Libris Literatuur Prijs 1998

Ga direct naar

Rapport:

Een jury van de Libris Literatuur Prijs is een geïntensiveerde leesclub. Je praat met elkaar over heel veel boeken, maar - in tegenstelling tot de gewone leesclub - dat gepraat is niet vrijblijvend. Bij gewone leesclubs wordt meestal niet bewust gestreefd naar een zo groot mogelijke diversiteit van de deelnemers. Volgens mij hebben de samenstellers van deze jury dat wel gedaan. Daardoor waren de discussies bijzonder heftig. Gelukkig werden de tegenstellingen nooit zo groot, dat er niet meer werd geluisterd naar argumenten. Bij alle leden van de jury was voortdurend het besef aanwezig dat we met meer bezig waren dan uitsluitend met de promotie van favoriete boeken of van het eigen gelijk. Dat bewustzijn bleek onder andere toen we bij het samenstellen van de "longlist" een vrij groot aantal boeken presenteerde.

Nadat we uit het aanbod van 176 boeken een eerste selectie hadden samengesteld van 25 titels, kwam de volgende fase: de nominaties voor de "shortlist". Het proces van verdere reductie was vaak pijnlijk. Boeken die ons zeer dierbaar waren, moesten nu vallen. Het meeslepende verhaal van Jan Brokken, De droevige kampioen, het erudiete boek van Louis Ferron, Tinpest, de fascinerende verhalen van Willem G. van Maanen in Vrouw met Dobermann en het eerste deel van de "roman-fleuve" van Hans Hansma Marinus, Een druppelvormig plein. Uiteindelijk brak het moment aan waarop uit de eerste selectie de zes nominaties moesten worden bepaald. Emoties en argumenten die tot dan toe nog niet aan de orde waren geweest, kwamen toen naar buiten. Wie zichzelf een literaire drukpan wenst, kan gelukkig worden wanneer hij voorzitter van de jury van de Libris Literatuur Prijs mag zijn.

De jury:
Henk van Os (voorzitter)
Hermine de Graaf
Willem Kuipers
Annemiek Neefjes
Ronald Soetaert


Winnaar

  • J.J. Voskuil - Plankton

    Lezers van Voskuil willen weleens navertellen wat ze gelezen hebben. Dat lukt niet. Ze grijpen al vlug naar het boek zelf om eruit voor te lezen. En dat is dan wel het allermooiste compliment voor de schrijver.

    Lezers van Voskuil willen dus weleens een fragment voorlezen om te laten horen hoe goed Voskuil wel is. Dat lukt vaak niet. Ze lachen midden in een passage - en ze zien aan de verbaasde ogen van de luisteraar dat het niet echt overkomt. Ze duwen de luisteraar dan maar het dikke boek in handen en vertellen erbij dat hij of zij het zelf maar moet lezen. Ja, het hele boek en de andere delen ook. En dat is dan weer een mooi compliment voor de schrijver. Tja, het zijn dikke boeken. Voskuil is een schrijver van een lange adem, amar dat heeft hij nodig om adembenemend te zijn. En als de lezer dan ademloos het boek dichtslaat, vraagt hij zich af: waarom bleef hij lezen? Waarom is deze roman zonder plot zo spannend als een detective? Waarom is zo veel naargeestigheid zo geestig? En zoveel geestigheid ook zo serieus?

    Dat moet wel de schok van herkenning zijn. Met "herkenning" moeten we hier wel voorzichtig zijn, want dan lijkt het net alsof de jury de derde aflevering van Het bureau aanprijst als een sleutelroman. Een nominatie voor een afrekening? Een beetje wel, maar dan wel een afrekening van de schrijver met zichzelf en met ieder van ons. Een nominatie voor het zorgvuldige antwoord op de vragen: Wat is er van ons geworden? Wat is de zin van dit alles?
    Gyorg Konrad schreef: "Op de vraag naar de zin van het leven antwoordt iedereen met zijn levensloop."

    Het verhaal van Maarten Konings leven speelt zich af op en rond het Bureau. Dat bureau zou evenzeer het hoofdpersonage van deze romancyclus genoemd kunnen worden, met het personeel als figuranten. Wij volgen hun doen en laten, hun handelingen en conversaties, de codes die hun leven bepalen... Maarten Koning observeert en registreert de rituelen en presenteert ze als miniaturen, als stillevens waarin kleine verschuivingen van voorwerpen en woorden grote gevolgen hebben. Voskuil toont zich een meester in het weergeven van dialogen. Die conservaties zijn het omgekeerde van de geforceerde one-liners in de soaps, hoewel bij nader inzien vele scènes onnadrukkelijke pointes bevatten.

