Letterenfonds Vertaalprijs 2012

Ga direct naar

Details:

De drie Letterenfonds Vertaalprijzen zijn uitgereikt tijdens de jaarlijkse Literaire Vertaaldagen, dit jaar op vrijdag 14 december in de Rode Hoed in Amsterdam.

De jury voor de twee vertaalprijzen voor vertalers in het Nederlands bestond uit:
Djûke Poppinga, voorzitter
Karol Lesman
Jabik Veenbaas

De jury voor de vertaalprijs uit het Nederlands bestond uit de afdeling vertaalbeleid buitenland van het Nederlands Letterenfonds.




Winnaar

  • David Colmer

    Juryrapport David Colmer Letterenfonds Vertaalprijs 2012:

    Een van de jaarlijkse Nederlands Letterenfonds Vertaalprijzen gaat traditiegetrouw naar een buitenlandse vertaler die zich op buitengewone manier verdienstelijk heeft gemaakt voor de verspreiding van Nederlandstalige literatuur, niet alleen als vertaler maar ook door bijvoorbeeld titels voor vertaling aan te dragen bij uitgevers in zijn of haar eigen land en aspirantvertalers of minder ervaren collega’s te laten profiteren van zijn of haar kennis en ervaring.

    Het is inmiddels de negende keer dat deze prijs wordt uitgereikt: eerder ging hij naar Franco Paris uit Italië, Irina Michajlova uit Rusland, Adam Bzoch uit Slowakije, Olga Krijtova uit Tsjechië, Gheorghe Nicolaescu uit Roemenië, Ingrid Wikén Bonde uit Zweden, Diego Puls die zijn tijd verdeelt tussen Nederland, België en Argentinië en vorig jaar viel de eer te beurt aan Claudia Di Palermo, die heen en weer pendelt tussen Italië en Nederland.

    Dit jaar gaat de buitenlandprijs naar David Colmer, een van geboorte Australische vertaler die enige jaren in Londen en Berlijn woonde alvorens aan het begin van de jaren negentig neer te strijken in Amsterdam. Zijn eerste schreden zette hij door het vertalen van informatiebrochures over Nederlandse schrijvers. Ik herinner mij deze periode omdat ik toen als afstuderend neerlandicus freelance-werk deed bij het toenmalige Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds. Er was een stapel informatieve promotieteksten over Nederlandse schrijvers te vertalen voor de Buchmesse en er was een vertaler ingehuurd die deze klus in zijn geheel op zich had genomen maar kort voor de deadline bleek te hebben uitbesteed aan een bonte verzameling Engelstaligen uit de regio Amsterdam. (Dit kon eigenlijk niet goed gaan.)

    Ik had op dat moment zelf nog geen ervaring met vertalingen, maar al snel viel ik van de ene verbazing in de andere. Zo was er iemand die zonder toelichting maar de helft van de hem toebedeelde tekst had vertaald, iemand die vond dat je een literaire prozatekst die in het Nederlands in de tegenwoordige tijd was geschreven alleen in de verleden tijd kon vertalen, iemand die vond dat alle andere vertalers slecht waren, en er waren ook inderdaad heel wat slechte vertalingen bij, maar niet perse degene die door genoemde vertaler slecht waren bevonden. Gelukkig verscheen op zekere dag David Colmer aan mijn bureau. Hij had binnen de gestelde deadline een grote hoeveelheid tekst vertaald en stelde geïnteresseerde en intelligente vragen. Hij wilde graag meer vertalen, het liefst literair proza. Niet lang daarna gaven we hem een eerste opdracht en bleek het feit dat hij mee had gewerkt aan de onmogelijke stapel biografietjes een zeer gelukkig toeval. Want twintig jaar later hoort hij tot de meest gevraagde literair vertalers in het Engels. Hij heeft een indrukwekkend vertaaloeuvre opgebouwd en wordt alom geroemd als een hartstochtelijke, professionele, accurate vertaler met een groot begrip voor de subtiliteiten van de brontekst en het vermogen deze op een elegante manier in het Engels over te zetten. Bijzonder is dat David Colmer in vertaling alle literaire genres beoefent: romans, verhalen, gedichten, toneelstukken en essays. Bovendien is hij zelf ook schrijver van romans en verhalen.

