Libris Literatuur Prijs 2002

Ga direct naar

Details:

Aantal inzendingen: 148 titels
Prijzengeld: 62.500 euro
Winnaar: 50.000 euro
Overige genomineerden: ieder 2.500 euro
Plaats en datum uitreiking: Amsterdam, Park Plaza, 8 mei 2002

Rapport:

De jury van de Libris Literatuurprijs 2002 loopt over van tevredenheid nu het gelukt is het meest cultureel en politiek correcte lijstje nominaties aller tijden samen te stellen. Niet alleen staat er een gelijk aantal mannelijke en vrouwelijke schrijvers op, bovendien zijn alle zes boeken bij verschillende uitgevers gepubliceerd. Zowel uit de wereld waarin de strijd der seksen plaatsheeft, als uit de wereld van de uitgeverijen hoeft de jury dus geen banvloeken te verwachten. (Jammer alleen dat de eerste selectie van twintig boeken die een maand geleden bekend werd gemaakt een schoonheidsfoutje bevatte: daar stonden niet tien vrouwelijke schrijvers op, maar negen. Daar staat dan weer tegenover dat die twintig boeken zijn uitgegeven door maar liefst twaalf verschil¬lende uitgevers.)

Onschatbaar voordeel van deze correctheid is dat men zich nu alleen maar even hoeft over te geven aan verbazing over het gelukkige toeval dat ervoor heeft gezorgd dat het lijstje zo keurig uitviel, en dat men zich daarna, zonder omwegen, volledig kan richten op de zes uitverkoren boeken zelf. Sneller dan dit jaar kan men niet bij de honing komen; het gekrakeel waarvan elk ander jaar sprake is kan immers achterwege blijven.

De jury zal niet verhelen dat ze heel wat afgezucht heeft deze periode. Het is dat de twintig boeken van de eerste selectie van zo’n hoge kwaliteit waren en dat de zes nominaties door geanimeerde en felle discussie, maar zonder bloedvergieten, tot stand kwamen, anders had de jury weinig moeite gehad om de oogst van het afgelopen jaar als ‘mager’ te kenschetsen. Het zijn deze twintig boeken, en speciaal de nu genomineerde zes, die alles weer goed hebben gemaakt. De jury heeft genoeg om zich over te verheugen, bijvoorbeeld over het feit dat zich onder de uitverkorenen van de eerste selectie een aantal debutanten bevond van wie nog veel verwacht mag worden. En dat schrijvers die al een heel oeuvre achter zich hebben onverdroten door zijn gegaan de toppen van hun kunnen op te zoeken. Opvallend vond de jury dat onder de boeken die tot op het laatst standhielden ook die van schrijvers waren die zich lange tijd als vertaler hebben onderscheiden en zich kennelijk definitief aan het transformeren zijn tot dubbeltalenten. Ook een aantal dichters maakt steeds vaker de sprong naar de roman. Het genre heeft blijkbaar onweer¬staanbare charmes. Dit gezegd hebbend is het een groot genoegen in alfabetische volgorde de nominaties voor de Libris Literatuur Prijs 2002 te onthullen.

De jury:
Herman Tjeenk Willink, voorzitter
Douwe Fokkema
Marcel van Nieuwenborgh
Hilde Pach
Carel Peeters

Uitreikingsrapport:

Als we de staat van de Nederlandse letteren mogen afmeten aan het aantal boeken dat jaarlijks verschijnt, gaat het goed in Nederland. Is met deze brede, kwantitatieve basis ook een hoge kwalitatieve top verzekerd; een vitale, zich vernieuwende literaire elite?

Door de veelheid aan titels die jaarlijks verschijnt neemt de behoefte bij lezers toe aan houvast bij hun eigen selectie. Welke 'toppers' mogen we niet missen en waarom?
Recensenten en jury's van literaire prijzen kunnen aan die behoefte voldoen. Maar ook de markt speelt steeds meer een eigen rol. Door de concurrentie verhevigt de jacht op de bestseller. Uitgekiende publiciteitscampagnes, presentaties door de boekhandel (drie weken naast de kassa, drie maanden op tafel, drie jaar in de kast) en de wekelijkse boekentoptien leveren een eigen selectie op. Het gevaar groeit dat verkoopcijfers, naamsbekendheid en literaire kwaliteiten tot synoniemen worden. "De Moor en Mulisch kanshebbers voor de Librisprijs" kopten de kranten na de publicatie van de shortlist. Op zichzelf zeer terecht, maar waarom niet Brokken, Daem, Polak en Anker, de vier andere genomineerden?
Kunnen jury's van literaire prijzen in dit publicataire geweld nog tot een eigen oordeel komen? Is er behalve voor de potentiele bestseller nog belangstelling voor de betekenis van het boek in de Nederlandse cultuur? Wie bewaakt die betekenis als uitgevers en boekhandelaren het zouden laten afweten en ook de vaste boekenprijs zou worden afgeschaft? Is nu echt duidelijk welk probleem met dit laatste zal worden opgelost en wiens belang daarmee zou worden gediend? Het belang van de markt of het belang van de bureaucratie; de twee polen waartussen het Nederlandse cultuurbeleid zich de laatste decennia heeft bewogen?

