Libris Literatuur Prijs 2007

Ga direct naar

Details:

Aantal inzendingen: 160 titels
Prijzengeld: 65.000 euro
Winnaar: 50.000 euro
Genomineerden: ieder 2.500 euro
Plaats en datum uitreiking: Amsterdam, Amstel Hotel, 7 mei 2007

Rapport:

Vier mannen, één vrouw. We lazen. Verslaafd aan het regelmatige ritueel van een kist met boeken die ons, steeds weer vol verrassingen, werd thuisbezorgd en aan de levendige, maar opvallend eensgezinde discussies die zouden volgen. In de wetenschap dat schrijvers geen boeken schrijven om aan een wedstrijd mee te doen. Een literaire prijs is geen wedstrijd tussen schrijvers, maar tussen boeken.

De Libris Literatuur Prijs is – de naam zegt het al - een literaire prijs. Maar het literaire gehalte van de jaaroogst 2006 is ons, eerlijk gezegd, niet meegevallen. Lag dat aan ons? Zijn wij misschien een verwende jury, verwend met de canon van de Nederlandstalige literatuur en het beste uit de contemporaine buitenlandse literatuur? Lag het aan de uitgevers die met hun marktdenken een overdaad aan ‘doelgroepenproza’ produceerden? Commercieel wellicht interessant, maar literair? We lazen veel ‘workshopproza’: braaf maakwerk, in de beste gevallen gepolijst en foutloos, maar onpersoonlijk en zielloos. We lazen veel boeken die de indruk wekten dat redactionele begeleiding in uitgeversland geen hoge prioriteit (meer) heeft: boeken die blijven steken in een gemakzuchtig idee, die lijden aan stilistische onbeholpenheid of wijdlopigheid; boeken vol slordigheden; boeken die met een zorgvuldiger begeleiding en een minder haastig uitgeefbeleid aan kwaliteit hadden kunnen winnen.

Ook in de literatuur leiden vele wegen naar Rome, maar dat neemt niet weg dat in deze jury bepaalde bezwaren steeds terugkeerden. Thematisch gezien zoeken veel schrijvers het dicht bij huis, en als de locaties ver weg gezocht worden, komen de problemen toch weer uit de huiselijke kelder. Het autobiografische genre leidt nogal eens tot verhalen met een zwakke structuur en het verhaal overstijgt zelden het individuele drama. Maar ook waar het fictie betreft blijken verhalen met een goede plot, die vlot verteld zijn en een overtuigend slot hebben, dun gezaaid te zijn. Waar ‘straatrumoer’ opklinkt, blijft dat veelal steken in een eendimensionaal realisme – eerder sociologisch interessant dan literair.

En: waar waren de vrouwen? Het vrouwelijke jurylid sloeg haar hoofd tegen de muur. Niet opgepast. Je wist toch hoe dat ging met zo’n mannenjury. Je las dat toch iedere dag in de kranten. Ze haalde alle door een vrouw geschreven boeken uit de dozen, ruim vijftig van de 160. Wat een fatsoenlijk percentage! En ze herlas: lichtgewicht, kleine persoonlijke wissewasjes, thrillers, relatieproblemen, al of niet in moord eindigend, of in een cursus. Zijn het de vrouwen die deze thema’s kiezen of de uitgevers?

Uit de oogst van 160 boeken bleven uiteindelijk toch nog zo’n vijfendertig titels over die in principe in aanmerking kwamen voor een longlistnominatie. Het kostte ons geen moeite om daar een gevarieerde longlist uit samen te stellen met achttien boeken die stuk voor stuk getuigen van literair vakmanschap, durf en visie. Misschien zelfs wel noodzaak. Boeken die laten zien dat literatuur meer kan zijn dan een spelletje, boeken waarin iets op het spel staat. Geschreven door schrijvers die een vinger aan de pols van de tijd houden, of diep in eigen vlees snijden. Hoe dan ook: onvergetelijk.

Met voor ons allemaal een beetje pijn in het hart moesten we bij de keuze voor de laatste zes afscheid nemen van boeken die ons dierbaar zijn. Maar de trots waarmee we onze keuze kunnen presenteren, verzacht de pijn.

De jury
Cox Habbema, voorzitter
Hans Bouman
Alle Lansu
Wilbert Smulders
Erik Vlaminck

Uitreikingsrapport:

De jury had uiteindelijk de luxe te kunnen kiezen uit zes prachtboeken.

Het oer-Hollandse stilleven van Gerbrand Bakker, waarin de geladen bewegingloosheid van een eenzaam bestaan wordt opgeroepen in een tot op het bot gesnoeide taal.

Het verbluffende mozaïek van subjectieve perspectieven waarmee Louis van Dievel zichtbaar maakt hoe het delicate weefsel van een volks buurtleven begint te scheuren.

Arnon Grunbergs vlijmscherpe demasqué van een immens eenzame controlefreak wiens leven achter een façade van succes langzaam maar zeker uit elkaar valt.