    De werkelijkheid blijkt onvoldoende absurd. Maar we beseffen dat in de literatuur een werkelijkheid gecreëerd wordt. We beseffen dat goede verhalen alleen mensen overkomen die ze kunnen vertellen. Voskuil heeft een vorm gevonden om een wereld op te roepen die zo makkelijk aan onze aandacht ontsnapt. De schrijver lijkt een antropoloog, of beter een etnograaf, die niet alleen onderzoekt maar ook participeert. Of wie weet kan zijn werk wel beschreven worden als een vorm van volkenkunde.

    Of deze roman nu getypeerd wordt als sleutelroman, bekentenisliteratuur of therapie was voor de jury niet van belang: de betekenis van Voskuils werk ontstijgt deze categorieën en ook de anekdote tout court. Zoals "Kaas of geen Kaas" voor Elsschot uiteindelijk neerkwam op "to be or not to be", is het Bureau voor Koning meer dan een instituut... Het is het leven zelf. Inderdaad zoals Voskuil getuigde: "Ik schrijf geen autobiografie, ik zoek de oplossing voor een autobiografisch probleem." We beweren niet dat Voskuil dé oplossing gevonden heeft, we hebben wel ervaren dat hij het probleem tastbaar, "leesbaar" en daardoor een beetje "leefbaar" gemaakt heeft. En dus de lezer een beetje bevrijdt, wat minder "plankton" van ons maakt.

    Juryrapport winnaar Libris Literatuur Prijs 1998

    Wie de Neerlandicus Maarten Koning - het alter ego van de schrijver J.J. Voskuil - tot nu toe heeft gevolgd op zijn levensweg in de delen van Het bureau die zijn verschenen, zal veel hebben herkend. Zowel thuis, met Nicolien zijn vrouw, als op het instituut voor volkenkundig onderzoek waar Maarten Koning in de jaren vijftig begint te werken, treffen wij hem regelmatig onder omstandigheden aan, die ons niet geheel vreemd voorkomen. Met name de bureaucratie waardoor het werk van de wetenschappelijke ambtenaren wordt gekenmerkt, levert taferelen op die menigeen als 'uit het leven gegrepen' zal ondergaan.
    Maar met 'herkenning' is het, literair gesproken, vreemd gesteld. Hoe is het mogelijk, kan men zich afvragen, dat wij als buitenstaanders, die nooit een voet binnen dit bureau hebben gezet, daar zoveel zien gebeuren dat ons zo vertrouwd voorkomt? Voskuil heeft door tot op zekere hoogte afstand te nemen van de werkelijkheid, deze naar zijn hand kunnen zetten, haar symbolisch gemaakt, betekenis gegeven aan het onbetekenende, op een manier die de lezer in staat stelt zichzelf in het verhaal terug te vinden. Herkenning is in die zin ontdekken wat je eigenlijk al wist.

    Toch is er met deze cyclus, de roman Plankton inbegrepen, iets meer aan de hand. Vanzelfsprekend kwamen in het jurygesprek de andere, reeds verschenen delen van Het Bureau ter sprake - Meneer Beerta en Vuile Handen - omdat Plankton daarvan niet los gezien kan worden. De jury merkte dat aan de waardering voor Plankton het hebben gelezen van de eerder verschenen afleveringen van de cyclus zeker bijdroeg en - zegt zij met genoegen - zij ziet uit naar de delen die ons nog wachten.

    Een belangrijk punt in het overleg was, dat Voskuil er met zijn omvangrijke reeks - inclusief Plankton dus - in slaagt een beeld te geven van het leven in de jaren vijftig en zestig, dat op overtuigende wijze een existentieel probleem blootlegt. Meer specifiek: de onmacht om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer, maar het desondanks wel doen. Dat gaat zelfs nog verder: aan de hand van de personage Maarten Koning weet Voskuil die onmacht tegelijkertijd te preciseren en uit te vergroten. Dat is de spanning die in al zijn boeken zit, ook in Plankton.

