Libris Literatuur Prijs 2008

Ga direct naar

Details:

Aantal inzendingen: 171 titels
Prijzengeld: 65.000 euro
Winnaar: 50.000 euro
Genomineerden: ieder 2.500 euro
Plaats en datum uitreiking: Amsterdam, Amstel Hotel, 6 mei 2008

Rapport:

Rozen heten te bloeien op een mestvaalt. En de vraag waarvoor elke jury zich gesteld ziet, is of er voldoende rozen te vinden zijn. Formeel was het totale aanbod oorspronkelijk Nederlands proza in 2007 in elk geval divers. Van de 171 voor de Libris Literatuur Prijs 2008 in aanmerking komende titels, zijn er 102 door mannen geschreven, 66 door vrouwen en de rest door koppels. Binnen dat bestand debuteerden er 32 auteurs en lag de verhouding Nederland-België op 88 versus 12 procent. Aangezien er anders dan bij de Man Booker Prize geen preselectie door uitgevers plaatsvindt, geniet de Librisjury het voorrecht een overzicht te krijgen van het geheel – de literaire praktijk in optima forma. Bij de speurtocht naar het prachtige, verscholen gebleven bloempje bleek wel wat stamina vereist, vanwege de stilistische inwisselbaarheid binnen de gehele productie.

De jury werd geconfronteerd met uiteenlopende prozasoorten, zoals de historische roman van de Middeleeuwen tot en met de jaren zeventig, de (auto)biografische roman, de familieroman, de reisroman en de postmoderne roman. In relatief groten getale waren er misdaadromans die enige uitgevers in de markt hebben gezet als literaire, psychologische of historische thriller. De kunstgrepen die daarin worden gepleegd, zouden niet misstaan in een als literair te boek staand genre. Omgekeerd gebruiken schrijvers die hun werk niet nadrukkelijk als thriller afficheren al langer detective-achtige sjablonen. Het intrigeert hoe elementen uit high en low culture door elkaar zijn gaan lopen en elkaar wederzijds bevruchten.

Deze mix past ook binnen een ruimere grensvervaging. Ze is het gevolg van de democratisering van de cultuur en wordt bijvoorbeeld ondersteund door de idee dat literatuur expressiever wordt bij een multimediaal karakter. De jury ondervond dit aan den lijve. Verhalende fictie werd nogal eens geïntegreerd in soms vrolijke, soms bijtende essayistische beschouwingen, of gelardeerd met beeldmateriaal. Was in 1860 Multatuli’s Max Havelaar al allerminst een ‘zuivere’ roman, de vermenging van tekstsoorten en verschillende kunstdisciplines lijkt inmiddels onomkeerbaar. Steeds vaker ook vullen auteurs levens van opmerkelijke figuren, of fragmenten uit hun biografie, aan met fictionele elementen. Dat kan een prikkelende vermenging opleveren, die tegelijk een kritische visie verraadt op onze samenleving.

Opmerkelijk in 2007 was de terugkeer van het even precaire als verweesde genre van de verhalenbundel. De jury juicht dat toe, al kon zij zich niet aan de indruk onttrekken dat auteurs er soms een noodoplossing mee troffen. Zulke bundels vertoonden dan een gelegenheidsverband tussen willekeurige anekdotes. Maar die geringe zelfbeheersing kon evengoed in romans zitten, waar lustig babbelende personages - onder wie nogal wat beeldhouwers, schilders, auteurs, musici, journalisten, reclamemakers en werkelozen - hun hart luchtten over vermeende of reële misstanden. Hoe aangrijpend die teksten bij tijd en wijle ook waren, ze kenmerkten zich door een richtingloos teveel.

Dat voor een fictietitel op dit moment een omvang van 260 bladzijden wel het minste lijkt te zijn, desnoods door het corps te vergroten, valt zoals bekend de auteur niet als enige aan te rekenen. Waar dat leidde tot een unieke leeservaring waar zij zelf niet zonder kleerscheuren uit tevoorschijn is gekomen, heeft de jury volop genoten. Het was haar al opgevallen dat er terzijde van de dof geworden alledaagse glitter best wat moois valt te ontdekken.

Volgens de jury zijn er, het hele literaire landschap overschouwend, dus voldoende fraaie rozen te bewonderen. Dat liet de longlist al zien. Verplicht tot een afweging op het scherpst van de snede koos zij voor de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2008 de volgende zes boeken.