De bevlogen roman waarin Tom Lanoye onder het oppervlak van een immigratieverhaal spitsvondig en uiterst vitaal verhaalt over de onmogelijkheid om jong te blijven.

Het dramatische, maar ingetogen vertelde verhaal van Sana Valiulina over twee mensen die opgroeien in de Sovjet-Unie van Josef Stalin.

Het grimmige, gracieuze doordenkboek van L.H. Wiener: een dwingende zoektocht naar catharsis in de worsteling met vrouwenhaat en misantropie.

Als voorzitter van de jury deel ik u mee dat wij unaniem hebben gekozen voor een indrukwekkende, verontrustende roman die laat zien wat literatuur vermag in het blootleggen van de tijdgeest en de menselijke conditie. De Libris Literatuur Prijs 2007 gaat naar Tirza van Arnon Grunberg.

De jury
Cox Habbema, voorzitter
Hans Bouman
Alle Lansu
Wilbert Smulders
Erik Vlaminck

Winnaar

  • Arnon Grunberg - Tirza

    Rapport winnaar
    De overtuiging dat beschaving niet meer is dan een flinterdun vernis loopt als een rode draad door het werk van Arnon Grunberg. In Tirza is het niet anders. In deze verbluffende roman schetst hij een vlijmscherp demasqué van een angstvallige burgerman, wiens leven achter een façade van succes langzaam maar zeker voor onze ogen uit elkaar valt.

    Op het eindexamenfeest van zijn jongste dochter Tirza zien we Jörgen Hofmeester de rol spelen van de voorbeeldige gastheer. Hij is een man die het allemaal voor elkaar dacht te hebben, die de leeftijd dacht te hebben bereikt waarop niets hem nog uit het evenwicht zou kunnen brengen. Maar terwijl de zelfgemaakte sushi’s en de gebakken sardientjes rondgaan en de glazen worden gevuld, doet Grunberg in naadloos verweven flashbacks geleidelijk uit de doeken hoe deze controlefreak op alle vitale fronten de grip op zijn leven is kwijtgeraakt.

    Als vader is hij een tragische figuur die in de allerbeste bedoelingen is blijven steken. Zo heeft hij in zijn angstvallige rol als beschermer zijn oudste dochter van zich vervreemd. Op Tirza, zijn oogappel die hij voor hoogbegaafd houdt, heeft hij de hooggespannen verwachtingen die hij in zijn eigen leven niet heeft kunnen waarmaken, geprojecteerd en zodoende in de hand gewerkt dat het meisje een eetstoornis ontwikkelde. In zijn poging om zijn kinderen een materieel goed verzorgde toekomst te bezorgen, heeft hij als belegger zijn kapitaal zien verdampen in de economische recessie na 11 september.

    Door de terugkeer van zijn echtgenote – een week voor het eindexamenfeest, na drie jaar samenleven met een jeugdliefde – wordt hij nog eens pijnlijk geconfronteerd met de grote vergissing van hun huwelijk. Als redacteur bij een uitgeverij, en voorbestemd om op de stoel van de uitgever terecht te komen, is hij een paar jaar voor zijn pensioen met behoud van salaris boventallig verklaard, een schande die hij maskeert door dagelijks op Schiphol onbekenden uit te zwaaien.

    Als op de avond van het feest Tirza haar nieuwe vriend presenteert, meent Hofmeester in deze Marokkaanse jongen Mohammed Atta te herkennen, de man die voor hem het gezicht is geworden van zijn financiële debacle. Dat hij zijn lievelingsdochter, de strohalm waaraan hij zich vastklampt in het zicht van een eenzame oude dag, uitgerekend aan deze jongeman dreigt te verliezen, voedt zijn paranoïde obsessie. Die leidt tot een dramatische ontknoping, die Grunberg op listige wijze heel lang voor de lezer verborgen weet te houden. Dan zijn we inmiddels mét Jörgen Hofmeester in Zuidelijk Afrika beland. In het verstilde sluitstuk van de roman volgen we de ongeruste vader die zijn dochter gaat zoeken in de woestijn van Namibië, in gezelschap van het negenjarige straatmeisje Kaisa. Meer dan ooit wordt dan de immense eenzaamheid van Jörgen Hofmeester voelbaar, nog eens benadrukt door het zwijgende meisje tegen wie hij aan praat, over Tirza, over het leven, over zichzelf.

    In z’n vorm is Tirza een indrukwekkend voorbeeld van een roman waarin de schrijver het verhaal consequent door middel van scènes verbeeldt. It’s all showing, no telling. In een uitgebalanceerde compositie van sterke scènes varieert Grunberg voortdurend tussen ontluistering en ontroering. Juist in die combinatie van het schrijnende en het ontroerende schuilt het mededogen waarmee deze literaire striptease van een ogenschijnlijke idylle wordt voltrokken. Daarbij is het indrukwekkend hoe de vijfendertigjarige Grunberg met groot empatisch vermogen de deconfiture van de middelbare echtgenoten verbeeldt. Vlijmscherp toont hij hen in hun ontluistering, maar tegelijkertijd weet hij ook de tragiek van hun ontgoocheling zichtbaar te maken. In zijn scènes uit een huwelijk doet Tirza soms denken aan de schrijnendste momenten in Who’s Afraid of Virginia Woolf. Grunberg excelleert ook in de vader-dochter-scènes, waarin pijnlijk de ontreddering en de machteloosheid voelbaar wordt van een vader die zijn dochter langzamerhand meer nodig heeft dan zij hem.