    In de visie van Maarten Koning op het werk dat door hem - en anderen - op Het Bureau moet worden gedaan (bijvoorbeeld het beruchte onderzoek naar 'de nageboorte van het paard') zit een verlangen naar 'zin' verborgen. Koning is niet, zoals zijn vrouw Nicolien - die zich achter hem kan verschuilen-, iemand die zich afzijdig houdt, die niet deelneemt en zich niet druk hoeft te maken om allerlei praktische kwesties van het bestaan, integendeel, hij maakt zich juist veel te druk, weliswaar niet zozeer om het werk of de mate waarin hij zich daarin kan 'realiseren', maar om dingen die in de miezerige werkelijkheid waarvan hij deel uitmaakt veel te veel gevraagd zijn: rust en geen concessies hoeven doen aan zijn eigen waarheid.

    Het zijn uiteindelijk vooral zijn eigen beperkingen, zijn eigen angsten en tekortkomingen, die hem verhinderen tot een mogelijkerwijs 'geslaagd leven' te komen. Dat besef houdt een vorm van verzet in: het benadrukken van de 'lulligheid' van de dingen die hij moet doen. Die relativering, die die speciale Voskuil-humor oplevert, tilt de pure anecdotiek, waaraan zoveel egodocumenten van de laatste jaren bezwijken, naar een ander plan. Humor is de hoogste vorm van tragiek, en als er iets is wat Voskuil met zijn reeks onweerlegbaar op de lezer heeft overgebracht, is het dat inzicht.

    Voskuil heeft de werkelijk, zijn werkelijkheid, tot en met gefictionaliseerd. In zijn cyclus ondergaat die werkelijkheid - die wij niet kennen - een metamorfose. Het Bureau is niet zomaar het instituur waar Voskuil heeft gewerkt, maar zijn schepping. Het bestaat, dankzij hem, in taal. En al moge de indruk gewekt worden dat het hele levensverhaal van Maarten Koning bestaat uit reële, controleerbare feiten, in wezen is er sprake van een omvangrijk archief van emoties. De hoofdpersoon, en alles wat hem overkomt, wat hij bepeinst of droomt, is een veld van gevoeligheden, ergenissen, frustaties en ja, ook liefde. Voskuil geeft daarmee een haarscherp portret van een individu dat worstelt met de soms letterlijk angstaanjagende tegenstelling tussen wat hij wil of kan zijn en wat hij moet doen om te midden van anderen te kunnen fuctioneren.

    Die niet te overbruggen kloof tussen de enkeling en zijn omgeving is door Voskuil met zijn verbeelding van een kwetsbare figuur als Maarten Koning - die zijn eigen tekortkomingen niet onder stoelen of banken steekt - trefzeker gethematiseerd. In het onheroïsche bestaan van een doodnormaal kantoorleven krijgt Koning waarachtig de trekken van een held, een tragische held, omdat hij zijn lot van een zinloos bestaan, waaraan hij zich niet kan onttrekken, onder ogen ziet. In dat opzicht is Koning zelfs een held van deze tijd. Omdat geen religie, geen politiek idealisme of maatschappelijke bevlogenheid nog langer een uitweg kunnen zijn.

    Bij zo'n verhaal past de vorm die Voskuil heeft gekozen. Juist in de precieze documentatie van de dagelijkse trivialiteit, ontpopt hijz ich als een schrijver, die door een drang naar waarheid wordt voorgestuwd. Hij pepert de lezer als het ware in dat dit, en niets anders, het leven is. Dat hij dit doet door middel van een persoon, die je soms de keel uithangt, zo treiterig volhardend als hij is in zijn motterige bespiegelingen, maakt de roman alleen maar overtuigender. Als Voskuil wraak heeft willen nemen op P.J. Meertens Instituut, zoals wel is geopperd, dan is het niet op het onbenul waarmee hij zijn hele arbeidzame leven lang dagelijks te maken had, maar op het leven zelf. Zo houdt hij ons een spiegel voor en kreeg het instituut meer dan het misschien in de ogen van Koning verdiend zal hebben: het werd letterlijk vereeuwigd.
    Voor de meerderheid van de jury van de Libris Literatuur Prijs was Plankton, ondanks de heftige discussie die over deze roman (en de hele cyclus) gevoerd werd, het allerbeste boek van 1997. Met recht kun je zeggen dat Voskuil zich met dit deel uit zijn reeks opnieuw in zijn 'beperking' een 'meester' heeft betoond.

