Letterenfonds Vertaalprijs 2014

Ga direct naar

Details:

De jury van de Letterenfonds Vertaalprijs 2014 bestond uit:
Annelies van Hees
Peter de Voogd
Mark Wildschut

De prijs is uitgereikt op 12 december 2014.


Winnaar

  • Paul Beers

    Juryrapport Paul Beers
    Nederlands Letterenfonds Vertaalprijs 2014 voor de vertaler als cultureel bemiddelaar:


    Dames en heren,

    Paul Beers is een echte oeuvre-vertaler. Beers verbindt zich aan zijn auteurs, met wie hij als het even kan ook een persoonlijke band aanknoopt en van wie hij liefst alles vertaalt. Het woord dat de jury hierbij inviel was trouw: trouw aan de auteur, trouw aan het oeuvre, trouw aan de tekst en trouw aan het vak van vertaler. Vanuit die trouw heeft Paul Beers in de jaren zeventig o.a. het oeuvre van de Poolse schrijver Witold Gombrowicz, in de jaren tachtig dat van de Oostenrijkse Ingeborg Bachmann en sinds de jaren negentig dat van de Oostenrijker Robert Menasse voor het Nederlands taalgebied ontsloten. Deze drie Groten werden niet alleen door hem vertaald, hij publiceerde ook over hun werk en verzorgde interviews met vertalers in de Volkskrant, Filter, De Revisor, De Gids et cetera et cetera. Ook de heruitgave, nog geen drie weken geleden, van Malina, de enige voltooide roman van schrijver en dichter Ingeborg Bachmann kwam inclusief een nawoord van de vertaler.

    Maar ook het vele werk dat hij als redacteur heeft gedaan – werk dat vaak nog meer in de schaduw staat dan dat van de vertaler – mag niet onvermeld blijven. Zo is Beers behalve als vertaler ook als co-redacteur verbonden geweest aan de hervertaling van het verzameld werk van Nietzsche en was hij co-redacteur bij de eerste Nederlandse uitgave van het complete werk van Sigmund Freud.

    Wat Paul Beers zelf als zijn belangrijkste vertaalprestatie beschouwt is het vertalen van bijna het complete oeuvre van Witold Gombrowicz. Dit deed hij niet uit het Pools, maar uit het Frans en Duits. Dit heeft destijds controverse opgeroepen en zal dat nog steeds doen. Vandaag de dag worden zogeheten tussenvertalingen niet meer geaccepteerd, maar veertig jaar geleden zag de vertaalcultuur er anders uit en was er ook niet direct een vertaler Pools te vinden die de klus had kunnen klaren. Daarbij komt dat de Franse vertalingen door de auteur zelf geautoriseerd werden.

    Beers heeft het aparte, vervreemdende proza van Gombrowicz uitstekend weten te treffen in overtuigend Nederlands. Ik zal een fragment citeren waaruit de thematiek van de auteur blijkt en dat tevens een mooi voorbeeld is van Beer’s vertaaltalent. Het boek Trans-Atlantisch uit 1953 verschijnt in een dubbel marginale en moeilijke situatie. Door zijn vrijwillige uitsluiting uit de wereld van de Poolse ballingen en door zijn status als emigrant van recente datum maakt Gombrowicz deel uit van een minderheid in Argentinië: hij is ontheemd en zet zich flink af tegen het establishment terwijl hij eigenlijk een kwetsbare positie heeft. Hier volgt een scène waarin de hoofdpersoon op bezoek is bij de Poolse ambassade.

    “En terwijl in die salon de minister en de raad om mij heen springen, mij eren en
    nalopen, kon ik, die het hoge ambt, de waardigheid en gewichtigheid van de
    klootzakken kende, me niet onttrekken aan die eer en er mij van afmaken! En zo
    was ik dan als een pruim in de stront gevallen! ‘Vergeet niet, klootzak, dat de
    ambassade je naar behoren heeft geëerd, en let er nu op dat je ons niet publiekelijk
    te schande maakt, want we willen je aan de mensen, de buitenlanders hier
    presenteren als de grote klo..., hm, het genie Gombrowicz. Dat verlangt de
    propaganda, ze moeten weten dat onze natie rijk is aan genieën.”

