Libris Literatuur Prijs 1996

Ga direct naar

Details:

De Jury:
prof. Dr. J.A. van Kemenade, voorzitter
Wiljan van den Akker
T. van Deel
Inez van Dullemen
Marc Reynebeau

Rapport:

Er zijn vette en magere jaren, ook in de wereld van het literaire boek. Vorig jaar kon de jury uit een totaal van 188 inzendingen zonder veel moeite een eerste selectie van achtentwintig titels samenstellen; dit jaar, bij een totaal van 170 inzendingen, kon de jury het over negentien titels eens worden. Natuurlijk, het kan aan het literaire aanbod liggen, maar ook aan de jury. Aangenomen dat jury's gemiddeld eenzelfde kwaliteitseis stellen, lijkt het er toch op dat dit jaar, zoals bij de presentatie van de eerste selectie werd gemeld, wat schraal voor de bellettrie genoemd kan worden.

Dat mag allemaal vanuit een jurerende hoogte zo zijn, het meent niet weg dat er negentien boeken door ons gekozen zijn, die in principe in aanmerking kwamen voor een nominatie voor de Libris Literatuur Prijs 1996. Ten aanzien van de schrijvers van deze negentien titels wil de jury met nadruk stellen dat zij de grootste waardering heeft voor de gekozen werken en dat de keuze in geen enkel verband staat met de constatering, in het begin gedaan. Elke titel van de eerste selectie kan de jury van harte ter lezing aanbevelen en elke titel is in zijn soort de moeite waard. Het was dan ook niet eenvoudig tot een nominatie van zes te komen.

Na ampele beraadslagingen onstond overeenstemming over zes titels, die laten zien dat de jury zich in de eerste plaats heeft laten leiden door literaire normen en door een voorkeur voor wat met enige overdrijving wel "experiment" kan worden genoemd, of buitenissigheid, of eigenzinnige verbeeldingskracht.

Alle zes werken munten uit door hun bijzondere stijl, die ze tot literaire voorbrengselen van de eerste orde bestempelt. De zes door ons gekozen boeken hebben, naast hun stilistische uniciteit, ook stuk voor stuk op het compositorische vlak iets bijzonders te bieden, wat ze aantrekkelijk maakt voor ongemakzuchtige, in nieuwe literaire verschijningsvormen geïnteresseerde lezers.

Uitreikingsrapport:

Nu zo dadelijk de uitslag van het juryberaad over de winnaar van de Libris Literatuur Prijs 1996 bekend zal worden gemaakt, hecht de jury eraan vooraf nog eens te benadrukken dat alle zes genomineerde werken voor bekroning in aanmerking komen - vanzelfsprekend, anders zouden ze niet genomineerd zijn geweest. De literaire kwaliteit van alle zes titels staat buiten kijf en het is dan ook alleen omdat het nu eenmaal een wedstrijd is, met één winnaar, dat er straks één zal blijken het gewonnen te hebben. Het is bijzonder moeilijk, zo niet ondoenlijk, precies aan te geven op welke gronden de winnaar de winnaar is en de anderen daarmee dus niet. In zeker opzicht, zij het niet financieel, zijn alle zes immers winnaar: hun werk is door de jury uit een stapel van honderdzeventig boeken gelicht en deze uitverkiezing is op zichzelf al winst.

Zoals gezegd in de verantwoording van de jury bij de nominering, heeft de jury zich in de eerste plaats laten leiden door literaire normen en die boeken genomineerd die opvielen door hun verrassend en eigenzinnig gebruik van de taal en door hun ongemakzuchtige vertelwijze. Het was een voorkeur waarvan we ons van tevoren niet zo bewust waren, maar die zich gaandeweg aftekende en waarmee globaal onder woorden kon worden gebracht waarom wij deze boeken het meest bijzonder vonden; ze sprongen eruit omdat ze elk voor zich van een heel persoonlijke, onverwisselbare ambitie getuigen, een temperament dat ze opvallend maakt.

J. Bernlef, bijna een habitué onder de genomineerden, heeft met Cellojaren een rijkgeschakeerde, maar ook samenhangende verhalenbundel geschreven, in een heldere, transparante stijl, die het geheim onverlet laat van het verdwijnen, waarover het in deze verhalen vaak gaat.

