Libris Literatuur Prijs 1999

Ga direct naar

Uitreikingsrapport:

Voorzover er in het tableau van de zes nominaties die wij onlangs lanceerden sprake is van enige balans, is het die tussen een viertal minder bekende, veelal jonge auteurs en een tweetal zeer gevestigde namen. De aanwezigheid van eerstgenoemde moge een ieder deugd doen die zich wel eens zorgen maakt over heden en toekomst van de modernste Nederlandse literatuur.
Maar evenzo is het verheugend dat, bij vergelijkend lezen, onder de zes meest overtuigende boeken van het afgelopen jaar zich ook romans van twee van Nederlands meest prominente schrijvers bleken te bevinden. Dat zegt zowel veel over de vitaliteit van hun beider schrijverschap als over de kracht van de Nederlandse letterkunde als continuüm waartoe hun werk al zo lang bijdraagt. Dat ook de prillere talenten een krachtige bijdrage leveren zorgt voor vitaliteit en diversiteit in onze hedendaagse letteren, waarvan de roem tot ver buiten onze grenzen reikt. De jury presenteert daarom nogmaals met groot genoegen de zes nominaties voor de Libris Literatuur Prijs 1999:

En daarna brak die dag dus aan
die dag van vele jaren later
die dag van het 'sindsdien'en 'er is voorbijgegaan'
Maar verder doet dat niet ter zake


Deze regels uit Kees Ouwens' dichtbundel Droom kunnen dienen ter typering van de novelle Over het water van Hans Maarten van den Brink. Nostalgisch kijkt de hoofdpersoon terug op een eindeloze zomer die nooit voorbij zou gaan, een zomer die niettemin eindigde in een drama. In sobere, poëtische taal bezingt de schrijver het geluk dat twee roeimaatjes, jongens nog, ontlenen aan hun jeugd, hun gezondheid, hun leven. Licht, lucht en ruimte zijn de ingredienten waaruit dit vitale - en tegelijkertijd weemoedig stemmende - verhaal is opgebouwd. Het licht dooft, de lucht wordt verduisterd, de ruimte is begrensd. De nooit eindigende zomer is namelijk die van 1939. Sindsdien is er veel voorbijgegaan, maakt de verteller vijf jaar later duidelijk. Maar verder doet dat niet ter zake. Het enige wat telt is het gevoel van compleetheid, harmonie, geluk. Van den Brink heeft het vermogen daar in taal gestalte aan te geven in zijn stilistische briljante vertelling.

De roman De Phoenix zou geen boek van Paul Claes zijn, indien daar niet verschillende teksten en tekensystemen vermengd zouden worden, en dat dan nog in een wijsgerig debat op hoog intellectueel niveau. Op het eerste gezicht behandelt de roman de overgang van het middeleeuwse denken naar humanisme en renaissance, maar even essentieel is, op het tweede gezicht, de uitbreiding van dat historisch debat naar filosofische discussies in onze eigenste, 'posmodern' genoemde tijd. De auteur geeft blijk van een zeer erudiete literaire onderlegdheid en hij legt intertekstuele verbanden met een culturele competentie, hetgeen eerbied en bewondering afdwingt. Hij tracht rationaliteit met schoonheid te verzoenen, anders gezegd: het spirituele te verbinden met het lichamelijke en het aardse; zowel in het leven als in de kunst. Dat is een procedure die nauw verwant is met die van Harry Mulisch. Beiden schrijven doortimmerde ideeënromans, waarin het oude culturele erfgoed van Europa kan nazinderen in onze eigentijdse bedenksels en bevindingen.