Literaire prijzen zijn een instrument geworden in de selectie van boeken die aandacht krijgen. Van jury's wordt een kwaliteitsoordeel verwacht. Waarop is dat juryoordeel gebasseerd?
De kunsten, waarin artistieke normen worden bevestigd, ter discussie gesteld of doorbroken, kennen niet één objectieve formule voor artistieke kwaliteit. Het gaat altijd ook om subjectieve oordelen, zeker op de korte termijn als de tijd zijn werk nog moet doen. Van deze beperking is de jury zich zeer bewust geweest.
De vijf kritische lezers die gezamenlijk de jury vormden hebben tijdens de beraadslagingen over de 148 ingezonden boeken hun subjectieve oordelen aan elkaar kunnen toetsen, maar daarvan nooit geheel afstand gedaan. Ze dreven elkaar in de hoek van de boeken waarvoor zij zich uiteindelijk sterk wilden maken, ook al hielden ze hun oordeel niet voor absoluut. In dat oordeel speelde mee of het boek een herkenbare of juist een andere wereld beschrijft; een belofte voor de toekomst inhoudt of bewezen kwaliteit bevestigt; literair overtuigt of als verhaal geloofwaardig is; een universeel karakter heeft of juist kenmerkend is voor de Nederlandse/Vlaamse literatuur. Om al deze redenen hebben de leden van de jury, vaak met hartstocht, bepleit dat, in alfabetische volgorde, Robert Anker, Jan Brokken, Geertrui Daem, Margriet de Moor, Harry Mulisch en Chaja Polak uitverkoren moesten worden. Ik volg het alfabetische spoor terug:

Polak:
Weinig dingen zijn moeilijker dan op een niet-sentimentele en toch invoelbare manier te schrijven over de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan. In Over de grens toont Chaja Polak dat zij dat kan. De zeven hoofdstukken van de roman beschrijven verschillende periodes uit het leven van de joodse Rosa van Esso, dochter van een onderduiker en een Auschwitz-overlevende. Polak schrijft sober, fijnzinnig, en heel beeldend. De wisselende invalshoeken in de opeenvolgende episodes vergroten de reikwijdte van de roman en tillen hem uit boven de 'tweede-generatieliteratuur'; de identificatie voorbij. Uiteindelijk gaat Over de grens over universele thema's die iedereen aangaan; over verlies, eenzaamheid en bindingsangst, over hoe mensen worden bepaald door gebeurtenissen in hun leven, en hoe moeilijk ze zich daarvan kunnen losmaken. Voor de wijze waarop zij die universele thema's behandelt zou Chaja Polak de prijs moeten krijgen.

Mulisch:
Hoe anders is de stijl van Harry Mulisch in Siegfried.
Een argeloos verslag van een luisterijk optreden van Mulisch' alter ego Rudolf Herter in Wenen gaat geleidelijk over in het verslag van een verbijsterende onthulling over Hitler. Met begenadigde stilistische eenvoud voert Mulisch de lezer binnen in een satanisch domein, waarvan de verschrikking zo groot is dat het Herter aan de grenzen van zijn geest brengt. De pijnlijke, maar tegelijk luchtige wijze waarop Mulisch dit brisante gegeven uitwerkt bewijst eens te meer hoe groot zijn greep is op vorm en inhoud. Dat zou de toekenning van de prijs aan hem rechtvaardigen.

De Moor:
Of zouden toch eerder de ambitie en durf van Margriet de Moor in haar roman Kreutzersonate moeten worden geprezen? Daarin worden op ingenieuze wijze verscheidene verhaallijnen samengebracht, de beleving van muziek verwoord en de geschiedenis verteld van een fragiele liefde, opkomende jaloezie, scheiding, verzoening en eenzaamheid. Daarbij volgt De Moor min of meer het stramien van Tolstojs gelijknamige novelle. Binnen de gekozen beperking van de herschrijving heeft zij een origineel en volstrekt eigentijds verhaal geschreven. De vraag kan worden gesteld of zij met haar karakterisering van het effect van muziek, de verrassende constructie van de plot en het nauwelijks uitgesproken compromis dat na de blinde woede nog mogelijk bleek, Tolstoj niet naar de kroon steekt.

Daem:
Koud is de eerste roman van verhalenschrijfster en actrice Geertrui Daem. Het boek is een duet tussen een vader en zijn dochter. De man is een gewezen vrijwilliger van het Belgisch bataljon dat in de jaren vijftig het toen gevreesde communisme in het Verre Oosten bestreed. Vandaag slaagt hij er niet meer in hiervoor in zijn omgeving en bij zijn dochter waardering af te dwingen. De dochter van haar kant leeft in een eigen wereldje waarin ze ook met dood en verdriet wordt geconfronteerd. De personages in Koud drukken zich uit in een kleurrijke en beeldenrijke volkstaal waarin de schrijfster nauwelijks lijkt te interveniëren.
Daem toont met Koud dat ze met haar literair talent een volwaardige plaats heeft verworven in de rij van Vlaamse "vertellers". Daarom zou zij - als debutant - de prijs moeten krijgen.