Genomineerd

  • Arnon Grunberg - Figuranten

    Rapport Arnon Grunberg:
    De veronderstelling dat Figuranten van Arnon Grunberg een in trendy Angelsaksische stijl geschreven schelmenroman is, wordt gelogenstraft zodra de lezer inziet dat de overmoedige, avontuurlijke levenswijze van de hoofdfiguren ze tot diepzinnige en tragische helden maakt. Ze hebben niet het talent om hooggestemde ambities in de toneelwereld waar te maken; ze mislukken dan ook jammerlijk. Tegen beter weten in wordt geprobeerd toneelplannen te realiseren en met een navrant gevoel voor humor worden talloze gebreken gecompenseerd. Humor is zowel de metafoor voor het onzegbare als het gecultiveerde afweermechanisme tegen destructie, ondergang en doodsangst. Op een onweerstaanbare praattoon wordt de lezer bij elke gebeurtenis betrokken en tot het verhaal veroordeeld. Uit het hilarische drama ontsnappen is na lezing van enkele pagina's al niet meer mogelijk.

    De roman die opgezet is als raamvertelling, is een terugblik op de geschiedenis van drie jonge mensen in Amsterdam-Zuid, verteld door Ewald Stanislas Krieg. Hij woont inmiddels in New York en is makelaar geworden. Als hij iets van zijn Amsterdamse periode heeft geleerd, dan is het wel dat hij ervoor moet zorgen dat zijn fantasieën nooit werkelijkheid worden. Ewald Krieg vertelt hoe hij met Elvira Lopez en Michael Eckstein op zoek ging naar een groots en meeslepend leven. Michael Eckstein (Broccoli) is de gangmaker. Steeds opent hij nieuwe perspectieven op hun weg naar een alternatieve Marlon Brandon en een nieuwe Marilyn Monroe. De megalomane Broccoli sleept de andere twee mee van het ene avontuur naar het andere. "Ik ben een wonderkind. Op mijn achtste hebben ze het ontdekt, toen heb ik vier jaar lang op het dakterras moeten zitten om viool te spelen. De buren richtten hun tuinslang op me, maar daar ging ik alleen maar mooier van spelen." Elke keer een vlieger oplaten die niet vliegen wil.

    Jaap Goedegebuure schreef erover: "Figuranten is een dolwanhopig en hartverscheurend grappig boek." Overgetelijke scènes, zoals die van het condoom in Elvira en van vader Eckstein aan het strand. De lezer kent zijn hoofdrolspelers, die het niet verder brengen dan figuranten, al vrij snel erg goed. Wat dat betreft had het boek met veel minder bladzijden toegekund. Maar hij wil weten wat dit trio, deze vereniging van miskende genieën, nog meer meemaakt, al is het alleen maar omdat hij dan zulke prachtige types tegenkomt.

    In Grunbergs debuut Blauwe maandagen eist één hoofdfiguur vrijwel alle aandacht op, maar in Figuranten zijn er drie fascinerende hoofdrolspelers en ook de bijrollen zijn goed bezet. We kennen onze Broccoli's, maar ook vader en moeder Eckstein schuiven regelmatig aan wanneer je voor het concert in het Concertgebouw nog even bij Keyzer gaat eten. Af en toe zie je uit het raam mevrouwen Meeschwam of mijnheren Bercowicz voorbijlopen. Grunbergs figuranten kleuren de werkelijkheid. Veel meer kan literatuur niet doen.

  • Geerten Meijsing - Tussen mes en keel

    Rapport Geerten Meijsing:
    Tussen mes en keel van Geerten Meijsing beschrijft een hellevaart die past in een romantische traditie; het is het geposeerde verhaal van een schrijver in wiens leven zich, als een gif een manische depressie inbijt. De schrijver Erik Provenier drijft zichzelf tot krankzinnigheid. Hij kan niet anders, en er is geen weg terug, maar je vraagt je al lezend af of hij die gang niet ook maakt als experiment, om te zien hoe ver hij kan gaan, als een ultieme uitdaging aan het leven. De spanning die de roman opwekt bestaat er onder andere uit dat de langzame en ontluisterende neergang van Provenier door Meijsing haarscherp wordt gadegeslagen en beschreven.

