemen oplossen, de redacteuren van de verschillende uitgevers, en vooral niet te vergeten de persklaarmakers, die ik speciaal wil noemen omdat hun belang vaak wordt onderschat.



  • Claudia Di Palermo



    Juryrapport Claudia Di Palermo Nederlands Letterenfonds Prijs 2011 voor de vertaler als cultureel bemiddelaar:

    Een van de jaarlijkse Nederlands Letterenfonds Prijzen voor de vertaler als cultureel bemiddelaar gaat traditiegetrouw naar een buitenlandse vertaler die zich op een buitengewone manier verdienstelijk heeft gemaakt voor de verspreiding van Nederlandstalige literatuur, niet alleen als vertaler van die literatuur, maar ook door bijvoorbeeld titels voor vertaling aan te dragen bij uitgevers in zijn of haar eigen land en aspirant-vertalers of minder ervaren collega’s te laten profiteren van zijn of haar kennis en ervaring.

    Het is inmiddels de achtste keer dat deze prijs wordt uitgereikt: eerder ging hij naar Franco Paris uit Italië, Irina Michajlova uit Rusland, Adam Bzoch uit Slowakije, Olga Krijtova uit Tsjechië, Gheorghe Nicolaescu uit Roemenië, Ingrid Wikén Bonde uit Zweden en Diego Puls die zijn tijd verdeelt tussen Nederland, België en Argentinië. In deze opsomming ontbreken vertalers uit de ons omringende landen Duitsland, Engeland en Frankrijk, landen die tot de belangrijkste exportgebieden voor Nederlandse literatuur kunnen worden gerekend. De reden hiervoor is dat het Nederlands Letterenfonds, samen met het Vlaams Fonds voor de Letteren, voor vertalers uit deze landen al tweejaarlijkse prijzen heeft, de Elsen Otten Übersetzerpreis, de Vondel Translation Prize en de Prix des Phares du Nord.

    Dit jaar gaat de buitenlandprijs naar Claudia Di Palermo, een Italiaanse vertaler die, om de woorden van Tom Lanoye te citeren, behept is met ‘een onblusbare liefde voor de letteren, de vechtlust van een leeuwin en de toewijding van een mediterrane mama’. Het had overigens maar een haar gescheeld of Lanoye en zijn collega’s hadden die moederlijke toewijding moeten ontberen ten gunste van de internationale tenniswereld, want van 1985 tot 1998 was Claudia medewerker bij de organisatie van de jaarlijkse Internationale Tenniskampioenschappen in Rome, de Italian Open. En hoewel zij uiteindelijk toch voor de Nederlandse en Vlaamse literatuur heeft gekozen, mogen de Nederlandse en Vlaamse auteurs niet te vroeg juichen, want zij moeten haar moederzorg sinds 1 augustus 2011 delen met een geduchte, om niet te zeggen onverslaanbare concurrent, de kleine Francesco.

    Nadat Claudia in 1991 cum laude was afgestudeerd aan de Universiteit Sapienza in Rome, nam zij, naast haar tennisactiviteiten, haar rol als cultureel bemiddelaar tussen Italië en het Nederlands taalgebied actief ter hand: zij deed lexicografisch onderzoek, was werkzaam als docente Italiaans, onder andere bij de Leidse Onderwijs Instellingen en het Italiaans Cultureel Instituut in Amsterdam, en presenteerde van 1998 tot 2000 een twaalfdelige Teleac-serie over Italië en het Italiaans, getiteld ‘Giro d’Italia’. Daarnaast begon zij in 1994 met het vertalen van Nederlandse teksten, aanvankelijk vooral op kunsthistorisch gebied en vanaf 2000 ook op fictiegebied, met titels van onder anderen Abdelkader Benali, Jan Brokken, Karel Glastra van Loon, Arnon Grunberg, Frans Kellendonk, Margriet de Moor, Cees Nooteboom, Dimitri Verhulst en Jan Wolkers. Zij heeft inmiddels een indrukwekkend vertaaloeuvre opgebouwd en wordt door uitgeverij Iperborea geroemd als een hartstochtelijke, professionele, accurate vertaler meteen groot begrip voor de subtiliteiten van de brontekst en het vermogen deze op een elegante manier in het Italiaans over te zetten.

    Een glanzende vertaalcarrière, hoe waardevol ook, is echter nog niet genoeg om een bemiddelaarsprijs in de wacht te slepen. Claudia Di Palermo doet dan ook heel wat meer dan dat. Zo is zij is onvermoeibaar in het aandragen van nieuwe Nederlandstalige titels bij Italiaanse uitgeverijen, niet alleen als freelancerechtenmanager voor Uitgeverij Prometheus, maar ook op persoonlijke titel. En de titels die zij aandraagt, aldus een redacteur van uitgeverij Scritturapura, zijn vrijwel altijd perfect toegesneden op de behoeften en het fonds van de uitgevers die zij benadert. Ook zet zij haar expertise regelmatig in als eindredacteur, onder andere van de Italiaanse vertaling van In Europa van Geert Mak, een megaklus waaraan door maar liefst zes vertalers werd gewerkt, onder wie Claudia zelf. En ten slotte treedt Claudia regelmatig op als mentor van minder ervaren collega’s, als moderator van vertaalworkshops en als adviseur van het Nederlands Letterenfonds.

    Het Nederlands Letterenfonds is Claudia dankbaar voor de inspanningen die zij zich getroost voor de Nederlandstalige literatuur en wil die dankbaarheid met deze prijs tot uitdrukking brengen.



Naar de overzichtspagina

Delen