    Laten we nog even terug gaan in de tijd. We schrijven 1977. Vijftig boze vertalers tekenen samen met een aantal recensenten en uitgevers in een Open Brief protest aan tegen het niet toekennen van de Nijhoff-prijs – indertijd 5.000 guldens groot – omdat de jury geen geschikte kandidaat had gevonden. Dat wil zeggen: er waren dat jaar geen vertalingen die ‘onberispelijk’ konden worden genoemd. In de polemiek die daarop volgt pakt vertaler Paul Beers de pen op en schrijft een artikel in De Revisor. Feitelijk breekt Beers een lans voor wat je de ‘gewone’ vertaler zou kunnen noemen, de noeste werker, die niet zelf met zijn creativiteit op de voorgrond treedt, maar zijn vakbekwaamheid in dienst stelt van de auteur. En als een echte vertaler die let op het woordgebruik maakt hij zich boos over de in zijn ogen onmogelijk hoge standaard die de juryleden hadden gehanteerd:

    ‘Onberispelijk? Het woord alleen al. Nee, zo nauwgezet mogelijk, niks overslaan, niks
    opzettelijk vervlakken, maar ook niet als een neuroot blijven wikken en wegen tot je
    er dol van wordt. Een vertaling van 50.000 woorden? Dat betekent dan ook 50.000
    beslissingen: de keuze van de woorden, de geleding van de zin en het telkens weer
    proeven van de adjectieven. (..) Een vertaler kan niet “onberispelijk” werken, want uit
    psychisch (en fysiek) zelfbehoud moet hij op een gegeven moment knopen
    doorhakken, terwijl hij weet dat de perfectie nog niet bereikt is.’

    Welnu, Paul Beers zelf doet dit niet al tien of twintig, maar al meer dan veertig jaar. Dat hij in die veertig jaar zelf niet in aanmerking is gekomen voor een vertaalprijs komt niet door het soortgelijk gewicht van zijn vertaaloeuvre, dat werk omvat van meerdere auteurs die herontdekking door nieuwe generaties lezers verdienen, het komt beslist ook niet door de literaire kwaliteit van zijn vertalingen, die misschien niet ‘onberispelijk’ maar toch wel ‘uitstekend’ mogen heten. De reden zal waarschijnlijk eerder moeten worden gezocht in de vakbondsachtige strijdbaarheid waarmee Beers – net als in de eerder genoemde affaire – in die veertig jaar met grote regelmaat de publiciteit heeft gezocht om aandacht te vragen voor de ondergewaardeerde positie van de vertaler, zowel in immateriële als in materiële zin.

    Immaterieel met name als het ging om de zichtbaarheid van de vertaler. Keer op keer en in soms ellenlange brief- en mailwisselingen trok Beers bij uitgevers of recensenten aan de bel als de vertaler in een boekaankondiging of een recensie weer eens onvermeld was gebleven.

    Die strijdbaarheid, met het hart op de tong, nu is Beers in polderland Nederland niet altijd in dank afgenomen. Met name onder uitgevers heeft het hem de naam bezorgd van een lastige klant. Beers kon zijn algemene klacht dat vertalers niet serieus worden genomen kracht bijzetten op een manier die misschien niet altijd diplomatiek kon heten.

    Zelfs met het Letterenfonds heeft hij de nodige meningsverschillen over het toekenningsbeleid van vertaalbeurzen uitgevochten. Maar bij dat al staat één ding vast: Paul Beers staat altijd pal voor de positie van de vertaler, en zijn verdiensten voor de verbetering van die positie zijn onmiskenbaar.