Brokken:
Of toch Jan Brokken met Voel maar.
Het decor is daarin internationaal, maar de titel Voel maar, verwijst naar lichamelijke nabijheid. Twee mensen, die op grote afstand van elkaar leven, ontmoeten elkaar, hebben een kortstondige verhouding en gaan weer uiteen. De vrouw vertelt hoe zij door de Argentijnse junta is gearresteerd en wat de onherstelbare gevolgen daarvan zijn geweest. Toch ligt het accent meer op de persoonlijke beleving van de 'brief encounter' dan op het politieke engagement. Brokken heeft zichzelf overtroffen met deze sobere roman, die geschreven is in een taal die aan weinig woorden genoeg heeft en die daarom klassiek genoemd zou kunnen worden. Komt juist hij daarmee niet in aanmerking voor de prijs?

Anker:
Of miskent dat de prestatie die Robert Anker leverde met Een soort Engeland; het aangrijpende verhaal van een ouder wordende Nederlandse acteur, die ingehaald wordt door zijn verleden, als zijn dochter, in grote nood, weer zijn aandacht opeist. Tegelijkertijd voelt de man zich ook in het theater uitgerangeerd en zitten hem in het dagelijkse leven tal van dingen tegen. Spelenderwijs probeert de geoefende komediant de realiteit naar zijn hand te zetten. Hij moet constateren dat hij daartoe niet meer in staat is. Anker heeft een roman geschreven waarin hij met hartstocht, intelligentie, ironie en zelfspot niet alleen de levensbaan van een toneelspeler in kaart wordt gebracht, maar tevens een beeld wordt gegeven van het Nederlandse theaterleven in de tweede helft van de twintigste eeuw. Een origineel boek, van toon en taal, dat de prijs zou verdienden.

Zo had ieder jurylid de argumenten te wegen die voor het andere boek pleiten. En al werd gepoogd bij de keuze geen rekening te houden met het oeuvre, soms was het moeilijk los te komen van wat eerder indruk maakte. En al ging het om boeken die al geschreven zijn, soms waren verwachtingen over de toekomst moeilijk uit te bannen. En al beperkte de selectie zich tot het Nederlandse taalgebied, soms was de vergelijking met wat elders en eerder succesvol werd beschreven, moeilijk te vermijden.

Horatius heeft ruim tweeduizend jaar geleden in zijn Ars Poetica al de gevolgen van de bekroning met een literaire prijs omschreven:
"Wie het nut met plezier verbindt, wint ieders stem, want hij vermaakt en hij vermaant het lezersvolk. Zo'n boek maakt handelswinst, zo'n boek gaat overzee en verlengt voor een bekend auteur de levensduur" en dus, voeg ik er aan toe, zijn roem (vertaling P.H. Schrijvers, Atheneum- Polak & Van Gennep, 1980).
Ook deze uitspraak indachtig kwam de jury uit bij de auteur van het boek waarin de vergankelijkheid van de roem centraal staat; een auteur die, in tegenstelling tot de hoofdpersoon, zelf stevig in de schoenen is komen te staan; de auteur die met evocerend bijna wellustig taalgebruik genoegdoening vindt voor alle gebreken in het leven van David Oosterbaan. De Libris Literatuurprijs 2002 is voor..... Een soort Engeland, en gaat dus naar Robert Anker!

Winnaar

  • Robert Anker - Een soort Engeland

    Rapport winnaar

    Het is een staaltje van perfecte ironie dat een paar stevige schoenen, die als ‘ankers in de wereld’ zouden staan, de tolk is van een cruciaal motief in Een soort Engeland en in het werk van Robert Anker. Zoals hij in zijn poëzie graag de grammatica naar zijn hand zet en zinnen op elk gewenst moment niet afmaakt, zo wendt hij in zijn proza desnoods een krom beeld aan als dat hem aanspreekt. In Een soort Engeland zijn de schoenen van de hoofdpersoon, de middelbare acteur David Oosterbaan, ‘zijn vrienden’, die hijzelf graag zijn ‘ankers in de wereld’ noemt. Met deze ‘hoge, zwarte, ongepoetste, gebutste, zilver beoogde en rood beveterde schoenen met de zwaar geprofileerde zolen’ struint Oosterbaan door zijn leven, maar dat wil allerminst zeggen dat hij daarmee stevig in het leven staat. Oosterbaan snakt evenzeer naar ‘zwaarte en betekenis’ als de verwarde hoofdpersoon in het eerste verhaal uit de bundel Volledig ontstemde piano, ‘een paar schoenen die hem bij de enkels naar de grond trekken en hem zonder iets te vragen een bepaalde kant op trekken’. Oosterbaans schoeisel is maar een van de vele beeldende details in Een soort Engeland die de roman zijn reliëf geven. David Oosterbaan is een luchtfietser die zijn leven lang te weinig contact heeft met het aardse. Hij spiegelt zichzelf steeds van alles voor. Daarom draagt hij ook die stevige kistjes, om zichzelf de illusie te bezorgen dat hij met beide benen op de grond staat.