De prachtig circulair gebouwde roman De heerlijkheid van Julia van Oscar van den Boogaard is een taalfeest zonder weerga, een boek waarin de levensdrift en het liefdesverlangen ook gepresenteerd worden door de soms lyrische en altijd gedreven vertelwijze.

Ook Wessel te Gussinklo heeft met De Opdracht door zijn minutieze en vertragende details uit het leven van een puber niet minder dan een monument opgericht, een zeer omvangrijke roman waarin de belevingswereld van de jongen wel iets weg heeft van een uitdijend heelal.

De bespiegelende en poëtische houding ten opzichte van de werkelijkheid die wordt ingenomen door de hoofdpersoon uit Marie Kessels' roman De god met de gouden ballen is zo verfijnd, gevoelig en sierlijk verwoord, dat haar boek alleen al daarom zo onmogelijk ongenomineerd kon blijven. Hier komt op een bijzondere manier een al even bijzondere kijk op de wereld tot stand.

Huldigingen van Alfred Kossmann is een roman die de onmogelijkheid laat zien van een biografie; heel diverse stemmen, in een caleidoscopisch ingericht verhaal, maken duidelijk dat het centrale personage steeds anders kan worden gezien en dat de persoonlijkheid-uit-één-stuk dus niet bestaat. In een elegante en ironische stijl is deze identiteitskwestie gevarieerd en lichtvoetig aan de orde gesteld.

Tomas Lieske heeft met Nachtkwartier een ingenieuze en gecompliceerde roman geschreven, waarin een geraffineerd spel met verbeelding en werkelijkheid wordt gespeeld. Ook de afwisselende compositie en de vele nevenverhalen maken deze zoektocht naar de oorsprong tot een leeservaring van de eerste orde.

Al deze zes boeken zijn, om divers redenen, maar in laatste instantie om hun grote literaire kwaliteit, de Libris Literatuur Prijs 1996 waard, maar de jury kon zich natuurlijk niet onttrekken aan de taak tot een keuze te komen van dat ene boek, die ene schrijver van de zes, die de winnaar moest zijn. Dat de jury niet unaniem tot een eindoordeel heeft kunnen komen mag, gezien het voorgaande, dan ook geen verwondering wekken.

Het is, dames en heren, een boek geworden dat stilistisch en compositorisch van een zeldzaam finesse getuigt, waarin een groot tijdsbestek met opvallend gemak wordt overspannen, een meerstemmig boek ook waarin zeer verschillende personages spreken en een glimp van hun levens tonen, een boek waarin in feite verhalen in verhalen in verhalen verteld worden rondom een hoofdpersoon die maar niet vast komt te liggen en nooit echt gekend kan worden. Een vernuftig, geestig en rijp boek. De jury, dames en heren, heeft besloten dat de Libris Literatuur Prijs 1996 toekomt aan de roman Huldigingen van Alfred Kossmann.

Winnaar

  • Alfred Kossmann - Huldigingen

    Vijf keer wordt Jacob Drent in de roman van Alfred Kossmann gehuldigd. De auteur weet op elegante en ironische wijze een buitengewoon caleidoschopisch effect te creëren door vijf verschillende personages aan het woord te laten.

    In vijf hoofdstukken krijgt de lezer steeds een ander perspectief geboden op het hoofdpersonage van het boek: de literator Jacob Drent. Iedere keer dat er meer informatie over hem wordt verstrekt, groeit echter zijn raadselachtigheid. Was deze man een erudiet letterkundige, wiens werken terecht in de publieke belangstelling stonden? Was hij aimabel in de omgang met mensen, een weldoener voor vrouwelijke refugiees? Of was hij juist een schrijver die het van plagiaat moest hebben, iemand die genadeloos anderen gebruikte en misbruikte?

    Alle personages die hem hebben gekend laten een andere Jacob Drent zien. Johan van Malle schetst hem als zijn grote voorbeeld: "Ik heb zoveel van hem geleerd dat ik hem voor eeuwig dankbaar ben." Maar hoe betrouwbaar is die informatie als we tegelijkertijd vernemen dat zijn geheugen uiterst zwak is, niet in de laatste plaats door het innemen van grote hoeveelheden alcohol? De radiomedewerkster Loes de Jong daarentegen confronteert Drent nogmaals met een plagiaataffaire en geeft hem zelfs de schuld van een zelfmoord. Het levensbericht dat de lezer helderheid moet verschaffen over Drents joodse afkomst en vooroorlogse jaren, wordt geschreven door een geleerde met een duidelijk antisemitisch verleden.