De hoofdfiguur van De Procedure van Harry Mulisch, heet Victor Werker - wiens intitialen V.W. ('dubbel v') een van de vele verdubbelingen vormen in dit rijke boek. Even lijkt het of de held een procedure op het spoor is voor de volmaakte scheppingsarbeid, die tweevoudige harmonie lijkt te vereisen: die van de dubbele helix van het DNA, van man en vrouw bij voortplanting, en van de rabbi en zijn assistent die zich een golem toveren. Maar zoals de twee laastgenoemde falen door absurde spelingen van lot en onvermogen, zo moet ook Victor Werker onder ogen zien dat hij, dichter dan wie ook bij ontraadseling van levenswetenschappen, dubbel tekort schiet bij het levenloos ter wereld komen van zijn kind. Ook hij blijkt niet zozeer een victor, overwinnaar, alswel een werker, zwoeger - en het geheim der schepping blijft berusten bij een goddelijke macht die volgens sommigen een en ondeelbaar is. De enige die diens scheppingskracht nabij komt, is de schrijver die al evenzeer creëert in eenzaamheid, en dus een soort van halfgod lijkt. Bij alle ironie waarmee hij dit omgeeft, lijkt Mulisch met die implicatie wel te kunnen leven en cultiveert hij zijn verwantschap aan grote schrijvers uit de wereldliteratuur.

Er zijn in de afgelopen jaren meer romans verschenen, waarin - net als in de klassieke toneelstukken - een koor van stemmen in de wij-vorm op gezette tijden het verhaal onderbreekt voor tussentijds commentaar. Maar geen van die koren is zo geheimzinnig als dat in Allerzielen van Cees Nooteboom. Wie zijn toch die 'wij', welk woord trouwens ook het laatste van het boek is: de zielen van de doden, de stemmen in het hoofd van de schrijver, of zijn het soms lezer en schrijver samen? Nooteboom laat de lezer gissen, aangenaam gissen, in een roman die traag opent en stilaan onthult dat hij daarover handelt- over traagheid, aandacht voor het verleden, en niet in de laatste plaats over rouw. Kosmopolitisch, erudiet, geestig en poëtisch is deze omvangrijke roman uit het rijke oeuvre van Cees Nooteboom.

'Eros behoort de kinderen, passie de jeugd. Adolescenten besmeuren de hartstocht met de eerste rijpe manies van hun ziel. Volwassenen parodiëren de erotiek van hun kinderjaren en verliezen zich uit onmacht in excessen.' Dit zijn enkele vierkante uitspraken van de Groningse conferencier Co Starring, die het woord heeft in De vaders van de gedachte van Nanne Tepper. Onschuld, erotiek, vaderschap, God, ironie - het zijn niet de kleinste thema's die deze strijdlustige schrijver opwerpt in zijn tweede roman, die óók aan de orde stelt, hoe je in deze tijd nog een roman kunt schrijven die verontrust in plaats van kalmeert. Co Starring noemt de roman al op de tweede pagina een 'verachtelijk kunstvorm'. Gelukkig heeft Nanne Tepper het hoofd niet in de schoot gelegd, maar een vitale en ontroerende roman geschreven, die het bestaansrecht van het genre ten volle rechtvaardigt.

Nederland loopt over van stichtingen, belangengroeperingen en hulpverleningsinstanties. Alles is hier keurig geregeld. Behalve dan, dat we niet meer weten hoe we met elkaar moeten omgaan. Zo zou je de teneur van De stille omgang, het derde boek van de relatief onbekende schrijver Ernst Timmer, grofweg kunnen samenvatten. Deze boodschap klinkt op uit een verhaal dat door de satirische inslag en komische wendingen allerminst zwaar op de hand genoemd kan worden. Hoe gaan we om met onmaatschappelijken, hoe normaal zijn de Nederlanders die niet in een gesticht zitten? Timmer plaatst vrolijke en minder vrijblijvende kanttekeningen bij de teloorgang van waarden, en de toegenomen verzakelijking in een samenleving die de kunst van het samen leven is verleerd.