    Colmer weet vele verschillende registers over te zetten naar het Engels: van de subtiele en erudiete gedichten van Cees Nooteboom tot de virtuoze en zonnige kinderboeken van Annie M.G. Schmidt, van de top van de nieuwe Vlaamse schrijvers – Dimitri Verhulst en Peter Terrin – tot de leeuw van Vlaanderen Hugo Claus, van de griezelbus van Paul van Loon tot de internationale bestsellers van Gerbrand Bakker of de bedrieglijk heldere gedichten van Nachoem Wijnberg en Nijhoffs Awater – al deze auteurs uit de Nederlandstalige literatuur vonden een tweede stem in David Colmer, die hen liet horen in Engeland, Amerika en Australië. Daarbij mag ook nog opgemerkt worden dat een Engelse vertaling vaak een springplank kan zijn voor uitgaves in andere talen, zoals bijvoorbeeld het geval was bij The Twin oftewel Boven is het stil van Gerbrand Bakker, waarvan na de bekroonde Engelse vertaling vele edities in andere talen volgden.

    En bij dit rijtje kan ook nog de absurdistische wereld van cartoonist Gummbah worden gevoegd, eveneens door Colmer vertaald. Want humor is een belangrijk onderdeel van literatuur, het kan moeilijk zijn om te vertalen – misschien is het wel de ultieme uitdaging. Daarover laat ik graag Philip Gwyn Jones aan het woord, Britse uitgever van Granta en Portobello Books, die desgevraagd de volgende woorden aan ons schreef: ‘Of all the things that get lost in translation, humour is usually the first to go astray. So, the fact that David Colmer manages safely to shepherd the complex wit in Dimitri Verhulst’s storytelling and dialogue, for example, across the transition from Dutch into perfectly-judged idiomatic English undiluted and intact is, for me, argument alone for his greatness in the art.’

    Colmer ontving in de loop van zijn carrière vele prijzen, waaronder de David Reid Poetry Translation Prize (2007, 2008, tweemaal in 2011), de NSW Premier’s Translation Prize en PEN Trophy (voor zijn hele oeuvre, 2010), verder was hij mede-winnaar van de Impac 2010 samen met de door hem vertaalde schrijver Gerbrand Bakker; voorts vielen er nominaties te noteren voor de Oxford Weidenfeld Translation Prize en de Popescu Prize van de Poetry Society. En deze lijst had misschien nog wel langer kunnen zijn, als we een essay in het tijdschrift Filter van de hand van Kiki Coumans over Colmers vertaling van de kindergedichten van Annie M.G. Schmidt lezen: ‘Een vertaler die op een onnadrukkelijke manier de vertaling her en der rijker en betekenisvoller maakt dan het origineel, dat is een vertaler met een groot vernuft en een grote creativiteit. Heeft de jury van de Filter Vertaalprijs 2012 niet een prachtvertaling over het hoofd gezien?’ Niet lang daarna maakte recensent Arjan Peters naar aanleiding van dezelfde Schmidt vertaling een gelijkaardige opmerking. "Die man moet een prijs!"

    Een glanzende vertaalcarrière, hoe waardevol ook, is echter nog niet genoeg om een bemiddelaarsprijs in de wacht te slepen. David Colmer doet dan ook heel wat meer dan dat. Hij treedt regelmatig op als mentor van minder ervaren collega’s, als moderator van vertaalworkshops en als adviseur van het Nederlands Letterenfonds. Zijn instelling is om zijn eigen kwaliteiten niet alleen voor zichzelf te houden maar om die te delen met de nieuwere generatie. Ik citeer graag de vertaler David McKay: ‘Als een Australiër kritiek op je heeft, is dat een teken dat hij je serieus neemt, heeft David Colmer mij een keer verteld. Complimenten zijn om mensen mee af te poeieren. En tijdens mijn mentoraat met David maakte zijn vele opmerkingen op mijn werk duidelijk dat hij mij serieus nam als vertaler en wilde aanmoedigen, maar altijd op voorwaarde dat ik die kritische blik op mijn werk zou behouden. Zoals hij zelf altijd zeer kritisch is gebleven op zijn eigen vertalingen. Tegen het einde van één van de vele workshops voor vertalers Nederlands-Engels die David heeft geleid, hield hij zijn eigen volgekrabbelde vertaling van het fragment uit De helaasheid der dingen omhoog om ons te laten zien hoeveel hij ging veranderen op basis van onze versies en discussie. “Hoe moet dat nou met de andere 200 bladzijden”, verzuchtte hij. Door zijn bescheidenheid en nuchterheid heeft hij aan minder ervaren vertalers zoals wij de allerbelangrijkste les overgebracht: dat je dit vak nooit onder de knie krijgt, dat je ook na het winnen van belangrijke vertaalprijzen nog steeds over elk woord moet blijven tobben, tenminste als je hart voor je vak hebt. David blijft betrokken bij de vertalers die hij heeft begeleid. Zijn reacties op mails verschijnen vaak binnen tien minuten op het scherm, ook vanuit Australië. Ik ben enorm dankbaar voor alles wat ik van David heb geleerd en bied dan ook mijn welgemeende excuses aan voor deze verschrikkelijke complimenten.’