    Jacob Drent lijkt een "leeg" personage: hij is alles en niets tegelijk. Diepzinnig en oppervlakkig, vilein en sympathiek, berekend en spontaan. Met de visies die de andere personages hem geven, onthullen zij veeleer hun eigen persoonlijkheid dan die van Drent. Op een mysterieuze wijze weet deze tachtigjarige lettré bij iedere ontmoeting in zijn bezoekers angsten en frustaties naar boven te halen, zonder enige persoonlijke betrokkenheid te tonen. Hij is altijd "aanwezig", altijd imponerend, of dat nu genegenheid of afkeer oplevert. Wie naar Drent kijkt, blijkt in de spiegel te schouwen; wie met hem converseert, blijkt een monoloog op op te bouwen.

    Kossmann vlecht in zijn roman allerlei referenties aan de (literaire) werkelijkheid, zoals de flaptekst de lezer al influistert: "Dit is geen historische roman. Toch is het niet moeilijk de verzonnen personages aan de echte personen van voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog toe te voegen. De fictie had werkelijkheid kunnen zijn."

    De auteur weet in slecht 120 pagina's een mysterieuze wereld op te bouwen, met een lichtvoetige en precieze stijl vermoedens en tragiek op te wekken. Hij toont zich opnieuw een volleerd romancier.

Genomineerd

  • Bernlef - Cellojaren

    Rapport Bernlef:
    "Als ik iets geleerd heb is het dat er sensaties zijn die wij niet kunnen beschrijven, ogenblikken waarop het lichaam het van ons overneemt en wij met stomheid worden geslagen. Of moet ik zeggen met stompzinnigheid?" Het zijn de woorden van de schrijver Beaumont, de hoofdrolspeler in het verhaal "Het blauwe potje". Het zou een motto hebben kunnen zijn van de bundel waarin het staat: Cellojaren van J. Bernlef.

    De negentien verhalen die de bundel telt, zijn even zovele pogingen om het ongrijpbare vast te leggen. De hoofdpersonen lijken in een constante strijd gewikkeld om greep te krijgen op wat zich als "de realiteit" voordoet. Maar zijn de dingen zoals ze zijn? Wat is de betekenis van de werkelijkheid? En als er al zoiets als een betekenis te ontdekken valt, hoe is die waar te nemen en vooral: hoe is die vast te leggen?

    Bernlefs wereld wordt gekenmerkt door paradoxen. Enerzijds is er de onkenbare werkelijkheid die niet in woorden of schilderijen is te vangen. Anderzijds zijn taal en verf soms wel degelijk in staat een nieuwe, eigen werkelijkheid te scheppen, die uitstijgt boven wat we kunnen waarnemen.
    Om zijn personages te confronteren met het ultieme raadsel plaatst Bernlef hen vaak in concrete omgevingen: steden die opnieuw worden bezocht, kamers waar de voorwerpen de aanwezigheid van de afwezige eigenaar uitstralen. Het personage uit het verhaal Het begin van tranen ziet zijn overleden vrouw voortdurend opdoemen uit elk gebruiksvoorwerp dat zij ooit heeft aangeraakt: "Ieder ogenblik konden ze losbarsten in een orkaan van anekdotes." Zelfs een complete ontruiming van zijn huis geneest hem niet van wat de psychiater met een eenvoudig woord betiteld als "zinsbegoocheling". Pas de daadwerkelijke aanraking van een vrouw roept een halt toe aan zijn tocht naar de complete krankzinnigheid.

    In het korte, meesterlijke verhaal Marthe lijkt de kunst het van de werkelijkheid te winnen. De schilder Pierre Bonnard heeft zijn vrouw, tevens zijn model, in schilderijen en op foto's een eeuwige jeugd weten te schenken en daarmee tegelijkertijd een essentie die niemand in de werkelijkheid kon waarnemen: "De Marthe op zijn schilderijen was al lang ieder gesprek, iedere chronologie ontstegen."