    Mede daarom en vanwege de kwaliteit van zijn met artikelen en nawoorden omklede vertaaloeuvre kent de jury en het Nederlands Letterenfonds hem dit jaar de Letterenfonds Vertaalprijs met groot genoegen toe.



    The State of the Quo
    Dankwoord Paul Beers:

    Je huwelijksdag boek je drie maanden tevoren, een lange vliegreis eveneens, en ook het Nederlands Letterenfonds bracht mij al drie maanden geleden de onverwachte verrassing die vandaag haar hoogtepunt bereikt; daarvoor dank ik het Fonds, en met name Fleur van Koppen voor de organisatie, en Hanneke Marttin voor de redactie van de fraaie brochure.

    Ook dank ik de jury die mij heeft uitverkoren en van wie ík, die toch al zo lang meega, twee van de drie vandaag voor het eerst de hand schud, zodat er van doorgestoken kaart gelukkig geen sprake is.

    Ik verwelkom mijn paranimf van vandaag, de Servische Jelica Novakovic, wier land ik na genoemde huwelijksdag juist deze zomer voor het eerst weer bezocht en wier mooie, helaas uitverkochte Dagboek uit Belgrado over de Navobombardementen in 1999 me weer eens deed beseffen in wat voor bevoorrecht land wij hier leven.

    En ik gedenk met weemoed twee eerdere laureaten met wie ik goed bevriend was: Nelleke van Maaren, prijswinnaar in 2009, die pas drie maanden geleden overleed, en Wilfred Oranje, laureaat in 2007, die alweer drie jaar geleden rond z’n zestigste stierf.

    Het zal 1964 geweest zijn – mijn dertigste jaar al naderend. Ik had na een warrig decennium een kandidaatsexamen gehaald, filosofie, en zojuist besloten daar niet verder in te gaan. Ik logeerde bij wijlen mijn vriend Koos Geenen in Druten – hij publiceerde essays over Nescio, Borges en Gómbrowicz, zoals we het toen nog uitspraken – en liep daar over de Waaldijk. Het werd tijd om te gaan werken. Maar wat?

    Ik had twee beroerde vertalingen gelezen, van Sartre zijn Existentialisme is een Humanisme en van Karl Jaspers zijn Inleiding tot de filosofie. Ik wendde me tot uitgeverij Bijleveld in Utrecht, in die jaren toonaangevend op het gebied van filosofie en psychologie, met de vraag of men iets voor mij te vertalen had. Nadat uitgever Joost Bommeljé mij dat ten zeerste had afgeraden – het honorarium kon niet hoger zijn dan 2 cent per woord – ging ik toch aan de slag met, jawel, Sartre, diens onbekendste en daarom nog niet vertaalde boek over Baudelaire. Veel te hoog gegrepen eigenlijk, maar geholpen door mijn vriend Jacques Sicking was Bommeljé zo tevreden dat hij me meteen een volgend boek te vertalen gaf, en zie, Jaspers’ Kleine Schule des philosophischen Denkens. Maar toen dit na twee, drie, vier, vijf jaar nog steeds niet was verschenen, en ik hem witheet van woede onder de ogen van zijn zoontjes aan het ouderlijk huis tot de orde had geroepen, was het hoofdstuk Bommeljé afgesloten – dacht ik.