    Een soort Engeland is een met wellust geschreven roman. Anker verlustigt zich aan de taal, alsof die alles moet compenseren waarin het beschreven leven tekortschiet. Maar hij weet zijn wellust te doseren, er zit een uitgekiend ritme in de afwisseling waarmee hij rustig vertelt, hooggestemde gesprekken weergeeft en de opgewonden innerlijke monologen van Oosterbaan laat stromen. Dat past bij de crisis waarin David Oosterbaan terecht is gekomen, niet de eerste in zijn leven, maar wel de diepste. Het geeft de roman een onopvallend symfonisch karakter. Verspringend van heden naar verleden ontrolt zich het bestaan van Oosterbaan in hoofdstukken die stuk voor stuk de aandacht vasthouden. De verteller pendelt tussen Oosterbaans innerlijk en een positie buiten hem. Hij is de kenner van binnenuit èn een lichtelijk ironisch en cynisch commentator.

    Het gaat in Een soort Engeland om David Oosterbaan, maar we leren hem ook kennen via de tijd waarin hij opgroeit, de maatschappelijke ideeën die korte of langere tijd bezit van hem nemen en de verschillende toneelgroepen waarmee hij zich engageert. Dat zijn niet zomaar toneelgroepjes. Zij hebben ook ideeën over de samenleving, het leven zelf en de subversieve plaats van het toneel daarin. Oosterbaan speelde toneel op school, bij een theaterrockband, bij het strijdtoneel en bij het ene na het andere professionele gezelschap. Steeds weet Anker de sfeer daarvan treffend op te roepen door Oosterbaans collega’s en regisseurs op te voeren en ze hun karakteristieke zegje te laten doen. Het optreden van werkelijke toneelschrijvers en regisseurs (Lodewijk de Boer, Gerard Jan Rijnders, Frans Strijards, Thomas Bernhard) verleent de roman een bedrieglijk realisme. Ook de verschillende stukken waarin Oosterbaan speelt worden met verve opgeroepen in handenwrijvende evocaties en toneelfragmenten, alsof het speciaal gaat om die ‘tijdelijke werelden’ in taal (‘Taal, het enige dat in het theater gewicht heeft’, zegt Oosterbaan). De titel van de roman verwijst naar het toneelstuk Is dit Engeland waarin Oosterbaan een ‘man alleen’ speelt, ‘verwikkeld in een queeste naar een soort Engeland, hunkerend naar de liefde die hij afwijst’.

    Anker is er prachtig in geslaagd om de verschillende sferen en tijden in elkaar te laten vloeien en op elkaar te betrekken. Het is nauwelijks toevallig dat Oosterbaan ten tijde van zijn nieuwe crisis oog in oog komt te staan met zijn dochter Laura, die hij nooit meer heeft gezien sinds hij dertig jaar geleden van haar moeder is gescheiden. Ze is verslaafd aan drugs. In de beschrijvingen van Oosterbaans tochten met haar langs de huizen van heel of half gesjochten drugsdealers toont Ankers zijn verbluffende opmerkingsgave en gevoel voor het sprekende detail. Laura’s erbarmelijke toestand is een verhevigde afspiegeling van Oosterbaans eigen situatie. Zoals Laura is ondergedoken in de drugs, zo is Oosterbaan zijn hele leven ondergedoken in de kunst, ten voordele van de kunst èn hemzelf zolang hij er triomfen in viert, maar ook ten koste van zijn eigen evenwicht (‘Jij weet helemaal niet wat de werkelijkheid is, en al helemaal niet wat een drugsverslaafde is, vertel mij wat’, krijgt hij te horen). Laura’s onvermogen om zich te houden aan haar beloften om van de drugs af te gaan, spiegelt zich in Oosterbaans onvermogen om zijn eigen leven op orde houden: de afspraken met zijn vriendin na te komen, zijn post open te maken, niet te veel te drinken, niet altijd op de flirttoer te zijn, niet altijd ruzie te zoeken. Hij krijgt de vraag voorgelegd of een verslaving ‘wilsvernietiging of wensbevestiging’ is en blijft het antwoord schuldig.

    In dit zorgvuldig gecomponeerde spiegelpaleis speelt het toneel zijn eigen toneelstuk. Dat gebeurt in de vorm van de toneelschrijvers aan wie Oosterbaan, of de regisseurs met wie hij werkt, zich verslingeren. Ze zijn onderwerp van discussie, van pleidooien, van hebbelijkheden. Stanislavski komt voorbij omdat de acteur in zijn eigen innerlijk moet tasten om een rol te kunnen spelen. Artaud, omdat bij hem het toneelspelen gelijkstaat met het laten ontstaan van een gekkenhuis. Of Brecht, aan wie Oosterbaans vriend Arthur zich verslingerd heeft in zijn strijd tegen de maatschappij. Door het spelen van Beckett of Thomas Bernhard komen respectievelijk de doelloosheid van het leven en de corruptheid van Oostenrijk en het toneelspelen zelf boven water. Toneelspelen is in het leven van Oosterbaan een existentiële worsteling, waarin hij alleen maar niet ten onder gaat omdat hij zich steeds weer in een andere rol stort, en daarin altijd wil ‘vlammen’. Oosterbaan is een recidivist. Zijn steeds terugkerende misstap is dat hij niet weet hoe precies te leven, omdat hij de helft van zijn leven rollen speelt van personages die het ook niet weten. Hij vervalt in grotesk gedrag, kleedt zich opzichtig en blijft denken dat zijn middelbare leeftijd geen enkel bezwaar is voor jongere vrouwen om hem leuk te vinden. Vandaar dat hij tot een pathetische, maar niet minder ordinaire stalker uitgroeit bij zijn pogingen de Vlaamse actrice Lena te strikken. Maar ook met haar speelt hij half toneel, bijvoorbeeld door zijn verleidingspogingen te larderen met een zelfbedacht Vlaams taaltje.