    Het draait in de verhalen van Bernlef om aanwezigheid en afwezigheid, om wat waarneembaar is en wat vermoed kan worden, om het verleden dat plotseling zichtbaar wordt, maar dat zich tegelijkertijd onttrekt aan het bevattingsvermogen, om vergeten en herinneren. En altijd gaat het tevens om de pogingen datgene waar te nemen en vast te leggen wat zich in de laatste instantie niet laat waarnemen of vastleggen.

    In Cellojaren tekent Bernlef, in heldere, transparante stijl en met een uiterst precieze pen, werelden die verdwijnen terwijl je ernaar kijkt.

  • Oscar van den Boogaard - De heerlijkheid van Julia

    Rapport Oscar van den Boogaard:
    "In dit ene leven moet je al je verlangens waarmaken", zegt het hoofdpersonage in de roman De heerlijkheid van Julia van Oscar van den Boogaard. En dat is ook wat Julia probeert te doen, een heel leven lang, in tegenstelling tot haar goedige echtgenoot, die zijn wensen te weinig au sérieux neemt en daardoor altijd "een architect van luchtkastelen" blijft. Julia wil ze echt bouwen. Wat haar drijft is vooral het verlangen om tegengestelden te laten versmelten, om noodzakelijke complementen samen te brengen, man en vrouw bijvoorbeeld, om scheidingslijnen op te heffen, uiteindelijk om haar verbeeldingswereld met de werkelijkheid te verzoenen. Het verlangen daartoe is niet willekeurig. Het ligt ingebed, zoals het openingscitaat van Gombrowicz al aangeeft, in een visie waarin mensen slechts bestaan in de weerspiegeling in anderen, waarin ze slechts realiseren in hun onderlinge relaties.

    Het verlangen dat daaruit voortvloeit lijkt op het streven naar een unio mystica, en De heerlijkheid van Julia vertoont inderdaad uitgesproken mystieke en extatische elementen. De manier waarop Van den Boogaard daar literair vorm aan geeft, heeft echter niets zwijmelends of gewichtigs. De toon blijft lichtvoetig, de stijl is associatief, beeldrijk en soepel, en dat vertoont een grote wendbaarheid. Van den Boogaard schrikt evenmin terug voor fantasie of onorthodoxe beelden, bijvoorbeeld wanneer hij Julia op eigen kracht vliegtochtjes laat ondernemen of wanneer hij haar dochter op een perfecte manier vergelijkt met een product uit het Ikea-aanbod.

    De soms chaotische warreling van gegevens, gesprekken en gebeurtenissen vindt altijd een tegenpool in de met grote precisie geëvoceerde context, onder meer in de lokatie - het Vlaams-Brabantse Pajottenland - of realia als de dood van de Belgische koning Boudewijn.

    Achter de ogenschijnlijke grilligheid en lichtvoetigheid van het boek schuilt een hechte samenhang in constructie. Van den Boogaard giet Julia's verhaal allerminst in een dwingende chronologische lijn, zoals hij er kennelijk ook niet op uit is de lezer constant bij het handje te houden. Hij brengt de eenheid van de roman louter met literaire middelen tot stand. het boek vertoont een elliptische structuur, waarbij het einde weer aansluit bij het begin, terwijl kleine echo-effecten - het geregeld terugkeren van gelijkaardige motieven - de diverse episodes van het gefragementeerd vertelde verhaal aan elkaar rijgen.

    Met De heerlijkheid van Julia heeft Oscar van den Boogaard een curieus, eigenzinnig en nauwelijks met andere romans vergelijkbaar boek geschreven.

  • Wessel te Gussinklo - De opdracht

    Rapport Wessel te Gussinklo:
    Met de De opdracht heeft Wessel te Gussinklo een weerbarstige, hallucinerende roman geschreven over de veertienjarige puber Ewout, die in de jaren vijftig enkele weken doorbrengt in een vakantiekamp op de Veluwe. Het boek munt uit door de obsessieve en vertragende stijl van de schrijver en opent met een indringende beschrijving van een fietstocht door een stoffig zomerlandschap.