    David Colmer zelf merkte hier ooit het volgende over op in een interview: ‘Het schrijft toch prettiger als je weet dat je werk gelezen wordt.’ Dat mag op het eerste gezicht klinken als een bescheiden statement, maar er schuilt meer waarheid in dan je zou denken. Want hij zorgt ervoor dat schrijvers uit Nederland en Vlaanderen ver buiten de eigen landsgrenzen gelezen worden, voor een schrijver de ultieme blijk van waardering en een manier om in contact te komen met een veel grotere groep lezers. Die ervaring danken ze aan niemand anders dan de vertaler. Het Nederlands Letterenfonds is David Colmer dankbaar voor de inspanningen die hij zich troost voor de Nederlandstalige literatuur en wil deze dankbaarheid met deze prijs tot uitdrukking brengen.

    Een hartelijk applaus voor David Colmer!



  • Mark Leenhouts

    Juryrapport Mark Leenhouts Nederlands Letterenfonds Vertaalprijs 2012
    Categorie: literaire fictie in het Nederlands:


    “Hoewel de betrekkingen tussen Nederland en China ruim vierhonderd jaar teruggaan, heeft de Hollandse koopmansgeest lange tijd overheerst. Er mag dan volgens de overlevering weleens een klassieke Chinese roman zijn aangetroffen tussen de ladingen specerijen van de VOC-schepen, toch is er pas sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw sprake van een literaire vertaaltraditie uit het Chinees.”

    Aldus sinoloog en vertaler Mark Leenhouts, tien jaar geleden in het tijdschrift Filter. In het leerzame en onderhoudende vervolg schetst hij het moeizame verloop van de ontsluiting van de Chinese literatuur in Nederland. Aanvankelijk kwam het weinige dat werd vertaald meestal indirect - via het Duits of Engels - tot stand. Vanaf de jaren zeventig groeide de belangstelling voor de Chinese cultuur en literatuur, mede als gevolg van de culturele revolutie, hier langzaam. Sinoloog Wilt Idema speelde daarbij een belangrijke rol. De nadruk lag op de klassieken - begrijpelijk, want er moest veel worden ingehaald. Aan modernere literatuur waagden de meeste uitgevers zich niet.

    In 1996 richtte een groep jonge vertalers en academici een tijdschrift speciaal voor de Chinese literatuur op: Het trage vuur. Het werd een veelzijdig en steeds frequenter verschijnend tijdschrift, met veel aandacht voor klassieke literatuur en hedendaagse Chinese auteurs, zowel via vertalingen van proza en poëzie als via beschouwingen. De belangrijkste doelstelling van het blad was de beoordeling en presentatie van teksten op hun literaire merites en niet op ‘sociaal-politieke, voorspelbaar exotische, of herkenbaar Chinese thematiek’. Mark Leenhouts was een van de oprichters van het tijdschrift en met dit initiatief nam zijn vertaalcarrière een vlucht. In 1996 verscheen zijn vertaaldebuut, twee gebundelde novellen van de auteur Han Shaogong, getiteld Pa pa pa ; vrouw vrouw vrouw. Kort daarna volgden vertalingen van romans van Hong Ying en Su Tong. Begin 2005 promoveerde Leenhouts aan de Universiteit Leiden op het werk van Han Shaogong. Dat Leenhouts wars is van dogmatisme en niet bang is om keuzes te maken blijkt wel uit een van de stellingen bij zijn proefschrift: ‘“Vertalen wat er staat” is een onbruikbaar vertaalprincipe; elke vertaler ziet iets anders staan.’