In zekere zin hebben, als het om nominatie en bekroning gaat, de meer gevestigde schrijvers het minstens zo moeilijk als de prillere talenten. Zij torsen om zo te zeggen hun vaderschap over een heel oeuvre op hun rug. Een jury voelt zich haast verlegen met hun uitverkiezing, want kan dat moeilijk als bewijs beleven vna de eigen, originele oordeelsvorming. Daarnaast valt er niet aan te ontkomen de nieuwe boeken van deze grote namen af te zetten tegen erkende hoogtepunten uit hun vorige werk - romans die wellicht ooit een Libris Literatuur Prijs hadden gekregen indien die toen al had bestaan, of die - want dat kan ook gebeuren - misschien zelfs hadden kunnen krijgen als een eerdere jury niet juist anders had beschikt. Het zijn allemaal redenen waarom ontvangen van oeuvre en reputatie allerminst een voordeel lijken bij competitie om een prijs voor louter laatst verschenen boeken.

Werkend en weifelend rond de bekroning met de Libris Literatuur Prijs 1999 van een van de zes genomineerde schrijvers, heeft de jury getracht gedachten aan oeuvres uit te bannen, en louter de uniciteit en kwaliteit van de nu voorliggende boeken af te wegen. Het kon er daarbij niet om gaan, te kiezen voor het meest mensvriendelijke boek, waarin de lezer zich het meest geredelijk herkent. Tenslotte heeft de jury, niet zonder discussie maar met een afgetekende meerderheid, gekozen voor bekroning van het boek waardoor zij zich uiteindelijk het meest heeft laten imponeren, van die schrijver die er niet bepaald op uit is om als een bij uitstek Nederlandse schrijver gewaardeerd te worden - hetgeen niet wegneemt dat de Nederlandse literatuur op een on-Nederlandse wijze trots op hem mag zijn: het virtuoze, gedurfde en soms zelfs duizelingwekkende De Procedure van Harry Mulisch.

De jury:
Ruud Lubbers, voorzitter
Elsbeth Etty
Marcel Janssens
Frits van Oostrom
Arjan Peters

Winnaar

  • Harry Mulisch - De procedure

    Nominatierapport
    De roman De procedure gaat uit van het intellectualistische bedenksel - even omvattend als gewaagd - dat er een formule te vinden zou zijn die het universum samenvat en verklaart. Dat is de drijfkracht achter de onderzoekingen van Victor Werker, die het geheim van een scheppende god wil condenseren tot een mathematische of biogenetische constructie, die de structuur van de schepping blootlegt. Alsof de mens met zijn wetenschappelijke vermogens de rol van de schepper zou kunnen overnemen. Voor de verwoording van dit omvattende project sluit de DNA-onderzoeker Werker aan bij zeer oude wijsheden en wetenschappelijke stelsels die hij voortdurend becommentarieert. Op dit niveau is dit boek een cerebraal project van hoog intellectueel gehalte, een in de Nederlandse literatuur zelden ondernomen waagstuk, dat de pretentie heeft zich te meten met zowel wetenschapstheorieën als kosmologieën van allerlei aard en herkomst.

    Dit buitenissige project wordt narratief verpakt en gedramatiseerd, zodat het theoretische discours ook als verhaal overtuigt. Behalve de wetenschappelijk onderzoeker Victor Werker treedt ook de filosofisch aangelegde schrijver Kurt Netter in de roman op. Werkers ex-vrouw Clara Veith brengt het menselijke element tot leven, waardoor De procedure ook als verhaal toegankelijk en leesbaar is.

    Hoe zelfbewust en trefzeker de verteller en zijn spreekbuizen ook te werk gaan, het project wordt voortdurend zelfkritisch geproblematiseerd en op zijn waarheidsgehalte getoetst. Denken over het denken loopt als een rode draad door het boek, evenals de voortdurende zelfreflectie over het schrijven. Deze continue zelfbevraging maakt van De procedure een fascinerend intellectueel en poëticaal experiment. Het boek bevat bovendien scènes, ervaringen, uitspraken en gedachteflitsen die ook het relaas over het onderzoek van Victor Werker een algemeen menselijke dimensie verlenen.