    Wat Tussen mes en keel zeer hedendaags maakt, is dat Meijsing de medische wetenschap erbij betrekt. Als hij Provenier verslag laat uitbrengen van psychiatrische studies, is dat interessant omdát het gepaard gaat met Proveniers bewustwording dat zijn manische en destructieve gedrag weleens symptomen van een ziekte zouden kunnen zijn. De romantische poëzie van het kwellend kunstenaarsgemoed en de prozaïsche mogelijkheid van een fysiologische stoornis komen hier tegenover elkaar te staan. Proveniers worgende strijd tussen een geposeerde houding en banale maar werkelijke gevoelens, tussen gespeelde en gevoelde emoties, brengt in de roman veel beschamende momenten met zich mee, door Meijsing zonder gêne beschreven en juist daarom zo doeltreffend. Provenier doet een aantal zelfmoordpogingen, raakt verslaafd aan de drank, verloedert, verlaagt zich tot de positie van stalker bij zijn ex-vriendin, houdt vrienden bij wijze van spreken gegijzeld door ze voortdurend telefonisch lastig te vallen. En waar hij aan het begin van de roman niet aan zou moeten denken, gebeurt: hij bezoekt een psychiater en laat zich tot tweemaal toe vrijwillig in een psychiatrische kliniek opnemen. Tussen mes en keel is het verhaal van kaalslag van een egomaan leven.

    Meijsing schrijft, hoe troebel Proveniers gemoedstoestand ook is, met helder precisie: het boek is klinisch in zijn observaties, maar lyrisch of zelfs koortsachtig in stijl. Hij verliest de artistieke vorm geen seconde uit het oog. Je zou kunnen zeggen dat terwijl Provenier het masker van de esthetica moet laten vallen, Meijsing dit masker in zijn vertelling weer opraapt. Daarom leest als een uiterst persoonlijk boek dat als een artistieke creatie een boek voor iedereen is.

  • Nelleke Noordervliet - Uit het paradijs

    Rapport Nelleke Noordervliet:
    De roman Uit het paradijs van Nelleke Noordervliet heeft een intrigerend begin: "Ik heb mijn moeder gezien. Ze is al meer dan dertig jaar dood. Toch was ze het. Vannacht gaf ze mijn halfbroer en mij een lift in een Dyna Panhard 1952." Hiermee heeft Noordervliet met glans de lakmoesproef doorstaan: eerste zinnen moeten essentiële elementen van het verhaaluniversum in zich dragen.

    De daarop volgende geheimzinnige vraag: "Heb ik haar gezien of heb ik haar bedacht?" geeft aanleiding tot een niet alleen indringend, maar ook liefdevol portret van een moeder wier leven een duister en dramatisch einde nam. De gewekte spanning en verwachting worden in de loop van de roman vaardig ingelost. De lezer ziet de moeder opdoemen als ijdele vrouw die de hele ochtend haar pony krult, en dit beeld is niet meer uit te wissen als ze haar lippen stift terwijl ze naar banale liedjes van Doris Day luistert. Het is een narcistische vrouw die zich voorgenomen heeft beroemd te worden. Zodra ze kans ziet haar lot te verbeteren trouwt ze met een bioscoopeigenaar, om deze vervolgens te verruilen voor een rijke telg uit een katholieke Brusselse fabrikantenfamilie. Spoedig blijkt echter dat haar wezenlijke kracht is gelegen in dagdromen.

    Uit het paradijs raakt de kern van een bestaan in de dalende levenslijn. De meeste mensen worden omstreeks het veertigste levensjaar immers geconfronteerd met het verleden en met de resultaten van het eigen gedrag. De balans wordt opgemaakt. Een dergelijk proces is des te wranger als je je, zoals de hoofdpersoon, nergens welkom hebt gevoeld en nooit gewaardeerd bent. Een op het eerste gezicht onbelangrijke gebeurtenis, maar één die uiteindelijk de catharsis tot gevolg zal hebben, is een logeerpartij bij de hoofdfiguur van de halfbroer met zijn vrouw en dochter. Deze bloedverwant blijkt de herinneringen van de ik-figuur niet te herkennen; er blijkt zelfs niet eens een gezamelijke geschiedenis te bestaan die beide levensverhalen kan verbinden. Het pathologische denkbeeld dat de moeder haar zoon dertig jaar na haar dood een lift in de auto heeft gegeven, bestaat natuurlijk alleen in het hoofd van David Berk. Hij probeert door ze te tekenen de demonen uit te drijven, om ze binnen de lijnen van zijn artistieke werk in bedwang te houden.