    Tirza is een verontrustende roman waarin de schrijver ons meer dan ooit een spiegel voorhoudt. Ecce homo, zie de mens – lijkt hij te zeggen. In het bijzonder de zelfgenoegzame westerse mens, die sinds 11 september 2001 veel van z’n zekerheden heeft zien verdampen en in al z’n angstvalligheid en vertwijfeling het kwaad van buiten vreest, zonder te zien hoezeer het ook in hemzelf schuilt. Jörgen Hofmeester, dat zijn wij.

    In Tirza laat Arnon Grunberg zien wat literatuur vermag in het blootleggen van de tijdgeest en de menselijke conditie. De jury verkoos de roman unaniem tot het beste uit de literaire oogst van 2006.

    Nominatierapport
    Vrijwel identiek aan het rapport bij het bekendmaken van de winnaar

    Laudatio van de jury voor Tirza
    ‘Je weet niet wie je bent, tot je de controle verliest’ – misschien is dat wel de sleutelzin van de roman Tirza van Arnon Grunberg. En Grunberg laat de controlefreak Jörgen Hofmeester achter een façade van succes op alle vitale fronten de grip op zijn leven kwijtraken: als vader die blijft steken in de beste bedoelingen, als afgedankte echtgenoot, als ontslagen redacteur, als failliete belegger… maar hij laat hem nooit vallen – zelfs niet als dat controleverlies tot een gruwelijke daad leidt. In scènes die voortdurend variëren tussen ontluistering en ontroering laat hij Hofmeester zien in al zijn machteloosheid, ontreddering, obsessieve angstvalligheid en immense eenzaamheid.

    Zo zijn wij, houdt hij ons voor. Als je dat – op je vijfendertigste - onder ogen durft te zien, en met zoveel empathie en mededogen op kunt schrijven, dan ben je een grote schrijver.

    Tirza is een verbluffende, maar vooral ook verontrustende roman, waarin Arnon Grunberg ons misschien wel meer dan ooit een spiegel voorhoudt. Hij schetst een vlijmscherp portret van de zelfgenoegzame westerse mens die sinds 11 september 2001 veel van zijn zekerheden heeft zien verdampen en in al z’n angstvalligheid en vertwijfeling het kwaad van buiten vreest, zonder te zien hoezeer het ook in hemzelf schuilt. Jörgen Hofmeester, dat zijn wij.

Genomineerd

  • Gerbrand Bakker - Boven is het stil

    Rapport Gerbrand Bakker:
    De roman van Gerbrand Bakker, Boven is het stil, is net zoals het landschap waarin het verhaal gesitueerd is: stil, sober en vlak, met veel groen van weilanden en veel grijs van wolken dat in de waterlopen gespiegeld wordt, en met soms een bevrijdende blik op de blauwe hemel die alles overkoepelt. Dit oer-Hollandse stilleven blijft onberoerd door wat critici ‘straatrumoer’ noemen. Bakkers literaire debuut staat in de grote traditie van onze zeventiende- en negentiende-eeuwse schilders, Van Schendels Hollandse romans en gedichten als Marsmans Herinnering aan Holland.

    Het bestaan dat de introverte vijftiger Helmer van Wonderen leidt op een boerderij tussen Purmerend en Monnickendam, kenmerkt zich door een geladen bewegingloosheid. Alles wat aanvankelijk in zijn leven bewoog, is tot staan gekomen: zijn geliefde, bij een auto-ongeluk verdronken tweelingbroer Henk, zijn gefnuikte academische studie, zijn zielsverwante moeder die overleden is, de indertijd door zijn vader ontslagen boerenknecht Jaap die Helmer na Henks dood emotioneel gered heeft, en tenslotte zijn gehate, inmiddels hoogbejaarde vader, die op sterven ligt en die door Helmer weliswaar plichtsgetrouw wordt verzorgd, maar die hij tegelijkertijd letterlijk doodzwijgt. De contacten die hij met de buitenwereld heeft, zijn minimaal. Helmer zit vooral ‘onder de koeien’, een isolement en een onvervuldheid waar zijn onderdrukte en subtiel gesuggereerde homoseksualiteit toe bijdraagt. Uiteraard sluimert er in dit eenzame, afgepaste bestaan een diep verlangen naar een minder passieve band met de wereld en met iemand anders.