    Inmiddels, we zijn de jaren ’70 binnengegaan, was ik allang de vertaler van Witold Gombrówicz geworden, de Poolse schrijver die door zijn unieke mix van luciditeit, groteske, moed tot waarheid en een meeslepende stijl mij vooral met zijn Dagboek had meegesleept. Hij gaf mij persoonlijk toestemming zijn werk vanuit de Duitse en Franse edities te vertalen, wat ertoe leidde dat er in de jaren 1967 tot 1972 elk jaar een boek verscheen, een periode die begin 1973 werd afgesloten met de verschijning van het uit zijn voegen barstende Gombrowicz-nummer van het tijdschrift SOMA. Dit laatste nummer werd tevens de opmaat tot de een jaar later opgerichte Revisor, waarvan ik redacteur-secretaris werd, een mij op het lijf geschreven functie die echter drie jaar lang een bijna voltijdsbaan bleek. In die jaren ook was ik voorzitter van de Werkgroep Vertalers en voor de Volkskrant medewerker vertaalde literatuur. Op een nu ondenkbare wijze kon ik in lange stukken gedetailleerd ingaan op kwaliteiten en tekorten van de vertalingen. Ik interviewde drie jaar achtereen de winnaars van de Nijhoffprijs, de toen nog enige vertaalprijs: in 1973 Peter Verstegen, in 1974 oud-klasgenoot C.A.G. van den Broek (voor mij en liefst drie andere klasgenoten hier aanwezig: Kees) en in 1975 Barber van de Pol.

    Toen niet alleen het jaar daarop, in 1976, maar ook in 1977 de Nijhoffprijs wegens, citaat, ‘onvoldoende kwaliteit’ niet werd toegekend, voelde ik me geroepen een protest te organiseren waarin een vijftigtal van de meer vooraanstaande literairvertalers liet weten in de toekomst van deze jury, waaronder liefst vijf eerdere winnaars, geen Nijhoffprijs in ontvangst te willen nemen. Toen de jury desondanks bleef zitten en het jaar daarop aan Anneke Brassinga de prijs toekende, weigerde deze, en ruimde de jury het veld. In de jaren daarna werd de prijs toegekend aan menig vertaler, zoals Jenny Tuin en Frans van Dooren, die ook voor 1976 allang hun sporen hadden verdiend.

    Ik zelf ging verder met het vertalen van Gombrowicz tot en met het driedelige Dagboek en had daarna opnieuw het geluk een schrijver van eigen keuze te mogen vertalen, nadat ik in 1983 het werk van Ingeborg Bachmann had leren kennen. Het was een ‘geluk bij een ongeluk’, want niet alleen haar beeldende poëzie maar vooral ook haar sensibele proza is getekend door psychisch lijden. Welk een mooi toeval dat juist dezer dagen haar enige voltooide roman Malina na bijna dertig jaar door Van Gennep opnieuw is uitgegeven.

    Inmiddels, jaren ’90, was ik door de vroegtijdige dood van Thomas Graftdijk (42 jaar) betrokken geraakt bij zowel de familie Mann als het Freud-project. Na het memoiresboek van Golo Mann, dat Graftdijk halfweegs had vertaald, te hebben voltooid, had ik de smaak van de ‘amazing family’ te pakken gekregen en kreeg opdracht de laatste zes delen van Thomas Manns Tagebücher tot twee handzame delen terug te brengen, waaraan nog een vierde Privé Domein-deel van Erika Mann werd toegevoegd. En Graftdijk was ook degene die samen met Wilfred Oranje in gestage regelmaat het ene na het andere deel van Freuds talrijke geschriften had vertaald, waarbij de één telkens het door de ander vertaalde deel redigeerde. Nu Graftdijk was weggevallen, nam ik de rol van redacteur van Wilfreds vertalingen over, een zeer dankbare, want het is nauwelijks – of ‘amper’ (in Wilfreds taaleigen) – denkbaar dat een ander op zulk hoog niveau het doorwrochte Duits van Freud in even adequaat als helder Nederlands had kunnen overbrengen.

    Na dus in de jaren ’80 het proza en de poëzie van Bachmann te hebben vertaald, werd ik vanaf 1995 de vertaler van de derde auteur van eigen keuze: Robert Menasse. Deze briljante stilist, niet alleen als romanschrijver maar evenzeer en in toenemende mate als publicist en essayist, veroverde en vervoerde mij in 1995 met zijn tweede roman Zalige tijden, breekbare wereld, waarna ik vervolgens zijn vaste vertaler werd. Anders dan ‘mijn’ andere auteurs, die allemaal ouder waren dan ik, was Menasse aanzienlijk jonger en heeft hij mij ’n keer thuis bezocht. Wie had kunnen denken dat ik zo’n vijftig jaar na dato nog eens met een door mij vertaalde, inmiddels bevriende auteur, nu aan de overkant van de rivier over de Waaldijk zou fietsen.