    Het boek verenigt het alleroudste, zoals het Hebreeuwse schrift, met het allernieuwste, zoals de biotechnologie. In De procedure weet Mulisch aan grote dingen, personen en - vooral - creaties een onvermoede diepte te geven. Zo blijkt de voorhoede van de moderne laboratoriumwetenschap in wezen geobsedeerd door oeroude vragen, waarmee men nog evenzeer worstelt als ooit de rabbi met zijn golem.

    De mens blijft een gebrekkig wezen tegenover de hem overweldigende schepping. Hij komt in zijn universele queeste naar ontraadseling - of liever nog: naar eigen patentering van een volmaakte procedure voor succesvol scheppen - soms bedrieglijk dicht bij het geloof in de illusie van een oplossing, totdat kleine onvolkomenheden fataal blijken en hem terugwerpen op volgende pogingen. Het persoonlijke verhaal van Mulisch' hoofdpersoon, Victor Werker (zijn vertwijfeld pogen de grote fout in zijn meest authentieke schepping, zijn dochtertje, te compenseren) maken hem tot een personage dat in de beste zin des woords aandoenlijk is. De beschrijving van de geboorte van het dode dochtertje in de vorm van een brief aan de overledene behoort tot de ontroerendste passages in de moderne Nederlandse literatuur.

    Alle vormen van schepping worden aldus met relativerende ironie opgevoerd. Zo ook de pro-creatie van de mens door de mens: het kind van Victor Werker dat dood wordt geboren. De onderliggende ironie die het hele portret begeleidt en doordesemt, spaart ook het biologische vaderschap niet.

    De procedure bewijst dat een klassieke roman waarin niets voor niets gebeurt en alles met alles samenhangt, nog altijd indrukwekkende en grootse literatuur kan opleveren.



Genomineerd

  • Hans Maarten van den Brink - Over het water

    Rapport Hans Maarten van den Brink:
    Het knappe aan deze verrassend lichte novelle van H.M. van den Brink is dat zij vooral fascineert door wat er allemaal niet in wordt gezegd.
    Over geluk hoor je niet te spreken. Een woord te veel en het is al lachwekkend. Twee woorden en het is verdwenen. Deze gedachte, geformuleerd door een jongen van nog geen 23, is de kern van het verhaal waarin het nu eens niet gaat om het onvervulbare verlangen naar geluk, maar om de verwezenlijking ervan. In Over het water wordt gereikt voorbij een uiterste grens, waar het geluk tastbaar wordt.

    Geluk, aldus de hoofdpersoon Anton, ligt in het herstel van een ooit verbroken harmonie, toen de wereld in tweeën viel. Sinds die splijting zweven volgens een door hem verbasterde versie van Plato's Symposium overal losse helften rond, die wanhopig naar elkaar op zoek zijn. Heel soms komen twee wederhelften elkaar tegen. Misschien is de vervulling van het verlangen naar compleetheid alleen in de liefde te bereiken, een enkele maal in sport, maar zeker is dat je jezelf pijn moet durven doen om tot vlak bij het ogenblik te komen waarop de tegendelen zich verenigen. In Over het water wordt de pijngrens een aantal keren overschreden, om uit eindelijk definitief geslecht te worden.

    Het verhaal is een op het oog simpele geschiedenis van een eenvoudige Amsterdamse jongens die zich - nadat de wereld tussen 1940 en 1945 uit elkaar is gevallen - verzoent met en bevrijdt van zichzelf. In de laatste oorlogswinter haalt de jonge roeier Anton herinneringen op aan de mooiste tijd van zijn leven: de zomer van 1939.