    Sinds zijn promotie legt Leenhouts zich met aanstekelijk enthousiasme fulltime toe op het ontsluiten, toelichten en vertalen van de moderne – en klassieke - Chinese literatuur. Geen gemakkelijke opgave, want, zo legt hij uit in een interview naar aanleiding van de verschijning van zijn overzichtswerk Chinese literatuur van nu, in 2008 verschenen bij Uitgeverij De Geus: ‘Succesvolle exotische schrijvers zoals Marquez of Rushdie zijn diep geworteld in de literaire traditie. Voor moderne Chinese schrijvers geldt dat niet, of in veel mindere mate.’

    Leenhouts weet echter als geen ander de brug te slaan, zo meent de jury: als literair vertaler, als recensent, als gastredacteur, als samensteller , als docent en als journalist. In het zojuist genoemde Chinese literatuur van nu, krijgt de lezer op een ongedwongen en toegankelijke manier een schat aan kennis voorgeschoteld en wordt hij, of hij het wil of niet, meegetrokken in een onbekende wereld. Dat Leenhouts momenteel werkt aan de vertaling van de twintigste-eeuwse klassieker Belegerde vesting van Qian Zhongshu, en daarnaast samen met Anne Sytske Keijser en Silvia Marijnissen China’s beroemdste roman vertaalt, het zeer omvangrijke achttiende-eeuwse De droom van de rode kamer van Cao Xueqin, tekent zijn veelzijdigheid en flexibiliteit. De jury ziet uit naar deze klassieke en hedendaagse meesterwerken, die ongetwijfeld door Leenhouts en zijn collega’s van een uitstekend nawoord zullen worden voorzien.

    Ondertussen mag naast zijn veelzijdigheid ook het stilistisch vermogen van Leenhouts niet onbesproken blijven. Hoe uiteenlopend de bronteksten ook zijn, hij weet steeds weer de juiste toon te treffen, of het nu gaat om de droge, ironische, analytische toon in Het woordenboek van Maqiao van Han Shaogong, om de kernachtige Chinese zegswijzen in Maanopera van Bi Feiyu of om de lichtvoetige, soms wat zwartgallige humor in een roman als Dien het volk van Yan Lianke. Iedere zin is apart genomen, goed geproefd en vervolgens in uitstekend Nederlands weergegeven. De volgende korte passage uit de laatst genoemde roman illustreert dit talent goed. Het verhaal gaat over een verveelde commandantsvrouw die een jonge soldaat verleidt tijdens haar echtgenoot’s afwezigheid: “Toen hij de keukendeur opendeed had hij een bosje selderij in zijn hand, bestemd voor het ontbijt van de volgende dag. Lian at graag selderij bij de maaltijd, vanwege de vitaminen; na het eten knabbelde ze bovendien altijd op pijnboompitten, voor de plantaardige olie waar het lichaam volgens haar niet zonder kon. Maar toen hij de keuken inkwam en het bord met DIEN HET VOLK op het aanrechtblad zag, was hij zo onthutst dat hij de selderij langzaam uit zijn hand liet glijden. Een voor een vielen de stengels naast zijn voeten.”