    En dan roert zich onrust in dit gelaten bestaan. De aanzet tot die omslag wordt al gegeven in de eerste, onvergetelijke zin van de roman: ‘Ik heb vader naar boven gedaan.’ Vervolgens doet Helmer de doden en bijna-doden, die zijn leven tot dan toe beheerst hebben, in figuurlijke zin ‘naar boven’, terwijl er dan een ‘beneden’ ontstaat waar de komst van een bonte kraai nieuwe kansen aankondigt. Helmer onderwerpt niet alleen het woonhuis van de boerderij, maar zijn hele bestaan aan een voorzichtige herinrichting. Hij treedt te voorschijn uit de schaduw van zijn verongelukte broer, en wel door toedoen van een onverwacht contact met diens vroegere geliefde, en vooral met haar zoon, die als knecht op de boerderij komt werken.

    Er komt beweging, licht en lucht in Helmers bestaan, maar omdat dit nogal laat in zijn leven gebeurt, blijft de vreugde daarover uiterst ingetogen. Er is dan ook zeker geen sprake van een plotse breuk met het verleden, veeleer van een overvloeier naar iets nieuws. Daarom klinken zelfs de lichte tonen getemperd, en bovendien klinken ze tegen de achtergrond van wat de prachtige bastoon van de roman is: de plichtsgetrouwe maar stuurse verzorging van zijn terminale vader tot vlak vóór het einde van het verhaal. Zelfs deze man komt hem op de valreep toch nog enigszins nabij. De roman eindigt met een bescheiden perspectief op een zekere levensvervulling. Met de slotzin ‘Ik ben alleen’ wordt paradoxaal genoeg juist een isolement doorbroken.

    De stijl is net als het landschap: onnadrukkelijk, maar geserreerd. Bakker hanteert een tot op het bot gesnoeide taal als instrument om een sfeer van eenzaamheid en verlangen op te roepen. Deze stijl blijkt bijzonder geschikt voor de verbeelding van dit verstilde, maar intense polderdrama.

    Laudatio van de jury voor Boven is het stil
    De roman van Gerbrand Bakker Boven is het stil is net zoals het landschap waarin het verhaal is gesitueerd: stil, sober en vlak. Bakkers literaire debuut is een oer-Hollands stilleven, dat in de grote traditie staat van onze zeventiende- en negentiende-eeuwse schilders, Van Schendels Hollandse romans en gedichten als Marsmans ‘Herinnering aan Holland’.

    Het leven van de vijftiger Helmer van Wonderen op een boerderij tussen Purmerend en Monnickendam kenmerkt zich door een geladen bewegingloosheid. Lang geleden heeft het toeval er elke vaart uitgehaald en alle perspectief aan ontnomen. Maar in dit eenzame, afgepaste bestaan sluimert een diep verlangen naar een minder passieve band met de wereld en met iemand anders. Er komt dan ook voorzichtig beweging in Helmers bestaan. Er is geen sprake van een plotse breuk met het verleden, veeleer van een ingetogen overvloeier naar iets nieuws.

    Toch wordt ook deze lichte toon getemperd door wat de prachtige bastoon van de roman is: de plichtsgetrouwe maar stuurse verzorging van zijn doodzieke vader. Het boek eindigt met een bescheiden perspectief op een zekere levensvervulling. En de laatste zin van de roman,‘Ik ben alleen’, bezegelt paradoxaal genoeg Helmers bevrijding. Bakker hanteert een tot op het bot gesnoeide taal als instrument om een sfeer van eenzaamheid en verlangen op te roepen. De stijl is net als het landschap: onnadrukkelijk en geserreerd, bij uitstek geschikt voor de verbeelding van dit intense polderdrama.

  • Tom Lanoye - Het derde huwelijk

    Rapport Tom Lanoye:
    ‘Je trouwt met haar, je woont met haar, je leeft met haar. Maar raak haar aan en ik sla je morsdood.’ Met deze zin opent de roman Het derde huwelijk van Tom Lanoye. De woorden zijn gericht aan de hoofdpersoon van het boek, Maarten Seebregs. Deze wordt gevraagd tegen betaling een schijnhuwelijk aan te gaan met een jonge Afrikaanse, Tamara geheten, teneinde haar zo aan een verblijfsvergunning te helpen. Na een halfjaar zullen de twee scheiden en is de Afrikaanse vrij in de EU een nieuw leven te beginnen.

    In Het derde huwelijk werpt Tom Lanoye zich, net als met eerder werk, op de thematiek van migratie en het multiculturele Europa. De twee hoofdpersonen in het boek zijn niet alleen representanten van hun respectievelijke continenten, maar ook de belichaming van Europa en Afrika, zoals de auteur deze beide werelddelen ziet. Seebregs, een werkloze lichttechnicus annex filmlocatiescout van in de vijftig, is homoseksueel en leidt aan een niet nader gespecificeerde dodelijke ziekte. Hij staat voor het gecorrumpeerde Europa, in de roman ‘Het versleten continent’ genoemd. Lanoye’s Europa is een fort vol pretentie, dat een muur opwerpt tegen gelukszoekers die hunkeren naar het vermeend paradijs. Tamara is het vitale en hoopvolle Afrika, maar staat ook voor de jeugd en de toekomst.