    De titel is multi-interpretabel: hij verwijst naar de substantie water, maar 'over het water' behelst ook de scheiding tussen de arme buurt waar Anton woont en de overzijde van de rivier met de roeivereniging, waar alleen welgestelden lid van zijn. Anton slaagt erin de rivier over te steken en als lid van de vereniging het geluk te proeven. Samen met clubgenoot David gaat hij trainen in de 'twee zonder stuurman'. De twee jongens zijn in alle opzichten elkaars tegenpolen. Anton moest al op zijn zeventiende gaan werken, David zit op het gymnasium, woont in een villa en heeft het gezicht en lichaam van iemand die bij zijn geboorte niet alleen een leven maar ook meteen de hele wereld cadeau heeft gekregen. Maar uitgerekend David heeft de wereld verloren op het moment dat het verhaal wordt verteld. De jongen is joods en het huis waar hij opgroeide blijkt aan het einde van de oorlog verlaten. Het beeld van een tragisch en onherroepelijk uit elkaar spatten wordt nog versterkt door de excentrieke maar 'goede' Duitse leermeester die uit de realiteit van de wereld van het roeien en uit zijn relatie met de twee adolescenten weg moet stappen als nazi-Duitsland zich aankondigt.

    Anton en David mogen op het oog elkaars tegenpolen zijn, op het water complementeren ze elkaar, al roeiend vormen ze samen een goed geoliede machine. De compleetheid waar Anton zo hevig naar verlangde vind hij - varend met David over het water. En na haar verloren te hebben hervindt hij deze harmonie aan de vooravond van de bevrijding van Amsterdam, op de vlonder van zijn oude roeivereniging. Daat, terwijl het water hem zoekt, vertelt hij in retrospectief het verhaal dat hem bevrijdt.

    Terwijl door de datering, situering en de keuze van de hoofdpersonen (tot in hun voornamen toe) op dwingende wijze naar de oorlog wordt verwezen voor de interpretatie van hun wedervaren, lijkt Van den Brink te suggeren dat zelfs die breuk misschien toch niet zoveel meer is geweest dan een van de onwelkome golven die het leven zijn gedroomde harmonie ontnemen - zij het, in dit geval, een allesvernietigende. Mede door de transparante en poëtische stijl doet de novelle soms aan als een prozaïsche tegenhanger van Nijhoffs Het lied der dwaze bijen. Ook hier raken, zelfs letterlijk, de personages aan het volmaakte geluk: niet van de honing in de ijle lucht, maar van de perfecte balans van een over het brede water roeiend vriendenpaar. Tot zij, net als de bijen, wreed op de aarde (en de vaste wal) worden teruggeworpen.

    De jury wil deze novelle van harte aanbevelen.

  • Paul Claes - De phoenix

    Rapport Paul Claes:
    De roman De Phoenix heeft als centrale figuur de Italiaanse neoplastische filosoof Pico della Mirandola, die met zijn programmatisch essay 'De dignitate hominis' een brug tracht te slaan tussen het christelijke geloof van de middeleeuwen en de nieuwe cultuur van humanisme en renaissance. Het eerste hoofdstuk beschrijft en becommentarieert al uitvoerig een schilderij van Botticelli: daarmee komt een intertekstueel en interartistiek debat op gang dat tot een ware ideeënroman zal uitgroeien. De Phoenix was overigens een Latijnse tekst uit de eerste eeuw voor Christus. Paul Claes vlecht rondom die symbolische figuur een netwerk van referenties in een poging de overgang van middeleeuws naar renaissancistisch denken en schrijven rationeel door te lichten. Bovendien trekt hij die lijn van reflectie door naar onze eigen tijd. Zijn roman poogt immers een eigen en eigentijdse positie in dat filosofische debat onder woorden te brengen. De procedure van de verteller is door en door intertekstueel. Hij bloemleest, citeert, refereert, herschrijft, herhaalt aan de lopende band. Dat geschiedt in deze roman met een verbluffende culturele competentie, die Paul Claes, geroutineerd 'hertaler' al meer dan eens heeft gedemonstreerd, hier met als inzet de overbrugging van ruim zes eeuwen denken in Europa.