    Zoals bekend, draagt het Nederlands Letterenfonds niet alleen de ontsluiting van buitenlandse literaturen in Nederland maar ook de promotie van de Nederlandse literatuur in het buitenland hoog in het vaandel. Mark Leenhouts beweegt zich op beide gebieden. En met verve! Dat de jury grote waardering heeft voor zijn bijdrage aan de ontsluiting van de moderne Chinese literatuur, moge duidelijk zijn, al is daarover nog lang niet alles gezegd. Voor zijn artikelen en vertalingen in literaire tijdschriften als De Tweede Ronde, De Gids en Tirade, alsook in vakbladen als Filter en Armada, reist hij regelmatig naar China, om bekende en onbekende schrijvers te bezoeken en te interviewen. In 2006 en 2011 trad hij op als gastredacteur ten behoeve van Chinese themanummers van de Tweede Ronde en Armada. Daarnaast komen we hem regelmatig tegen als recensent van de Volkskrant. Maar Leenhouts reist niet alleen naar China om de Chinese literatuur in Nederland voor het voetlicht te brengen. Ook andersom kan hij als wegbereider gelden. Zo vervulde hij met zijn uitgebreide kennis van het land en de cultuur een cruciale rol tijdens de jarenlange voorbereidingen van het Nederlandse gastlandschap op de Internationale boekenbeurs van Beijing in 2011.

    Vier jaar geleden gaf Leenhouts zijn overzichtswerk, Chinese literatuur van nu, de ondertitel aards maar bevlogen mee. Wilde hij daarmee ook iets over zichzelf zeggen? De jury vermoedt van wel, en terecht! We overhandigen je de Nederlands Letterenfonds Vertaalprijs 2012 dan ook met zeer veel genoegen.



  • Mark Wildschut

    Juryrapport Mark Wildschut Nederlands Letterenfonds Vertaalprijs 2012
    Categorie: literaire non-fictie in het Nederlands


    Mark Wildschut heeft in een lezing eens enkele opvallende uitspraken gedaan over het vertalersvak. Hij sprak over zijn vertalingen van Nietzsche en Barth, en merkte op dat Nietzsches harde afrekening met de slavenmoraal, met de menselijke knechtschap, hem soms ‘ook onaangenaam had geroerd’ in zijn vertalersziel. ‘Want,’ zo verklaarde hij, ‘is de vertaler niet de bediende bij uitstek? Niet de schrijver, noch de geadresseerde, maar slechts de bode, de dienstbode tussen schrijver en lezer?’ Onmiddellijk echter stelde hij het perspectief op die knechtenstatus bij. Hij merkte op dat de vertaler die status met opgeheven hoofd dient te dragen, en dat het vertalen van de Römerbrief van Karl Barth, Barths commentaar op de Brief aan de Romeinen van Paulus, hem hierbij had geholpen, omdat het dienaarschap in dat boek ‘niet gehekeld’ wordt, ‘maar eerder aanbevolen’. Net als de apostel Paulus, de auteur van de Brief aan de Romeinen, en net als Karl Barth, de commentator van die brief, is de vertaler immers iemand die een boodschap interpreteert, uitlegt en overbrengt. Zijn dienst is onmisbaar en daarom kan hij er trots op zijn.

    Hier sprak geen man die enkel broodvertaler is, maar een vertaler die zich inhoudelijk wil verhouden tot de teksten die hij vertaalt en daar met hart en ziel bij betrokken is. Wildschut begon ook te vertalen vanuit inhoudelijke gedrevenheid. Hij studeerde af in de wijsbegeerte, op de denker Heidegger, en nam vervolgens meteen maar de taak op zich om diens hoofdwerk Sein und Zeit te vertalen.

    Wildschuts vertaling van Heideggers Sein und Zeit, die dateert uit 1998, is bij verschijning zeer geprezen en heeft haar weg naar vele lezers gevonden. We willen deze prestatie hier nog eens nadrukkelijk memoreren. Het is Wildschut gelukt om dit complexe werk overtuigend over te brengen. Hij heeft de weerbarstigheid van het origineel alle recht doen wedervaren en tegelijk een ritmische, leesbare Nederlandse tekst geschapen. Daarmee heeft hij een van de grote filosofische basisteksten uit de twintigste eeuw voor de Nederlandse lezer ontsloten. Maar hij heeft meer gedaan dan dat alleen. Hij heeft de Nederlandse filosoof een handreiking geboden om met dit werk om te gaan en de vaderlandse receptie van Heidegger in wezen een nieuwe impuls gegeven. Niet alleen door zijn doordachte omgang met het complexe, van neologismen doordrenkte idioom, maar ook doordat hij in zijn boeiende nawoord, uitdrukkelijk binnen de door de erven Heidegger aangegeven beperkingen opgesteld, nog eens zorgvuldig en met veel kennis van zaken uitlegt hoe hij heeft gewerkt. Treffend is bijvoorbeeld de gedegenheid waarmee hij zijn vertaalkeuze verantwoordt voor Heideggers sleutelbegrip ‘Dasein’. Wildschut kiest niet voor de voor de hand liggende vertaling ‘bestaan’, die de betekenis van dit oerbegrip zou versimpelen en verdoezelen, maar hij vertaalt dat begrip met ‘erzijn’, een nieuw Nederlands woord. Maar ook termen als ‘ontheming’ en ‘ont-verring’ verschijnen hier voor het eerst. Wildschut verkent hier op fascinerende wijze de grenzen van de Nederlandse taal.