    Want het boek gaat niet alleen over de grens tussen twee continenten, en de pogingen die te overschrijden. Onder het oppervlak van een immigratieverhaal, handelt het boek over de grenzen van jeugd, leven, liefde, het lichaam – over de onmogelijkheid om jong te blijven. De echte grens, zo ontdekt hoofdpersoon Maarten Seebregs, is niet die tussen twee continenten, maar die tussen hoop en wilskracht enerzijds, en cynisme en onverschilligheid anderzijds. De auteur geeft deze visie niet gestalte via een breed uitgewerkte plot, maar schetst in kleine scènes de portretten van twee mensen met elk volstrekt verschillende visies op en verwachtingen van het leven.

    Hoewel het boek een nadrukkelijk sociaal-maatschappelijke thematiek heeft, blijft het geenszins steken op het niveau van een bevlogen pamflet. Lanoye heeft in Maarten Seebregs een pregnant portret geschilderd van een verscheurd en verlopen mens, die zijn emoties op bekwame wijze heeft dichtgeplamuurd met venijnig cynisme en een overtuigend uitgewerkte beroepsdeformatie, waarbij de ontslagen locatiescout bijna elke scène in zijn leven tracht te duiden in filmtermen. Het accentueert de kunstmatigheid van zijn bestaan, maar draagt tegelijkertijd bij aan de levendigheid van de roman. De ironie doet zich dan ook voor dat Maarten Seebregs een uiterst vitale evocatie is van een man die zichzelf heeft afgeschreven.

    Via het opvoeren van twee ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken voegt Lanoye aan dit portret een absurdistisch aandoend, maar feitelijk dicht bij de werkelijkheid staand element toe. De auteur integreert het dikwijls hilarische optreden van dit tweetal fraai in de gewichtige thematiek van de roman, waardoor de scènes bijdragen aan de evenwichtigheid van het boek. De roman is geschreven in een soepele, dikwijls speelse en spitsvondige stijl, die aangenaam contrasteert met de thematiek die hij behandelt.

    Het derde huwelijk staat middenin de maatschappelijke realiteit van dit moment. Het is een bij vlagen grimmig boek dat afwisselend irriteert, intrigeert, schokt, tot nadenken noopt en regelmatig tot lachens toe amuseert.

    Laudatio van de jury voor Het derde huwelijk
    In Het derde huwelijk werpt Tom Lanoye zich op de thematiek van migratie en het multiculturele Europa. Hij doet dit aan de hand van twee overtuigend geportretteerde hoofdpersonen: de cynische, aan een dodelijke ziekte lijdende Maarten Seebregs en het jonge Afrikaanse meisje Tamara, die een schijnhuwelijk aangaan. Seebregs is te beschouwen als de belichaming van een pretentieus en zelfingenomen Europa. Tamara als het zinnebeeld van een vitaal en hoopvol Afrika.

    Onder het oppervlak van dit immigratieverhaal, handelt Het derde huwelijk over de grenzen van jeugd, leven, liefde, het lichaam – over de onmogelijkheid om jong te blijven. Ondanks zijn nadrukkelijk sociaal-maatschappelijke thematiek, blijft de roman geenszins steken op het niveau van een bevlogen pamflet. Daarvoor spatten het eigenzinnige verteltalent en de soepele, speelse en spitsvondige stijl te zeer van de pagina’s. Het is ironisch, maar een zegen voor de lezer, dat Maarten Seebregs een uiterst vitale evocatie is van een man die zichzelf heeft afgeschreven.

    Ook de humorist Lanoye doet in dit boek van zich spreken, onder meer via het schijnbaar absurdistische portret van twee ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken. Het derde huwelijk is een bij vlagen grimmig boek dat afwisselend irriteert, intrigeert, schokt, tot nadenken noopt en regelmatig tot lachens toe amuseert.

  • Sana Valiulina - Didar en Faroek

    Rapport Sana Valiulina:
    Met Didar en Faroek schreef Sana Valiulina een roman die binnen de literaire oogst van 2006 een bijzondere, in veel opzichten zelfs unieke plaats inneemt: het verhaal van twee mensen die opgroeien in de Sovjet-Unie van Josef Stalin. De schrijfster, een Estische Russin van Tataarse afkomst met de Nederlandse nationaliteit, liet zich daarbij inspireren door de levensverhalen van haar ouders.

    Didar en Faroek beslaat een tijdsspanne van 35 jaar en vertelt de wederwaardigheden van zijn twee hoofdpersonen tegen de achtergrond van enkele van de meest dramatische gebeurtenissen van de afgelopen eeuw. Dit geschiedt goeddeels aan de hand van twee separate verhaallijnen. Het personage Didar wordt gepresenteerd als een knap, eigenzinnig, extravert, ambitieus en tegelijkertijd naïef meisje, dat een actieve rol speelt in de jeugdbeweging van de Communistische Partij. Haar verre achterneef Faroek is haar tegenpool. Hij oogt onopvallend, is verlegen en zwijgzaam, maar van naïviteit is bij hem geen sprake. Reeds als kind heeft hij een wantrouwen jegens de taal ontwikkeld, omdat deze door zijn omgeving slechts wordt gebruikt om er leugens mee te vertellen.