    Her kernprobleem blijkt de verzoening te zijn van Aristoteles' rationele godsbeeld met de god van Plato, en evenzeer met de christelijke God, zelfs met die van Arabische filosofen, die ook hun stempel op het middeleeuwse denken hebben gedrukt. Pico della Mirandola verschijnt als een feniks die al die draden wil vervlechten voor de Nieuwe Tijd. De feniks, de eeuwig herboren vogel, symboliseert de cyclische tijd en staat ook model voor de doorverbinding naar onze huidige tijd. De mens lijkt de functie van een god, welke dat ook zij, over te kunnen nemen. Dat is de paradoxale uitkomst van het debat onder enkele van de voornaamste filosofen uit Europa.

    In als zijn cultuur-historische kracht neemt deze roman de lezer mee in de onvermijdelijk terugkerende ontmoeting van de rede met de schoonheid en het vleselijke. Het is een zeer aards reisverhaal, over ambitie, luchtspiegelingen, leven en dood. Een mooi boek, gesitueerd in een tijd waarin allegorieën nog de rol van de metaforen van nu vervulden, niet lang na de schilderijen van de Vlaamse primitieven. Maar vooral een mooi, intellectueel discours, dat wordt verbonden met een thriller-intrige. Aldus vertoont De Phoenix een zeer eigentijdse mengeling van genres. Een wijsgerige ideeënroman kan de 'whodunit' ook gerust integreren, wat hier dan ook zonder scrupules wordt doorgevoerd. Al met al is deze tekst de vrucht van een jarenlange oefening in het herschrijven van een heel stuk Europees erfgoed. Zijn werkstuk vertoont onmiskenbaar eigentijdse kenmerken, zowel inhoudelijk als poëticaal.

    Hoewel Paul Claes bekend is als een 'writers' writer, vindt de jury dat dit boek juist buiten deze kring gelezen en genoten kan worden en zij nomineert het graag voor de Libris Literatuur Prijs.

  • Cees Nooteboom - Allerzielen

    Rapport Cees Nooteboom:
    Duitsland, Spanje, Nederland: ze vormen de thuislanden waar Cees Nootenboom - want een rusteloos reiziger als hij heeft aan één honk niet genoeg. Het zijn niet toevallig ook de drie landen waar Arthur Daane, de 44-jarige cineast die de hoofdpersoon is van Allerzielen, zich ophoudt. In Berlijn zwerft hij met zijn camera door de stad, materiaal verzamelend voor zijn project: beelden vastleggen waar normaal gesproken niemand aandacht voor heeft. Schemeringen bijvoorbeeld, of de voeten van de mensen in de U-Bahn. Die beelden moeten ooit een film worden, een kwetsbaar protest tegen alles wat vergeten en verdrongen wordt.

    En daar hebben we een streng van het hoofdthema bij de kop. Allerzielen is een traag boek met meanderende zinnen, en daarom alleen al oneigentijds te noemen. Maar wat meer zegt: de roman handelt over traagheid, over traditie, kennis van zaken, de rust van de overpeinzing en aandacht voor het verleden. Kwaliteiten kortom die in ons fin de siècle van snelheid en oppervlakkigheid niet bijster populair zijn.

    Ook Arthur Daane gunt zich niet de rust, die hem in staat zou stellen in het veelvuldig geloei van diverse sirenen een boodschap te beluisteren. Hij laat zich te dikwijls afleiden van alles wat naar vroeger verwijst. En daar heeft hij zijn persoonlijke redenen voor. Ooit is hij uit Nederland vertrokken, zijn vaderland, nadat zijn vrouw en kind bij een vliegtuigongeluk zijn omgekomen.

    Die kennis geeft de lezer met terugwerkende kracht een verklaring voor de langzame opening van de roman: hier zit iemand opzichtig zijn rouw uit te stellen. Daane wordt verliefd op Elik Oranje, een in Nederland opgegroeide jonge vrouw die in Berlijn onderzoek doet naar een Spaanse koningin uit de elfde eeuw, maar kan haar niet werkelijk naderen. Er gaapt een kloof tussen hun verledens.