    De lezer wordt binnengeleid in de overspannen puberale gedachtewereld van de vaderloze Ewout - een wereld die gevuld is met obsessies. Hij wil zich manifesteren als een belangwekkende persoonlijkheid, maar is behept met grootheidswaan en spiegelt zich aan persoonlijkheden als Roosevelt, Churchill en Hitler. Gesterkt door de gedachte dat ook deze grootheden ooit miskend zijn geweest, probeert hij zijn kampgenoten te imponeren met citaten en snedige antwoorden, die hij voor de spiegel heeft ingestudeerd.
    Toch wordt hij voortdurend geconfronteerd met angsten: "Alles was reusachtig, het bestaan, de wereld, het leven, het was prachtig en overweldigend - en tegelijkertijd was het onherbergzaam, was het kil en meedogenloos."

    Voortdurend schat Ewout zijn gedragingen en het effect daarvan op zijn kampgenoten verkeerd in. Met zijn waanwijze en enigszins fascitische getinte betogen en zijn geforceerde grapjes oogst hij geen succes. Integendeel: bespot en geminacht wordt hij de risee van het kamp. Zijn aan verliefdheid grenzende adoratie voor een van de kampleiders uit zich in opdringerig gedrag; ook met meisjes weet hij zich geen raad, ze obsederen en beangstigen hem. In zijn verdwazing weet hij zich steeds opnieuw in onmogelijke situaties te manoeuvreren. Hoogtepunt vormt de scène waarin hij een verlaten meisjesbarak binnensluipt en, betoverd door de verleidelijkheid, enkele b.h.'s en broekjes steelt. In een onbegrepen neiging tot travestie trekt hij een van de slipjes aan en vlucht daarmee, zodra hij stemmen hoort, het bos in. Wanneer hij opgejaagd en achtervolgd uiteindelijk betrapt en vastgepakt wordt, is zijn vernedering compleet. Ten overstaan van de gehele kampbevolking heeft hij zich onsterfelijk belachelijk gemaakt.

    In zijn pathetiek en verbale herhaaldrift werkt Te Gussinklo's taal traumatiserend; met groot gevoel voor detaillering geeft hij aan de monomane denkwereld van Ewout gestalte. Als in een slaap-waaktoestand - op de rand van een nachtmerrie - hamert een woordenvloed binnen het hoofd van Ewout, waarbij het ongewoon trage verteltempo in hoge mate bijdraagt aan de fascinatie die van deze geschiedenis uitgaat. De held, of antiheld, is ronduit onsympathiek, maar door de intensiteit van de beschrijving ontstaat een onontkoombare betrokkenheid bij diens wederwaardigheden.

    In zijn gedreven stijl heeft Wessel te Gussinklo met een magische schijnwerper de dwangneurotische binnenwereld van een halfvolwassene belicht en daarmee de kwellingen waaraan een puber bloot kan staan op unieke wijze verwoord.

  • Marie Kessels - De god met gouden ballen

    Rapport Marie Kessels:
    De drie romans die Marie Kessels tot dusver heeft geschreven, spelen zich af in een beperkte ruimte. In Boa (1991) was dat een klein huis, waarin een vrouw zit te wachten op de komst van haar minnaar. In Een sierlijke duik (1993)staat de hoofdpersoon vijfentwintig uur per week naakt te poseren in een kunstacademie. De thans genomineerde roman De god met de gouden ballen speelt zich goeddeels af in de nauw omsloten ruimte van een stationkiosk. Het lijkt erop dat Kessels met die ruimtelijke verkleining haar mogelijkheden wil vergroten om de innerlijke ruimte van haar vrouwelijke hoofdpersonen aan bod te laten komen. Het is haar erom begonnen zo lang mogelijk te blijven stilstaan bij ook het geringste dat haar personages zien, ervaren en denken.

    De jonge vrouw heeft vanuit haar kiosk maar een klein blikveld. Dat deert haar in het geheel niet, het oefent juist haar vermogen om diep op de verschijnselen in te gaan: "Iedere dag zie ik nieuwe details en ieder detail prent ik in mijn geheugen om het nooit meer te laten verdwijnen." Ze wil de herhaling zo grondig ontleden en beleven dat die uiteenvalt in de eenmaligheid van het momentane.