    Het is Anker gelukt om Oosterbaan van binnenuit te laten ontstaan en van buitenaf te bekijken. Een prachtige rol is hierbij weggelegd voor Brian, een Surinaamse ambtenaar van de gemeente Amsterdam die op een dag in Oosterbaans woonboot zit omdat Oosterbaan de brieven van de gemeente niet openmaakt waarin staat dat zijn boot ligt waar hij niet mag liggen. Deze Brian, die als een reddende engel door de stad trekt om menselijke probleemgevallen bij te staan (‘L’office, c’est moi, haha!’), houdt hem subtiel zijn situatie voor ogen, gespekt met een Surinaams taaltje waarmee hij zichzelf parodieert. Met deze Brian maakt Oosterbaan een vogelvlucht over de stad, om daarna neer te dalen en in de ‘bodem van de samenleving’ terecht te komen. Daar krijgt hij levens te zien waarvan hij niets wist. Het drukt hem met zijn neus op zijn eigen luchtfietserij, want dit is het echte leven, ‘Louter materie. Wat hier gedaan wordt, is wat het is, het is niet de uitdrukking van iets anders,’ zegt Brian.

    Zoals wel vaker in werk van Anker is Een soort Engeland ook een rondgang door de verloedering van de westerse cultuur, zoiets als ‘de stinkende mesthoop’ waarop Oosterbaan het personage speelt dat voorlopig zijn laatste zal zijn. Net als in zijn vorige roman Vrouwenzand heerst in Een soort Engeland Ankers negatieve idealisme: door alles zo illusieloos en ellendig mogelijk voor te stellen moet er wel iets overblijven dat het personage in leven houdt. Wat er voor Oosterbaan overblijft is ‘het spelen’, de ‘speldrift’, in welke rol het ook is. Het spelen is waar het allemaal om gaat, ‘de inhoud ervan vervluchtigt en is niet meer dan een vage herinnering’. Het laatste toneelstuk waarin hij speelt, en waarin hij op het toneel in pathologisch zwijgen vervalt, heet niet voor niets Theatervernietiging, geschreven door een schrijver die zelfmoord heeft gepleegd.

    Alsof dit alles nog niet voldoende is voor een geladen roman, speelt op de achtergrond ook nog Oosterbaans jeugd in het plaatsje M. aan de rand van het IJsselmeer een cruciale rol. Ook de gelukkige jeugd is een brisant motief in Ankers werk. In Een soort Engeland groeit Oosterbaans jeugd uit tot het volstrekte verloren paradijs, het positief van het negatief dat het leven na de adolescentie schijnt te zijn. Aan het einde van de roman haalt hij in wanhoop de schoenendozen voor de dag met zijn jeugdfoto’s en van de rollen die hij heeft gespeeld. Zijn jeugd komt dan onontkoombaar op hem af en verplaatst hem in de tijd. Hij is er weer aanwezig ‘zoals hij in honderden rollen nooit aanwezig is geweest’. Het plaatsje M. wordt ‘de heilige hal van zijn adolescentie’. Hij herinnert zich zijn vrienden, de gelegenheden waar ze samenkwamen, de zonderling van het stadje, en Leda op wie hij verliefd was. ‘Daar geweest te zijn, daar altijd te hebben willen blijven, daar in M., altijd bij elkaar, in een stonde van de tijd dat het leven alleen nog maar uit mogelijkheden bestaat, wachtend op het eindeloze begin dat nooit zal komen, en een verlangen dat met dat wachten samenvalt.’

    Dat had Oosterbaan willen doen: een leven leiden dat alleen nog maar uit mogelijkheden bestaat. Dit wachten op een begin dat nooit mag komen wordt treffend vertolkt door de paradox in een liedje van Bryan Hyland dat zijn jeugd begeleidde: ‘”Ginny come lately”, Ginny komt onlangs, ze is er en ze is er nog niet.’ Gaat het de acteur Oosterbaan uiteindelijk om het loutere ‘spelen’, om de ‘speldrift’, het ‘vlammen’ en is al het andere bijzaak, op dezelfde manier gaat het Robert Anker in Een soort Engeland om de taal en het evocerende, wellustige schrijven, als compensatie, als genoegdoening voor alle gebreken van het leven. Afwisselend rustig en exorbitant ontrolt zich het leven van David Oosterbaan in scènes, alinea’s en zinnen die glansrijke en prikkelende beelden oproepen. Ook al mag ‘de inhoud’ volgens Oosterbaan uiteindelijk vervluchtigen en niet als een anker in de wereld staan, Anker zorgt dat de inhoud ondertussen toch overvloedig en dwingend langskomt.