    Hij reist Elik achterna naar Spanje, waar hij vervolgens door vandalen bijkans naar gene zijde geslagen wordt. Als hij weer op beide benen kan staan, rijdt hij terug in de richting van 'de wijde luchten van het noorden', klaar voor een confrontatie met zijn eigen verleden. Dan is de roman wel degelijk wervelend op gang gekomen, en wordt de functie duidelijker van het 'koor' van stemmen, dat op gezette tijden het verhaal onderbreekt voor een geheimzinnig intermezzo in de wij-vorm. Het zijn de stemmen van mensen die neerwaarts kijken op de personages; die weten maar niet oordelen; die Daane en de zijnen zwijgend begeleiden. Zijn het de zielen van de doden, die ons nooit verlaten en wier nagedachtenis wij soms dreigen te veronachtzamen? Zijn het de stemmen in het hoofd van de schrijver, die ze pas laat leven door ze op papier op te wekken? Zijn het de schrijver en de lezer samen, die immers allebei nodig zijn om de dode letter te bezielen?

    Het zou allemaal kunnen. Niets weten we zeker. Nooteboom is er de man niet naar, om kloeke uitspraken te doen over de mensheid of het hiernamaals. Hij tracht, op poëtische wijze, de raadsels te omspelen, de mystiek te naderen zonder haar te willen verklaren. Waarvan wij niet kunnen spreken, daar maken we kunst van.

    In Allerzielen wordt een weg afgelegd die begint in een zo traag beschreven kosmopolitisch milieu, de Berlijnse vriendenkring, dat men vanzelf het verlangen krijgt mee te gaan reizen; en die zijn einde vindt in het majesteuze 'Dies irae, dies illa', het requiem dat ieder die zijn weg heeft afgelegd tot Allerzielen brengt.

    Allerzielen is groots, een van de grootste romans die Cees Nooteboom heeft geschreven.

  • Nanne Tepper - De vaders van de gedachte

    Rapport Nanne Tepper:
    De jongste auteur van het genomineerde gezelschap is geboren in 1962. Voor zijn veelgeprezen debuutroman De eeuwige jachtvelden (1995) kreeg hij de Anton Wachter-prijs toegekend. Des te verheugender dat Tepper de horde van het tweede boek - altijd lastig voor een debutant die in de watten is gelegd - zonder merkbare moeite neemt.

    De vaders van de gedachte is een in omvang bescheiden, maar zeer geconcentreerde roman. De hoofdpersoon is een 33-jarige Groningse conferencier die de tweederangs naam Co Starring draagt en die overal moe van is. Ook van de roman. De lezer die met z'n goede gedrag aan dit boek is begonnen, krijgt direct een draai om zijn oren dat hij zich afgeeft met 'deze verachtelijke kunstvorm, die modderige plas uitgelopen poëzie, die het leven niet imiteert maar voor de voeten loopt als de laatste vertegenwoordiger van het Ministry of Silly Walks'. Volgens Starring wordt in de meeste romans de wereld stilgelegd en de lezer gesust. Terwijl een boek niets mag toedekken maar bezield moet zijn, de lezer een mep op de wang verkopen, hem op de punt van zijn stoel krijgen.

    De reden dat Starring zo van leer trekt, alsof hij door links en rechts om zich heen te schoppen ruimte wil creëren, blijkt allengs. Hij is de weg kwijt. Na twintig jaar samenzijn is zijn verhouding met Esther uiteengespat. Starring wacht hun dertienjarige dochter Merel (die lijdt aan een geheimzinnige spierziekte) op als ze uit school komt, en neemt haar mee in zijn auto. De daaropvolgende dagen zwerven de twee door het Groningse land. Tepper is een verklaard fan van Vladimir Nabokov, en daarom zal het geen toeval zijn dat Merel exact de leeftijd van Lolita heeft. In De vaders van de gedachte gaan de gesprekken, herinneringen en gedachten over onschuld, erotiek, vaderschap, God en de noodzaak van ironie - die evenwel ook een last kan worden; de extra kwaliteit ook, die de ontmoeting van generaties het leven geeft.