    Didar en Faroek zien elkaar voor het eerst op een familiebruiloft als ze dertien zijn. Het zal 20 jaar duren voor ze elkaar opnieuw ontmoeten. Intussen vinden Stalins zuiveringen van de jaren dertig en de slachtingen van de Tweede Wereldoorlog plaats, en verliest Didar haar familie en vrienden aan oorlogsgeweld en ideologische meedogenloosheid. Op brute wijze wordt ze van haar ooit zo brandende geloof in de communistische heilstaat genezen. Ze zoekt contact met Faroek, in een poging althans één vriendschap op te kunnen bouwen. Het wordt het begin van een jarenlange correspondentie. Faroek ondertussen, is ten prooi aan de willekeur van het lot. Hij neemt dienst in het Rode Leger, overleeft zijn rol als kanonnenvoer en belandt in Duitse gevangenschap. Hij wordt tewerkgesteld aan de Atlantikwal, moet deze vervolgens helpen verdedigen en wordt daarna krijgsgevangene van de geallieerden. In plaats van na zijn repatriëring als held van het vaderland te worden binnengehaald, belandt hij als landverrader in de goelag. Pas na tien jaar komt hij vrij en hebben Didar en hij, op het treinstation van Moskou, hun eerste ontmoeting.

    Hoewel Didar en Faroek verhaalt over buitengewoon dramatische gebeurtenissen, is het boek op ingetogen wijze geschreven. Het melodrama, dat door de aard van de gebeurtenissen voortdurend op de loer ligt, wordt door Valiulina zorgvuldig omzeild. Verder biedt de roman, naast het nietsontziend marcheren van de wereldgeschiedenis, ook plaats aan lichtvoetiger onderwerpen, zoals familieverwikkelingen en liefdesaffaires. Indringend zijn de beschrijvingen van het dagelijkse leven van Tataarse families temidden van hun Russische landgenoten. Valiulina’s liefdevolle portret van deze vreedzame islamitische bevolkingsgroep representeert een vandaag de dag niet heel vaak gehoord geluid.

    Didar en Faroek heeft een gecompliceerde, voortdurend in plaats en tijd verspringende structuur, die recht doet aan de dikwijls irrationeel en discontinu aandoende gebeurtenissen die het beschrijft. Maar het is eerst en vooral een buitengewoon humaan boek, dat ons de mens toont in al zijn zwakte en al zijn glorie. Het boek, dat naar verluidt door de schrijfster à la Dostojevski en Tolstoi als feuilleton werd geschreven, combineert de invloeden van een oude Russische verteltraditie met levend en overtuigend Nederlands. Het resultaat is een roman, waar de Nederlandse literatuur trots op mag zijn.

    Laudatio van de jury voor Didar en Faroek
    Met Didar en Faroek schreef Sana Valiulina een roman die binnen de literaire oogst van 2006 een bijzondere, in veel opzichten zelfs unieke plaats inneemt: het verhaal van twee mensen die opgroeien in de Sovjet-Unie van Josef Stalin. De schrijfster liet zich daarbij inspireren door de levensverhalen van haar ouders.

    Hoewel Didar en Faroek verhaalt over buitengewoon dramatische gebeurtenissen, is het boek op ingetogen wijze geschreven. Het melodrama, dat door de aard van de gebeurtenissen voortdurend op de loer ligt, wordt door Valiulina zorgvuldig omzeild. Verder biedt de roman, naast het nietsontziend marcheren van de wereldgeschiedenis, ook plaats aan lichtvoetiger onderwerpen, zoals familieverwikkelingen en liefdesaffaires. Valiulina’s liefdevolle portret van vreedzame islamitische Tataren temidden van hun Russische landgenoten, representeert een vandaag de dag niet zeer vaak gehoord geluid.

    Didar en Faroek heeft een gecompliceerde, voortdurend in plaats en tijd verspringende structuur, die recht doet aan de dikwijls irrationeel en discontinu aandoende gebeurtenissen die het beschrijft. Maar het is eerst en vooral een buitengewoon humaan boek, dat ons de mens toont in al zijn zwakte en al zijn glorie. Het boek combineert de invloeden van een oude Russische verteltraditie met levend en overtuigend Nederlands. Het resultaat is een meeslepende roman, waar de Nederlandse literatuur trots op mag zijn.

  • Louis Van Dievel - De Pruimelaarstraat

    Rapport Louis Van Dievel:
    De Pruimelaarstraat van Louis van Dievel is onmiskenbaar een roman, maar meteen is ook duidelijk dat het een roman is die met fictionele middelen de impact toont van een waar gebeurde geschiedenis: drie lustmoorden die begin jaren zeventig van de vorige eeuw in een Vlaams dorpje hebben plaatsgevonden en die sindsdien deel uitmaken van het collectieve geheugen van Vlaanderen, op de wijze waarop ‘de Baarnse moordzaak’ uit de vroege jaren zestig dat in Nederland doet.