    De basisidee die de scènes in Berks huis en die in zijn herinnering bindt, is dat verklaringen de schijn wekken dat het leven zich aan regels en afspraken houdt. De duivelsuitdrijving wordt vorm gegeven volgens een dynamiek die in behandelkamers van psychiaters wordt gehanteerd: omdat mijn moeder een nymfomane droomster was, heb ik een nare jeugd gehad etc. De neurose wordt weer eens van de ene generatie aan de volgende doorgegeven. Met de hoofdfiguur vraagt de lezer zich af of dit soort verklaringen een niet al te makkelijk excuus vormen en of het leven uiteindelijk niet beter gestalte gegeven kan worden door vrije wilsbeschikking.

    Uit het paradijs is een intrigerende roman, die behalve ideeënrijkdom degelijke compostie, spanning en vaardig taalgebruik biedt. De stijl is beeldend, trefzeker en op maat van de problematische karakters gesneden. Uit het paradijs sluit op een eigentijdse manier aan bij het beste dat literatuur over het archetypische thema de erfzonde te bieden heeft.

  • Helga Ruebsamen - Het lied en de waarheid

    Rapport Helga Ruebsamen:
    Het lied en de waarheid van Helga Ruebsamen is een waardevolle aanvulling op de Indische letterkunde. De roman past echter evenzeer in de traditie van de oorlogsliteratuur. Met empathisch inzicht en psychologische precisie, vanuit het magische perspectief van het meisje Louise Benda, wordt de geschiedenis van een familie verteld. De vader is een joodse arts, de indolente moeder is thuis zonder zich om de huishouding te hoeven bekommeren, want daar zijn immers de bedienden voor. De eerste jaren in Indië zijn doortrokken van het animistische denken dat jonge kinderen kenmerkt. De waringin in de tuin is een gestorven prins, de bron in de buurt is zijn bedroefde prinses; zo kunnen zij elkaar voor altijd horen en zien. De moeder, tante en vader zijn als het ware tovenaars met hun geheimzinnige tafeldansen, toverformules en vreemde fluisteringen. Deze wijze van observeren versterkt de authenciteit van de wereld van het jonge kind, die nergens nostalgisch wordt beschreven maar als een toverachtige werkelijkheid wordt gepresenteerd waaraan de lezer zich niet kan ontrekken.

    Als de familie de zeereis naar Europa maakt vanwege de instabiele politieke situatie aldaar, verandert het magische perspectief en sluipt de realiteit binnen; de ontnuchtering en de dreiging beginnen hun slagschaduwen vooruit te werpen. Het is in Den Haag met zijn verontruste joodse bewoners is met evocatieve kracht beschreven. De pregnante beelden vormen niet alleen een contrast met Indië, het naderende onheil van de oorlog en de holocaust worden tevens voelbaar. Het verschil tussen paradijselijke tuinen en het koude, winderige Nederland symboliseert niet alleen de cultuurschok, maar ook het verlies van geborgenheid en onschuld.

    In het laatste deel van de roman zit de hoofdfiguur dan ook samen met haar vader ondergedoken. Was zij in Indië gewoon de wereld een dimensie extra te geven en zichzelf als deel van een bezield universum en als organisch geheel met haar ouders te zien, door de ontbering verhardt zij zich en wordt het groeiproces versneld. Door een immigratie in het innerlijk beginnen zich als antwoord op een barre werkelijkheid twee Louises te ontwikkelen, de ene het alerte ik en de andere slome Louise die aan de buitenwereld wordt gepresenteerd.

    Het lied en de waarheid is tevens op onnadrukkelijke wijze een verhaal terug in de tijd, verteld door een schrijfster die de banale werkelijkheid en de verfoeide vergankelijkheid bewust een voet dwars wil zetten. Louise Benda blijkt namelijk een alter ego van een schrijfster die zich afvraagt wat er tenslotte overblijft: "Hoeden van mijn vader,(...)memento's die op de vuilnisbelt thuishoren, ik zal ze er niet heenbrengen. Ze keren met een pesterige regelmaat terug."