    Nominatierapport

    David Oosterbaan, de held van de roman, is een ouder wordende acteur die ook buiten de schouwburg onomkeerbaar in een theatrale levenswijze is vervallen. Hij probeert spelenderwijze de realiteit naar zijn hand te zetten, waarin hij almaar minder slaagt. Oosterbaan leeft in een verbale, zelfgeschapen wereld, die hem niet meer toelaat met beide voeten de grond te raken.

    De acteur wordt echter brutaal ingehaald door het verleden als zijn dochter, na een overdosis, in het ziekenhuis is beland en onverwachts weer zijn aandacht opeist. Zijn speelse maar steeds driester wordende avances naar een debuterende Vlaamse gastactrice, die zijn dochter had kunnen zijn, lopen op een afwijzing uit. En tot overmaat van ramp dreigt de gemeente Ooster¬baans woonboot te laten wegslepen.

    Anker weet op overtuigende wijze een beeld te geven van een toneelspeler op zijn retour die zijn anker in de realiteit kwijt is. De auteur geeft zijn roman een vleug satire door de milde spot waarmee hij schrijft over het groots en meeslepend leven dat zijn hoofdpersonage en diens theatervrienden in de gouden zestiger jaren hebben nagejaagd.

    Bovendien heeft Robert Anker in zijn verhaal een schat aan welgekozen citaten en verwijzingen naar de toneelliteratuur verwerkt en gaat er voor de lezer een aparte charme uit van die wervelende eruditie van het hoofdpersonage. De lenige en lichtvoetige stijl die Anker in deze roman weet te hanteren, past opvallend goed bij de intense woordenvloed waarop de bevlogen Oosterbaan het hele verhaal door drijft.

    Een soort Engeland is een roman van een Angelsaksische elegantie, ‘witty’ en zwierig maar tegelijk een meedogenloos portret van een man op middelbare leeftijd die alles doet om er nog bij te horen, maar door zijn omgeving opzij wordt geschoven en dreigt terug te vallen op een verleden waarop hij ongaarne terugblikt. In de jongste literatuur is bovendien geen scherpere röntgenfoto gemaakt van het Nederlandse theaterleven en de ontwikkeling daarvan sinds de jaren zestig. In menig opzicht een uitzonderlijk boek.

Genomineerd

  • Jan Brokken - Voel maar

    Rapport Jan Brokken:
    Het decor in de roman Voel maar is internationaal, maar de titel verwijst naar lichamelijke nabijheid. Voel maar zijn woorden die een meisje lang geleden tegen Lucas sprak, toen zij nog in Nederland op school zaten.

    Deze jeugdervaring herinnert Lucas zich als hij op een passagiersschip in de Caraïbische Zee een vrouw ontmoet, Gabriela, met wie hij een kortstondige verhouding heeft. Wie is Lucas Saverijn en waarom is hij op dit schip? Lucas is rechter op Curaçao, waar hij ook geboren is, een onafhankelijke individualist, verlaten door zijn vrouw, die heimwee kreeg naar Nederland. Bij een proces spuugt een beklaagde hem in het gezicht. Hij voelt zich door het incident diep gekwetst maar wil dit aanvankelijk niet toegeven. Hij heeft behoefte aan rust en gaat zonder vast doel mee als passagier op een schip naar Panama.

    Eenmaal aan boord lijkt Lucas een afstandelijke observator, maar in feite is hij ontredderd, ontheemd en kwetsbaar. Gabriela, die in gezelschap van haar man en kinderen reist, geeft hem zijn zelfgevoel terug. Zij vertelt Lucas de geschiedenis van haar leven, van haar jeugd in de jungle van Noordoost-Argentinië tot haar arrestatie en marteling door de junta en tenslotte haar redding door haar huidige man, Hugo. Zij vertelt niet alleen, ze bemint Lucas omdat zij wil weten of zij nog tot intimiteit in staat is. Beiden zijn zich ervan bewust dat hun erotische ontmoeting tot niets kan leiden.

    Dan nemen de ontreddering en het gevoel ontheemd te zijn bij Lucas toe. Hij doorziet de onontwarbare knoop in het leven van Gabriela (die in dit korte bestek niet kan worden beschre¬ven), een verknoping die een heftige politieke aanklacht inhoudt. Gabriela concludeert: ‘Voor ons, Zuid-Amerikanen, is alles chaos.’ Haar tragische levensgeschiedenis is een metafoor voor Latijns Amerika.

    Brokken heeft de gruwelen van de Argentijnse junta nabij gebracht door een erotische relatie te beschrijven. Maar het politieke engagement wordt overheerst door het psychologische drama dat zich in Gabriela heeft voltrokken en dat Lucas nooit zal kunnen vergeten. Of voltrekt dat drama zich in Lucas en is hij het die wil weten of hij nog tot intimiteit in staat is? Eenduidig is de roman zeker niet.