    Ziehier (te) kort samengevat, de thema's die alle aan bod komen binnen het bestek van 144 pagina's. Co Starring besluit zijn theatertournee af te breken en moet concluderen dat hij 'de draad verliest' in de notities die hij bijhoudt. Dat is het punt waar Nanne Tepper hem wil hebben: eindelijk iemand die geen kalme en beheerste roman schrijft. Het leven is grilliger en grimmiger dan de doorsnee auteur het voorspiegelt. Daarom neemt Tepper het stokje van Starring over, zodat het verhaal over een gescheiden vader en zijn zieke dochter die hij aanstonds weer moet verliezen (aan zijn vrouw, maar ook aan de 'volwassenheid') toch verteld kan worden. Waar de gefnuikte kleinkunstenaar Co Starring zwijgt, gaat Tepper verder. Zijn boek is fel, eigenzinnig, stilistisch explosief en bij vlagen van een ongeremde emotionaliteit.

    'Gewoon' is er niets aan De vaders van de gedachte. Deze typering zal Nanne Tepper plezieren. De jury vond zijn roman ongewoon goed.

  • Ernst Timmer - De stille omgang

    Rapport Ernst Timmer:
    De denksportfanaat Johan Helwig is in een krankzinnigengesticht terechtgekomen. Hij vraagt zijn oude vriend, de geflipte bioloog Joost Beekman, hem te helpen bij zijn plan, door euthanasie uit het leven te stappen. Joost aarzelt, en bemerkt bezorgd dat een verpleegster en een ethicus in het gesticht maar al te graag bereid zijn de depressieve Helwig een handje te helpen.

    Die bezorgdheid neemt moralistische trekken aan, wanneer Beekman erachter komt dat de verpleegster en de ethicus een wanordelijk privéleven leiden. De frustraties die ze daar opdoen, buigen ze om en leven ze uit op patiënten die zich aan hen uitleveren.
    Zo bekeken is De stille omgang van Ernst Timmer een rechtlijnig verhaal, waarin 'de nobelen' en 'de slechteriken' simpel aan te wijzen zijn. Het aardige nu is, dat Timmer zijn roman keer op keer een wending geeft waardoor de lezer op het verkeerde been wordt gezet. Beekman heeft visitekaartjes laten drukken met onder zijn naam het woord 'mens' als beroep. 'Toegenegenheid' noemt hij het product dat hij levert.

    Na een jaar blijkt die toegenegenheid bijkans tot op de bodem gesoupeerd door vrienden en belanghebbenden. In zijn persoonlijke leven blijkt deze nobele vriend net zo goed onderhorig te zijn aan primitieve gevoelens als verliefdheid, afkeer en lafheid. Wie zich in het leven louter opstelt als leverancier van toegenegenheid, zal in de praktijk op zeker moment van zich af moeten slaan om niet zélf te worden kaalgeplukt en leeggezogen.

    Een bijzondere eigenschap van De stille omgang is het kennelijke plezier waarmee Timmer zijn menselijke komedie over de huidige tijdsgeest schetst. Hilarisch zijn vele episodes over het geschipper van Joost Beekman met vrienden en relaties. Tegelijk verhindert die komische inslag niet dat de roman een kwaal van nu blootlegt: dat het zo hoog ontwikkelde Nederland, met heel zijn areaal aan opties en instituties, vaak tekortschiet in het geven, delen en beleven van elementaire menselijkheid.

    Humor en ernst gaan samen, zo weet Timmer aannemelijk te maken. Maatschappijkritiek en engagement horen niet thuis op de mestvaalt met relikwieën uit de jaren zestig - dat wil zeggen, een auteur met een scherp oog en een minstens zo scherpe pen, kan die woorden nieuw leven inblazen. Ernst Timmer slaagt hier glansrijk in. De jury was hogelijk verrast door de effectieve combinatie van moralisme en satire, gebracht in een verhaal dat zowel amuseert als aan het denken zet. Ze vindt De stille omgang een van de beste boeken van 1998.

Naar de overzichtspagina

Delen