    ‘Iedere gelijkenis met bestaande personen en feiten berust op toeval’, zo staat natuurlijk vóór in Van Dievels roman vermeld. In hoeverre de opgevoerde buurtbewoners-personages teruggaan op bestaande personen uit de werkelijkheid doet er literair gezien ook niet toe: Van Dievel weet ze neer te zetten als personages die voor de lezer authentiek zijn. In een carrousel van ik-vertellers komt het relaas tot stand van vijftien buurtbewoners, de dokter, de kapelaan en de veldwachter, regelmatig onderbroken door krantenverslagen en processtukken. Zo ontstaat een verbluffend mozaïek van subjectieve perspectieven dat de lezer niet gauw meer uit handen legt. Van Dievel excelleert in het procédé dat Claus indertijd in De metsiers gebruikte - en dat deze overigens weer had afgekeken van William Faulkner met diens As I Lay Dying.

    Eerst krijgen we de reacties van de buurtbewoners op de ontdekking van de misdrijven te zien. Elk personage reageert anders op de schokkende onthullingen: met verbijstering, verdriet, woede, schuldgevoel of angst. Vervolgens krijgen we eenzelfde tour d’horizon, maar dan twee jaar later, waardoor de impact van de misdaden op de buurtbewoners duidelijk wordt. En tenslotte laat het verhaal zien hoe het oprakelen van de details, bij het strafrechtelijke proces, ingrijpt in de huwelijken en andere relaties in de buurt: hoe het vriendschappen fnuikt, vertrouwen ondermijnt en animositeit versterkt.

    Van Dievel heeft de criminele gebeurtenissen uit de werkelijkheid met succes aangegrepen als katalysator voor een roman, waarin hij als een rasverteller het intieme drama achter de feiten uit de doeken doet. Hij komt helemaal los van de historische aanleiding en geeft een indringend beeld van zompig Vlaanderen. Hij schetst het hele delicate weefsel van een volks buurtleven, met daarin de huwelijken als taaie knopen, en hij doet dat op een directe, beeldende manier, die aan Walschap, Céline en Boon doet denken. Hij toont hoe het weefsel gaat kraken en begint te scheuren, en hoe enkele knopen het dan met een knal begeven. Hij maakt aanschouwelijk wat er gebeurt wanneer buurtbewoners onder de druk komen te staan van een collectieve shock, die onwillekeurig diep verborgen angsten en frustraties naar de oppervlakte brengt. De historische feitenreeks inzake de lustmoordenaar werkt als een dramatisch middel, een hogedrukpan waarin alle zwakke plekken acuut worden, en waarin zichtbaar wordt hoe kwetsbaar het leven is van gewone mensen in een geregeld bestaan.

    Van Dievels roman is meeslepend door de trefzekerheid waarmee hij de buurtbewoners stemmen geeft in hun typisch Vlaamse parlando, door de compositie van de perspectieven en het helaas te zelden getoonde vermogen om de plot - niet van het verhaal van de lustmoorden, maar van zijn eigen, daarvan afgeleide buurttragedie - af te ronden met een slot dat dramatisch overtuigend is.

    Laudatio van de jury voor De Pruimelaarstraat
    In de jaren zeventig wordt in een Vlaams dorp een jonge lustmoordenaar opgepakt en berecht. De directe omgeving van de crimineel onderging hiervan uiteraard een shockeffect. Daarover heeft Louis van Dievel een aangrijpende roman geschreven.

    Verzonnen of niet, Van Dievel weet de buurtbewoners neer te zetten als personages die voor de lezer waar zijn, vooral door hun typisch Vlaams parlando, dat aan Walschap en Boon doet denken. In een carrousel van ik-vertellers komt het relaas tot stand van vijftien buurtbewoners. Zo ontstaat een verbluffend mozaïek van subjectieve perspectieven, dat de lezer niet gauw meer uit handen legt. Verbijstering, verdriet, woede, schuldgevoel, angst of jaloezie: elk personage reageert anders op de schokkende onthullingen.

    Van Dievel geeft in De Pruimelaarstraat een indringend beeld van zompig Vlaanderen. In geen processtuk of krantenverslag over de oorspronkelijke gebeurtenissen is het intieme drama-achter-de-feiten te vinden waarvan de rasverteller Van Dievel literatuur heeft weten te maken. Hij schetst het hele delicate weefsel van een volks buurtleven en hij toont hoe dit weefsel gaat kraken en begint te scheuren.

    Van Dievel maakt aanschouwelijk wat er gebeurt wanneer buurtbewoners onder de druk komen te staan van een collectieve shock, die onwillekeurig diep verborgen angsten en frustraties naar de oppervlakte brengt. Hij roept al deze spoken op, maar brengt ze tevens met meesterhand in het gareel van een afgerond verhaal.

  • L.H. Wiener - De verering van Quirina T.