    Voel maar is sober en helder geschreven, met korte treffende dialogen, in een taal die aan weinig woorden genoeg heeft en die daarom klassiek genoemd zou kunnen worden.

  • Geertrui Daem - Koud

    Rapport Geertrui Daem:
    Met de roman Koud loopt Geertrui Daem meer dan ooit in het spoor van de grote Vlaamse vertellers. Het verhaal speelt zich trouwens af op een steenworp van de industriestad Aalst en in een zelfde milieu als door Louis-Paul Boon werd beschreven.

    Daar leven een voormalige beroepssoldaat en zijn veertienjarige dochter. De man is een gewezen vrijwilliger van het Belgische bataljon dat in de jaren vijftig in Azië het toen gevreesde communisme is gaan bestrijden. Maar de Koude Oorlog is voorgoed voorbij en de Korea-veteraan voelt zich door de gemeenschap, die vandaag de mond vol heeft van het idealisme van de Blauwhelmen, in de kou gezet. Vooral het feit dat hij bij zijn eigen dochter geen waardering, laat staan bewondering, kan afdwingen voor zijn vroegere heldendaden, doet hem veel verdriet.

    Terwijl de vader in de roman doorlopend zichzelf en zijn verleden probeert te rechtvaardigen, doet de dochter vooral verslag van de gebeurtenissen die haar leven bepalen: de wereld van de school en van haar vriendinnen, waarin ook dood en verdriet komen inbreken. De personages van Daem drukken zich uit in een kleurrijke en beeldrijke volkstaal die onder haar pen een grote natuurlijkheid en vanzelfsprekendheid krijgt. Koud is een zeer oraal boek dat de personages op een vaak aandoenlijk-onbeholpen manier hun gevoelens en bevindingen laat ventileren, waarbij de schrijfster de lezer de indruk geeft dat ze nauwelijks intervenieert.

    Hoewel hier een grauwe en troosteloze werkelijkheid wordt geschilderd van kleine luyden, die vergeefse moeite doen om aan de tredmolen van hun trieste bestaan te ontkomen, tendeert het boek niet naar een uitgesproken aanklacht tegen sociale achteruitstelling. Tussen de regels lees je wel een mededogen van de schrijfster met hun lot.

    Geertrui Daem schreef met Koud een onvergetelijk boek en biedt met dit aangrijpende duet tussen vader en dochter, literair weerwerk tegen melige en banale soaps over gezinsrelaties.

  • Margriet de Moor - Kreutzersonate

    Rapport Margriet de Moor:
    Het boek begint met een openingszin die de lezer meteen midden in het verhaal plaatst. De chronologische reconstructie van de tekst legt het begin – een poging tot zelfmoord – ergens in de jaren zestig van de vorige eeuw. Jaren later, als hij inmiddels een bekend muziekcriticus is geworden, ontmoet Marius van Vlooten de ik-figuur aan wie hij zijn verhaal vertelt van het meisje dat hem bedroog en het noodlottige schot dat hem blind heeft gemaakt. De locatie is de luchthaven van Brussel en een vliegtuig op weg naar Bordeaux, waar de twee reizigers een masterclass zullen bijwonen waar onder meer Janáèeks eerste strijkkwartet, de Kreutzersonate, zal worden gespeeld. In Bordeaux vindt de eerste ontmoeting plaats tussen Suzanna Flier, eerste violiste, en de blinde Marius. Zij worden hartstochtelijk verliefd en zullen trouwen. Na de hartstocht komt de haat en een dreigende scheiding, na de haat een onverwachte verzoening. De lezer wordt keer op keer verrast.

    Er zijn duidelijke parallellen en enkele opmerkelijke verschillen met de novelle van Tolstoj. De Kreutzersonate van Beethoven is bij De Moor de Kreutzersonate van Janáèek geworden. In beide verhalen is sprake van een toehoorder die het relaas moet aanhoren van iemand die uit jaloezie zijn vrouw wilde vermoorden en dat in het verhaal van Tolstoj ook inderdaad heeft gedaan. De treinreis bij Tolstoj heeft bij De Moor plaatsgemaakt voor vliegverkeer. Bij deze verschillen zijn de hartstocht, de jaloezie en de eenzaamheid dezelfde gebleven.

    De Moors herschrijving dwingt grote bewondering af. De vraag kan gesteld worden of zij met haar karakterisering van het effect van muziek, de ingenieuze constructie van het plot en het nauwelijks uitgesproken compromis dat na de blinde woede nog mogelijk bleek, Tolstoj niet naar de kroon steekt.

  • Harry Mulisch - Siegfried

    Rapport Harry Mulisch:
    Wanneer de altijd al door de Tweede Wereldoorlog en Hitler geobsedeerde Nederlandse schrijver Rudolf Herter in Siegfried wordt uitgenodigd om in Wenen een lezing te geven naar aanleiding van de Duitse vertaling van zijn roman ‘De uitvinding van de liefde’, reist hij naar de bronnen van zijn obsessie. Tijdens de interviews die hij geeft komt vanzelf zijn oude drang boven om ooit door middel van de fantasie greep te krijgen op het verschrikkelijke raadsel Hitler.