    Er volgden nog tal van andere vertalingen, van grote denkers als Heidegger, Karl Jaspers, Max Weber, maar daarnaast ook van hedendaagse essayisten en biografen als Safranski en Hosfeld. Samen met collega Michel van Nieuwstadt vertaalde hij de Nagelaten fragmenten van Friedrich Nietzsche, een indrukwekkend project op zichzelf. Recentelijk verschenen van zijn hand twee vertalingen van Theodor W. Adorno: Zonder richtlijn: parva aesthetica en Prisma’s. Cultuurkritiek en maatschappij. En daarbij zal het niet blijven. Want Wildschut is een man met grote ambities.

    Steeds weer valt op hoe flexibel deze vertaler schakelt tussen de diverse stilistische registers. Hij weet niet alleen recht te doen aan de balsturige stugheid van Heidegger, maar ook aan het vileine pennenmes van Nietzsche. En wanneer je de biografieën van volbloedstilist Safranski in Wildschuts Nederlandse vertaling leest, is het net of je een roman in handen hebt.

    In 2008 kwam Karl Barths Römerbrief uit in Wildschuts Nederlandse vertaling. Opnieuw vertaalde hij een baanbrekend meesterwerk, ditmaal op theologisch terrein. En ook ditmaal lukte het Wildschut om de toon van het werk, die van de protestantse dominee met zijn retorische aplomb, zeer overtuigend te treffen. ‘Es ist das Wort, das die Propheten von jeher sprachen, das jetzt vernehmbar und vernommen wird’, schrijft Barth, en we horen hoe de kanselredenaar het kerkorgel bewerkt. In Wildschuts vertaling keert het orgelpunt fijntjes terug: ‘Het is het woord dat de profeten van oudsher spraken dat nu hoorbaar wordt en gehoor vindt.’ ‘Oder sollte etwa der paulinische ‘Ruhm’, das Selbstbewusstsein, in dem hier geschrieben ist, einen Schatten auf den Inhalt des Römerbriefs werfen, einen Vorwand, ihm auszuweichen, bieten?’, lezen we in het slothoofdstuk van het boek. Getrouw, maar lenig en zelfs licht verhelderend, met de herhaling van het hulpwerkwoord in het laatste zinsdeel, wordt het in de weergave van Wildschut: ‘Of zou dat waar Paulus zich op beroemt, het zelfbewustzijn waarmee hier is geschreven, soms een schaduw werpen op de inhoud van de Romeinenbrief, zou dit een voorwendsel kunnen zijn om hem uit de weg te gaan?’

    In zijn nawoord bij de vertaling van Sein und Zeit merkt Wildschut op: ‘De vertaler heeft een zekere onverschrokkenheid nodig om het bevreemdende en gewelddadige karakter van Heideggers taalgebruik niet naar iets gebruikelijks en ‘beter lopends’ terug te vertalen.’ Onverschrokkenheid is een woord dat in meer dan één opzicht bij deze vertaler past. Hij deinst voor geen enkele Duitse denker terug en gaat de confrontatie steeds met gepassioneerde inzet aan. Wildschut is een vertaler die grote ambitie paart aan een voorbeeldige vakbekwaamheid. Het is bovendien iemand die uitstekend in staat is om op zijn werk te reflecteren en daarover op een intelligente manier te vertellen.

    Precies om deze redenen verdient Mark Wildschut de Nederlands Letterenfonds Prijs 2012 ten volle. We overhandigen je hierbij de prijs dan ook met zeer veel Genoegen.



Naar de overzichtspagina

Delen