    Helaas heeft hij net zo min als Gombrowicz en Bachmann een groot publiek weten te bereiken, waardoor zijn laatste verhalenbundel, waarvan alle verhalen voor literaire tijdschriften zijn vertaald en gepubliceerd, het in de huidige economische situatie niet tot een Nederlandse boekuitgave heeft weten te brengen. Wel zijn polemische essay De Europese koerier waarin hij het, geheel tegen mijn zin, fervent voor de Europese Unie opnam. Ook tegen mijn zin was het feit dat de uitgever mijn inmiddels zesde boek van Menasse, hoe klein het ook was, en mijn inmiddels dertiende voor deze uitgeverij met geen cent méér dan het zogenoemde minimumhonorarium van 6 komma 3 cent wilde honoreren. Je zult zo’n kleine vijftig jaar vertalen en geen cent méér krijgen dan welke beginnende vertaler voor welk literair boek ook. Mag ik dat een misstand noemen?

    Zeker, de meeste literaire uitgeverijen gaan vriendschappelijk met ons om, maar het ontbreekt aan concrete waardering. Zonder het Letterenfonds hadden de Letterenvertalers nog steeds op een houtje moeten bijten, want van uitgeverszijde is nooit ook maar enig initiatief uitgegaan om financieel en qua naamsbekendheid van hun waardering blijk te geven. De helft van de uitgegeven literatuur is vertaalde literatuur, maar de uitgevers zitten met de vertalers in hun maag omdat die hun boeken duurder maken. Natuurlijk, het gaat om de schrijvers, en geen vertaler die zich daar niet in terechte bescheidenheid bewust van is. Maar uitgevers staan, net als vertalers, in dienst van de schrijvers. Beiden zijn daarin gelijkwaardig. Het Letterenfonds behandelt en waardeert ons als zodanig. Ach, kon het Fonds maar een literaire dochter baren die zich zou beperken tot strikt literaire uitgaven. Dan zou mijn al jarenlange, vergeefse devies bewaarheid kunnen worden:

    ‘Vertaalde literatuur is een geestelijk product dat in volkomen
    gelijkwaardigheid tussen uitgever en vertaler tot stand dient te komen.’



  • J. Novakovic-Lopusina

    Juryrapport Jelica Novaković-Lopušina
    Nederlands Letterenfonds Vertaalprijs 2014 voor de vertaler als cultureel Bemiddelaar:


    Jelica Novaković-Lopušina staat al meer dan twee decennia pal staat voor de Nederlandse taal en literatuur in Servië. Na haar middelbare-schoolopleiding aan het Amerikaanse gymnasium in Den Haag en een studie Germanistiek in Belgrado en Berlijn, gaf ze in 1991 de aanzet tot Erazmo, een Servisch jaarboek voor Nederlandstalige literatuur en cultuur – de eerste editie telde maar liefst 520 pagina’s waarin vijf volledige romans, drie novelles, een tiental verhalen en diverse gedichten waren opgenomen. Inmiddels verschenen onder haar hoofdredacteurschap acht van deze jaarboeken. In 1999 werd ze benoemd tot hoofddocent Nederlands aan de Filologische faculteit van Belgrado, en in 2006 tot hoogleraar aan diezelfde faculteit.