    De werkelijkheid helpt zijn verbeelding. Na afloop van de lezing maakt hij kennis met een oud echtpaar, dat als bedienden voor Hitler blijkt te hebben gewerkt op zijn buitenverblijf. Ze vertellen hem wat ze altijd geheim hebben gehouden. Wat het echtpaar aan Herter vertelt en het afschuwelijke geheim uit het leven van Hitler en Eva Braun bezorgen Herter het definitieve inzicht dat Hitler het ‘Niets’ moet zijn geweest, de personificatie van het absolute nihilisme, de volstrekte macht die geen enkele waarde erkent. Dit is het absolute nihilisme waarvan Nietzsche voorzag dat het de twintigste eeuw zou gaan beheersen.

    Met begenadigde eenvoud en vanzelfsprekendheid, zonder dat het ten koste gaat van het besef dat het over het allerergste gaat, beschrijft Mulisch het ‘satanische domein’ waarin Herter zich hiermee begeeft: de gedachte dat Hitler begrepen moet worden als het ‘Totaal Andere’, als een ‘buitenzijnswezen’.

    Door de obsessie van Herter te doorschieten met zelfspot en door Herters meegereisde vriendin verbaasd, verontrust en ironisch commentaar te laten geven biedt Mulisch de lezer een uitweg uit de vertelde verschrikkingen en de lichtelijk absurde filosofische en historische hersenspinsels van Herter. De dwingende logica daarvan veroorzaakt zijn eigen ondergang.

    In Siegfried heeft Harry Mulisch een manier gevonden om zijn levenslange obsessie een superieure vorm te geven. Met groot gemak worden dagelijkse zaken, filosofie, zelfgebakken mythische verbanden, historische details, biografische kennis en gegevens over het nationaal-socialisme en de wereld van Hitler in de roman verwerkt. Het maakt van Siegfried een roman waarin een brisant historisch gegeven op pijnlijk-luchtige manier wordt opgeroepen en uitge¬werkt B eens te meer het bewijs dat Mulisch een zeldzame greep heeft op vorm en inhoud.

  • Chaja Polak - Over de grens

    Rapport Chaja Polak:
    Chaja Polak zei ooit: ‘Mensen zijn kuddedieren. Ze klitten in groepen bij elkaar. Als je middenin zit, gebeurt er niet veel. Wat mij fascineert, zijn de randen. De mensen die er niet helemaal bij horen.’

    De hoofdpersoon uit Over de grens, de joodse Rosa van Esso, dochter van een onderduiker en een Auschwitz-overlevende, is ook zo iemand die er niet helemaal bij hoort. De zeven delen van de roman beschrijven in chronologische volgorde telkens een episode uit haar leven tussen de jaren zestig en negentig. De ene keer ligt het perspectief bij haar, de andere keer vervult ze een bijrol. Zo is de centrale figuur in het eerste deel een statenloze Poolse jood die na zijn onderduik¬periode in een Normandisch dorpje met zijn Franse redster getrouwd is en met haar een gezin heeft gesticht. Hij weet zich met moeite te handhaven in zijn nieuwe omgeving, en als de Nederlandse Rosa komt logeren verdedigt hij zijn gezinsgeluk zo krampachtig dat het bijna te gronde gaat. Dat hij Rosa daardoor buitensluit, vindt hij van minder belang.

    In een ander deel woont Rosa, pasgetrouwd, in een villa in Rome. Als haar man naar zijn werk is, blijft zij alleen achter, met de illegale Roemeense werkster. Rosa probeert haar duidelijk te maken dat ze niet echt een rijke, westerse mevrouw is, maar zich eigenlijk veel meer verwant voelt met de Roemeense vluchtelingen. Het gevoel van verwantschap blijkt echter niet weder¬zijds. Door de perspectiefwisselingen krijgt de persoon Rosa diepte. Haar leven staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van een fijn geweven web van menselijke relaties.

    Chaja Polak schrijft haar romans en verhalen vaak vanuit de positie van een kind. Een kind dat niet begrijpt wat zijn ouders is overkomen, maar altijd het gevoel heeft dat het een onherstel¬baar verlies moet goedmaken. In Over de grens wordt het kind gaandeweg volwassen, maar Rosa behoudt haar kinderlijke blik en blijft worstelen met vragen over het verleden van haar ouders. Als ze daarop uiteindelijk een antwoord krijgt, komt het rustige, illusieloze ‘middenbestaan’ waarbij ze zich heeft neergelegd, alsnog op losse schroeven te staan.

    Weinig dingen zijn moeilijker dan op een niet-sentimentele en toch invoelbare manier te schrijven over de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan. Chaja Polak kan het. Ze schrijft sober, fijnzinnig en heel beeldend. De wisselende invalshoeken in de opeenvolgende episodes vergroten de reikwijdte van de roman en tillen hem uit boven de ‘tweede-generatieliteratuur’. Uiteindelijk gaat Over de grens over thema’s die iedereen aangaan, over verlies, eenzaamheid en bindingsangst, over hoe mensen worden bepaald door gebeurtenissen in hun leven en hoe moeilijk ze zich daarvan kunnen losmaken.

Longlist

Naar de overzichtspagina

Delen