    Behalve een sensitieve roman over de beleving van de werkelijkheid is De god met de gouden ballen een eigenzinnige liefdesroman. Op een dag verschijnt de langverhoopte "scheepsbouwer" aan haar loket, een fascinerende, oude man die een uiterst actief en extrovert leven achter de rug heeft en dus als tegenpool bijzonder welkom is. Aan hun versmelting worden prachtige passages gewijd; zij zijn als inhoud en vorm voorwaarde voor elkaar. In feite is de passie van de jonge vrouw de keerzijde van haar introverte en besloten bestaan, zoals dat wordt gesymboliseerd door de kiosk. Haar vergeestelijkte leven krijgt in de liefde een lichamelijke vorm.

    Het bijzondere van deze roman is niet gelegen in de gebeurtenissen of het verhaal, maar in de stijl van vertellen, die bespiegelend is. Het kan bladzijden lang over de mond gaan, over het kussen of vrijen met de mond, over de rol die de tong daarbij speelt, over te drinken geven en het geluid van doorslikken. Of over de lichtval in de stationshal, hoe die zich in de loop van de dag voortdurend wijzigt. Of over de soorten handen die in het loket hun geld neertellen. De stijl van Marie Kessels - verfijnd, gevoelig en sierlijk - geeft een nieuwe, originele kijk op de wereld.

  • Tomas Lieske - Nachtkwartier

    Rapport Tomas Lieske:
    Nachtkwartier van Tomas Lieske is een bijzonder ingenieuze en gecompliceerde roman, waarin een geraffineerd spel met verbeelding en werkelijkheid wordt gespeeld. Oppervlakkig beschouwd lijkt het een reisverhaal, dat de belevenissen vertelt van de hoofdpersoon op een reis door oostelijk Turkije, maar in feite is het een zoektocht naar de oorsprong. Degene die deze tocht onderneemt is half van Nederlandse, half van Turkse afkomst, wat hem al dadelijk tot een ontheemde maakt, tot iemand die geen thuis heeft en zich altijd tussen twee vaderlanden voelt, vervreemd van beide.

    Michael Günes heeft Lieske hem genoemd. Hij woont in Nederland, is getrouwd met een Nederlandse en beroepsmilitair. Zelf voelt hij zich volkomen Nederlander, maar dat is maar schijn: als hij met een militaire delegatie in Ankara moet praten over plaatsing van wapensystemen, plakt hij er een tocht aan vast naar het oosten van Turkije, onder mom naar ooievaars te willen kijken. Die ooievaars vormen een belangrijk motief in de roman: ze zijn trekvogels, die elk jaar van hun overwinteringsplaats naar hun broedplaats vliegen, migranten zou men kunnen zeggen.

    Het is niet alleen het Turkijke van zijn voorouders of het Turkse in hemzelf waarnaar Günes op zoek is, het is blijkens de richting waarin hij reist veeleer het algemeen menselijke begin, de paradijselijke toestand die hij wil vinden. Dat is op te maken uit het feit dat hij in de streek komt waar traditioneel de hof van Eden wordt gesitueerd. Maar het paradijs is in deze roman niet van lange duur; al spoedig verkeert Günes in de realiteit van moord en doodslag, zoals in oostelijk Turkije, waar hij terechtkomt in de Turks-Koerdische oorlog. Het is alsof Lieske wil zeggen dat de uitdrijving uit het paradijs in directe relatie staat tot het voeren van oorlog.

    Rijk gestoffeerd is de roman, ook wat de personages betreft. Op zijn tocht komt Günes mensen tegen die in een spiegelbeeldige relatie tot hem staan en die hem ervaringen bezorgen waar hij, eenmaal weer terug, nauwelijks over kan en wil spreken. Tragische ervaringen, die zijn hele onderneming ook bijna in een andere wereld, die van de verbeelding plaatsen.

    Nachtkwartier gaat, op wonderlijk samenhangende wijze, over heel veel tegelijk: over liefde, binding, kinderen, kiezen, toekomstverwachting. Wat naast het hoofdverhaal en de vele nevenverhalen (zoals de prachtig vertelde geschiedenissen van Günes' familie, van vaders- en moederszijde) treft, is de afwisselende compositie van het geheel. Ook in zijn wijze van schrijven laat Lieske merken dat hij een dichter is: hij houdt van beeldende beschrijvingen en kiest zijn woorden zorgvuldig en verrassend. Het taalgebruik is daarom ook één van de grootste verdiensten van dit ernstige en tegelijk sprankelende boek.

Naar de overzichtspagina

Delen