    Ze stelde vele bloemlezingen van Nederlandstalige literatuur in het Servisch samen en schreef voor Servischtaligen een lexicon van de Nederlandse en Vlaamse literatuur en een tweetal Nederlandse grammatica’s. Naast haar wetenschappelijke carrière is zij een veelzijdig vertaler van Nederlandstalige literatuur, met titels van uiteenlopende auteurs als Hugo Claus, Adriaan van Dis, Rodaan al Galidi, Jacob Israël de Haan, Hella S. Haasse, W.F. Hermans, Rozalie Hirs, Nescio, Oek de Jong, Gerrit Kouwenaar, Cees Nooteboom en Robert Vuijsje. Ook was ze onlangs (in november 2014) een van de moderatoren tijdens de eerste vertaalworkshop Nederlands-Servisch en -Kroatisch in Belgrado en mentoreerde ze in 2013 de Servische vertaling van Wij zijn ons brein van Dick Swaab. Voor haar brugfunctie tussen de Nederlandstalige en Servische literatuur ontving ze in 2001 de Vlaamse PEN-prijs.

    Ook Zoran Hamović van de Servische uitgeverij Clio roemt de manier waarop Jelica deze brugfunctie vervult: ‘Jelica Novaković is onze betrouwbaarste en meest toegewijde kenner van de Nederlandstalige literatuur. In de lange periode dat wij met elkaar samenwerken ben ik steeds meer gaan beseffen wat een geweldige rol zij speelt in de ontwikkeling van culturele banden tussen Nederland en Vlaanderen enerzijds en Servië en de Balkan anderzijds. Zo heeft ze het Servische publiek laten kennismaken met de actuele ontwikkelingen in Nederland via Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje, een boek waar ze onze uitgeverij op attendeerde en dat ze voor ons heeft vertaald, en heeft ze, samen met co-auteur Sven Peeters, het Nederlandstalige publiek bekendgemaakt met het sociale leven in de cafés en restaurants van Belgrado via het boek Het Kafana-tribunaal.

    Momenteel werkt ze, opnieuw samen met Sven Peeters, aan de Servische vertaling van De dagen van Gavrilo Princip van Guido van Hengel, een onderzoek naar de motieven van de man die met “het schot van Sarajevo” de Eerste Wereldoorlog ontketende.’

    Om haar brugfunctie tussen Servië en de Lage Landen naar behoren te kunnen vervullen en zowel haar studenten als zichzelf bekend te maken met alle facetten de Nederlandse cultuur, gaat niets Jelica te ver: zo bezocht ze enkele jaren geleden, toen ze in het Vertalershuis in Amsterdam verbleef, samen met een collega een coffeeshop om de daar aangeboden waar te beproeven. Het resultaat kon hen overigens niet bekoren: van de joint die ze op het terras van de coffeeshop hadden opgestoken merkten ze hoegenaamd niets, maar wel kregen ze een stevige uitbrander van een passerende oude dame die hen verweet dat ze een slecht voorbeeld gaven.

    Haar Kroatische collega Radovan Lučić, met wie ze samenwerkte aan de vertaling van een honderdtal gedichten van Rozalie Hirs, zegt diep onder de indruk te zijn van haar precisie en zorgvuldigheid, maar vooral van haar oog voor detail: ‘Alle alliteraties, rijm, woordspelingen, symboliek en verwijzingen werden een mikpunt van aandacht. Jelica streefde naar een ideale vertaling en niets kon haar stoppen om haar doel te bereiken.’

    Het moet in het recente verleden ronduit moeilijk zijn geweest om literair ambassadeur van Nederland en Vlaanderen in Servië te zijn. Een mens heeft in tijden van oorlog wel iets anders aan zijn hoofd dan cultuur en literatuur, maar ook in die woelige periode is Jelica haar brugfunctie tussen Servië en de Lage Landen blijven vervullen, zij het nu op een andere manier en in omgekeerde richting. Waar ze eerst de Serviërs op de hoogte hield van wat er in Nederland en Vlaanderen speelde, deed ze dat in 1999 andersom, in het dagboek dat ze voor de Vlaamse krant De Standaard bijhield ten tijde van de NAVO-bombardementen op Belgrado, dagboeken die gebundeld zijn onder de titel Gelukkig is wie bijtijds waanzinnig wordt. Ik citeer uit het voorwoord:

    ‘Het boek dat voor u ligt bevat behouden gebleven stukjes menselijkheid die de zinloosheid van oorlog hebben doorstaan. Vliegend door de ether, gedragen door onzichtbare golven en signalen, overhandigd door virtuele en echte postbodes, hebben ze de besmettelijkheid van haat en geweld, van collectieve veroordeling en bestraffing, van vogelvrijverklaring en quarantaine, van vervreemding en afstomping weten te overstijgen.’