    Het lied en de waarheid is een geslaagde psychologische roman over de ontwikkeling van een meisje in verschillende culturen, welke tweedeling het leven verhevigd lijkt te determineren en waardoor bezieling het wel noodzakerlijkerwijs van de ontnuchtering moet verliezen. Dit herinneren als serum tegen het vergeten, deze weigering essentiële zaken naar de vuilnisbelt te dragen vormen een gelukkige en geslaagde poging om niet alle verzamelde ervaringen te reduceren tot een simplistische bestudering van een verleden waarin alles verklaard, waarin elk gevoel en elke beleving aan de zogenaamde waarheid gevalideerd wordt zonder dat er ook maar iets onthuld wordt van het wonder dat we leven noemen.

  • Manon Uphoff - Gemis

    Rapport Manon Uphoff:
    In haar roman Gemis vertelt Manon Uphoff over het meisje Mara Astheim, dat dertien is als het verhaal begint en zeventien als het eindigt. Gemis is dus, alleen afgaande op de leeftijd van de vertellende hoofdpersoon, een verhaal over de puberteit, de periode die ligt tussen het afscheid van de jeugd en het begin van de volwassenheid - per definitie een tijd die gekenmerkt wordt door onzekerheid, verwarring, de eerste seksuele ervaringen, afstand nemen van de ouders en het ouderlijk milieu en pogingen om de wereld buiten de kleine kring te ontdekken waarin het leven zich tot dan toe heeft afgespeeld.

    Zo'n schets van de puberteit biedt een algemeen en traditioneel, dat zelden klopt als het om individuele gevallen gaat. Bovendien is er veel veranderd sinds Gerard Reve in 1947 De avonden publiceerde, een roman over de puberteit die ouderen schokte. Men kan zich voorstellen dat gelijksoortige reacties door Gemis teweeggebracht kunnen worden, want Mara Astheim, over wie Manon Uphoff vertelt, doet dingen die naar men mag aannemen geen gemeengoed zijn onder hedendaagse pubers. Ze slaapt op haar dertiende met een man, snuift lijm en andere stoffen om high te worden, bevredigt zich met de staart van de kat, krijgt de lusten van een broer te verwerken, biedt een blote borst aan aan een gemeentelijke rattenvanger, verleidt een vriendje, Helmi, die ze tot haar slaaf maakt, en breekt met hem als de volwassen, half blinde producer van de band waarin Helmi speelt, haar een aanzienlijk prikkelender verhouding in het vooruitzicht stelt.

    Maar Manon Uphoff belicht niet alleen de erotische kant van Mara's leven. Het is maar één aspect van haar onderzoekende aard, die wortelt in een ambivalente houding ten opzichte van de werkelijkheid, waar zij tegelijkertijd deel van wil uitmaken en aan wil ontsnappen, op zoek naar een esthetische levensvervulling. Die complexiteit maakt van Mara een overtuigend personage, dat dit verhaal over opgeslotenheid en gemis in een reële context van het eigentijdse leven in een provinciale nieuwbouwwijk ten volle draagt. Hoewel Mara's nieuwsgierigheid naar het einde toe wat vervlakt, is de toon van de vertelling zo consequent volgehouden dat in de soms schrille klanken van Mara's avonturen van het begin af aan ook iets anders hoorbaar wordt gemaakt: het besef van vergeefsheid dat alle menselijke reilen en zeilen aankleeft.

    Misschien hoort dat bij de machteloosheid van de puberteit. Maar in Gemis wordt deze niet eenduidig of eenzijdig tot uitdrukking gebracht. Het gebeurt uiterst trefzeker, doordat Manon Uphoff zwakke en sterke figuren onnadrukkelijk maar intens met elkaar in contact brengt. Een voorbeeld daarvan is de wijze waarop Mara haar Helmi naar haar hand zet. Zij is de sterke, slimme, naar verlossing uit het benarde bestaan snakkende vrouw; hij de geslagene, het eeuwige slachtoffer.
    Aan de hand van Mara Astheim geeft Manon Uphoff een intrigerend, boeiend en overtuigend beeld van het hedendaagse leven, op een manier die getuigt van groot talent.

Naar de overzichtspagina

Delen