    Rapport L.H. Wiener:
    ‘Een totaalboek wil ik schrijven, waarin de voort tikkende tijd zich niet lineair voltrekt, maar in stille cirkels en sierlijke spiralen, het heden en verleden zich vervlechten tot een zich almaar verwijdende twee-eenheid, een boek waarin verwachtingen niet afsterven in vergeefse herinneringen, maar uit herinneringen nieuwe verwachtingen worden opgewekt, een boek waaruit een aangehouden grondtoon opklinkt, als van een aangestreken bassnaar, een syntonie van somberheid en schoonheid, die in een harmonieuze versmelting zijn voleinding vindt, als een geluidloos maar veelkleurig vuurwerk van herinneringen.’

    Dat zegt Victor van Gigch, het hoofdpersonage in De verering van Quirina T., en tevens het alter ego van de schrijver, L.H.Wiener. Hiermee wordt artistiek hoog ingezet, maar de belofte wordt nagenoeg waargemaakt. De loopbaan van Victor van Gigch als leraar Engels aan het Lourens Coster Gymnasium te Haarlem loopt op zijn einde. Ondanks zijn gecompliceerde houding jegens vrouwen raakt hij in de ban van een zeventienjarige leerlinge, Quirina T. Deze fascinatie sleurt hem in een draaikolk van gedachten en herinneringen, een zoektocht naar wat was en hoe het was. Het levert een pelgrimstocht op naar de tijd en het dorp van zijn jeugd. Victor gaat, op wraak belust, op bezoek bij Catharina van Nyenbeek, een inmiddels hoogbejaarde vrouw die hem vijfenveertig jaar eerder eveneens wist te betoveren. Catharina van Nyenbeek was de flamboyante moeder van een van Victors jeugdvrienden en zij was een even onbereikbare passie als Quirina T. Anders dan Victor verwacht had, zorgt zijn bezoek voor nieuw inzicht en voor groeiend verlangen naar Quirina T. Bovendien doet het hem onvermoede facetten in het leven van zijn vader en zijn broer ontdekken.

    De verering van Quirina T. is het zoveelste grimmige doordenkboek van een auteur wiens naam al te lang geheimtip in literaire subculturen is gebleven. De roman vormt een schakel in een groots en doortimmerd oeuvre. Tegelijkertijd staat het boek, zoals al Wieners boeken, perfect op zich. De verering van Quirina T. is een boek dat vanwege de vaak radicale en provocerende gedachtespinsels van het hoofdpersonage de lezer onverbiddelijk aan het denken zet. De vertelling wordt gelardeerd met scherpzinnige bespiegelingen over schrijverschap, nooit stervende vaders, waarheid die geen waarheid is, wraaklust die met wetten botst, en al wat mensen willen maar niet kunnen. Dit is zo’n boek waarin talloze passages worden aangestreept en waaruit eclatante citaten worden gelicht. Niet alleen vanwege de eigenzinnige inhoud, maar zeker ook door Wieners gracieuze en precieze zinnen die een hoogstaand en genietbaar woordspel vormen.

    Toch is dit woordspel geen spelletje. De verering van Quirina T. is een roman die met schrijversnoodzaak geschreven werd. Het is een dwingend zoeken naar catharsis in een worsteling met misogynie, misantropie en dwangmatige onhebbelijkheden. De lezer begrijpt; tegelijk wordt ergernis onontkoombaar zijn deel. Maar er is die magistrale schrijfstijl die hem laat lezen tot het laatste woord. ‘Soms spat het verleden als een fragmentatiebom in mijn brein uiteen.’ Ook dat zegt Victor van Gigch. Ook dat zal de lezer ondervinden.

    Laudatio van de jury voor De verering van Quirina T.
    Een leraar van zestig jaar of daaromtrent die een affaire heeft met een zeventienjarige leerlinge en die met zijn kop vol slechte gedachten op bezoek gaat bij een stokoude vrouw op wie hij in zijn jonge jaren tot over zijn oren verliefd was; hij een puber, en zij de moeder van een vriend van hem…

    Seks en sensatie? Niks van. De verering van Quirina T. is een boek dat vanwege de vaak radicale en provocerende gedachtespinsels van het hoofdpersonage de lezer aan het denken zet. De tekst wordt gelardeerd met scherpzinnige bespiegelingen over schrijverschap, nooit stervende vaders, waarheid die geen waarheid is, wraaklust die met wetten botst, en al wat mensen willen maar niet kunnen. Dit is zo’n boek waarin passages worden aangestreept en waaruit citaten worden gelicht. De zinnen zijn gracieus en precies en vormen een hoogstaand woordspel.

    Toch is dit woordspel geen spelletje. Deze roman werd met schrijversnoodzaak geschreven. Het is een dwingend zoeken naar catharsis in een worsteling met misogynie, misantropie en dwangmatige onhebbelijkheden. De lezer begrijpt; tegelijk wordt ergernis zijn deel. Maar er is die magistrale schrijfstijl die hem laat lezen tot het laatste woord.

    ‘Soms spat het verleden als een fragmentatiebom in mijn brein uiteen.’ Het hoofdpersonage zegt het; de lezer ondervindt het. De schrijver heet Wiener. L.H. Wiener. Een grote meneer.

Longlist

Naar de overzichtspagina

Delen