    Gelukkig zijn er in Servië inmiddels vrediger tijden aangebroken en kan Jelica Novaković zich weer geheel en al wijden aan een middel bij uitstek om vervreemding en afstomping te overstijgen: cultuur en literatuur.

    Het Nederlands Letterenfonds is Jelica Novaković dankbaar voor haar inspanningen voor de Nederlandstalige literatuur, zowel in haar hoedanigheid van vertaler als van opleider van vertalers, en hoopt dat zij daarmee nog tot in lengte van jaren door zal willen en kunnen gaan. Het Fonds brengt zijn dankbaarheid graag tot uitdrukking met deze prijs.



    Dankwoord Jelica Novaković-Lopušina:

    Geachte juryleden,

    Beste collega-vertalers,

    Lieve vrienden,

    In het juryrapport waarmee Barbara den Ouden mij zo hartelijk en bevlogen heeft geïntroduceerd, wordt mijn carrière als cultureel bemiddelaar in beeld gebracht. Het betreft een verleden dat misschien niet altijd even makkelijk is geweest en dat me nu ook eventjes doet huiveren, maar waarin ik me gelukkig nooit verstoken heb gevoeld van begrip en ondersteuning. Ondanks oorlog en boycot hebben het Nederlands Letterenfonds en de Taalunie tegenover mij altijd opengestaan voor dialoog en uitwisseling. Daarvoor mijn oneindige dank.

    Vandaag wil ik echter nog een eindje verder terugkijken in de tijd, en wel naar mijn eerste literaire vertaling die ik bijna 30 jaar geleden heb gemaakt. Na de terugkeer van onze ouders naar Belgrado – mijn vader was diplomaat en mijn broer en ik hebben een deel van onze kindertijd en jeugd in Den Haag doorgebracht – wilde ik in contact blijven met het Nederlands, mijn eerste vreemde taal en intussen ook een beetje mijn tweede moedertaal. Ik koos toen voor een verhaal van Godfried Bomans – dat boekje hadden we toevallig in huis en Bomans was mij bekend van een televisie-interview – dat de titel droeg Reizen is thuiskomen. De ietwat norse, eenzelvige Bomans zag het reizen als een last waarvan de meerwaarde enkel daarin bestond zich des te meer op de thuiskomst te kunnen verheugen.

    In de loop der tijd heb ik echter geleerd dat het vertalen als een vorm van denkbeeldig intercultureel reizen een heel andere draai aan deze titel en aan mijn leven heeft gegeven: voor mij is het reizen een soort thuiskomen geworden. Of ik nou van Servië naar de Lage Landen reis, of in omgekeerde richting, ik kom altijd thuis omdat ik me in beide talen en cultuursferen thuis voel. Dit heerlijke gevoel van herkenning en omhelzing heb ik beslist in hoge mate aan de taal en literatuur te danken, aan schrijvers van wie ik al lezende en vertalende ben gaan houden zoals Nescio, Elsschot, Emants, Wolkers, Achterberg, Snoek...

    Daarnaast heb ik aan het mijn begripvolle, meevoelende familieleden te danken maar vooral ook aan al mijn Nederlandse, Vlaamse, Servische en ex-Joegoslavische vrienden die ik al reizende heb leren kennen en van wie ik vanavond hier velen verzameld zie. Zij zijn het die mijn intercultureel bemiddelen glans en warmte verlenen. Mijn oneindige dankbaarheid gaat uit naar al diegenen die mijn reizen tot thuiskomsten maken.



Naar de overzichtspagina

Delen