De jury
Tom de Swaan, voorzitter
Klaus Beekman
Marc Kregting
Marc Reynebeau
Fleur Speet


Winnaar

  • D. Hooijer - Sleur is een roofdier

    Wat doe je als je vrouw nog altijd contact blijkt te hebben met haar ex-man en als die bovendien om raad komt vragen, omdat hij niet klaar komt bij zijn nieuwe vriendin? Hoe ga je om met een kind uit een asielzoekerscentrum dat lijdt aan heimwee en bang is te groeien? Op deze en andere vragen heeft D. Hooijer in haar verhalenbundel Sleur is een roofdier op inventieve wijze even curieuze als fascinerende antwoorden gegeven.

    De personages die ten tonele worden gevoerd, zijn afkomstig uit zeer diverse kringen, zoals de gezondheidszorg en de toneelwereld, maar ook de wereld van het circus en het bordeel, uit die van asielzoekers en van criminelen. Hun handelingen en overwegingen doen doorgaans nogal buitenissig aan. Om greep op de werkelijkheid te houden, klimt een alcoholist zo hoog mogelijk in een boom. Bij het afscheid nemen van zijn gezin spreekt een man teksten in in lege potjes. In het universum van Sleur is een roofdier heerst geen logica. Het wordt bewoond door personages die doorgaans alleenstaand zijn, zelden of nooit gelukkig, dromend en vol verlangen. Hooijer presenteert ze in al hun kwetsbaarheid en schetst ze vol empathie.

    Opmerkelijk is dat Hooijer informatie over elke figuur bij stukjes en beetjes af geeft. Zo laat zij de lezer vaak lang in onzekerheid over de vraag of deze met een man of een vrouw van doen heeft en hoe de persoon in kwestie überhaupt heet. Voor de lezer ontstaan langzaam maar zeker de contouren van figuren, die nergens volledig zijn ingevuld en meestal tot aan het eind toe raadselachtig blijven. Zo ontstaat er alle vrijheid voor elke verbeelding, terwijl de auteur duidelijk niet wenst te doen aan karakteropbouw in de traditionele zin van het woord.

    Hooijer heeft sowieso geen boodschap aan conventies. Ook niet waar het de interpunctie betreft. Zij lijkt vooral weinig op te hebben met de conventie van eenheid. Of het nu de aard van de personages betreft, de eenheid van een verhaal of het genre, Hooijer schept er zichtbaar genoegen in ze tongue in cheeck te herstichten. Elementen van het fictieve verhaal, het toneelstuk en het essay weet zij op ingenieuze wijze met elkaar te verbinden, zoals in ‘Het gelaat van Ludmilla’, een soort misdaadverhaal, maar dan in de setting van een toneelstuk, met opvallend veel perspectiefwisselingen. In ‘Tweemaal tut-af’, een verhaal over twee verpleegkundigen die niet met mannen kunnen omgaan, geven de dames dan weer fraaie, bijna essayistische beschouwingen over de begrippen ‘tut’ en ‘trut’ ten beste: ‘Trouwens een trut is iemand die liever het woord "tut” gebruikt’.

    Voor haar beschrijvingen gebruikt Hooijer veelal korte zinnen die net niet soepel in elkaar overlopen. De zinnen lijken op zichzelf te staan en vertonen toch samenhang: ‘De dokter is te verstaan omdat hij articuleert. Zolang ik hem ken is hij hees. Hij spreekt met weinig lucht. Zijn stem zelf zou een bijgeluid kunnen zijn’. Hooijer is erin geslaagd een geheel eigen stijl te ontwikkelen, die prikkelt, verbaast en niet zelden op de lachspieren werkt. Haar humor zit niet alleen in de beschreven scènes, al mogen die er zijn. Het is vooral de verwoording van allerlei observaties en mededelingen die een humoristisch effect sorteren: ‘Ik onderschatte haar omdat ik in die tijd iedereen onderschatte behalve Moszkowicz en Prins Bernhard’.

    Hooijer heeft alle registers van het vertellen open getrokken. Dat leverde negen ongewone, fascinerende verhalen op, waarin niets vaststaat, afgerond of eenduidig is. In die verhalen heeft zij een delicaat evenwicht weten te vinden tussen vertelling en vertelwijze, tussen inhoud en vorm. De schrijfster toont zich betrokken bij de samenleving, zonder haar engagement nadrukkelijk uit te dragen. Zij blijkt een zeer fijn gevoel voor de taal en voor literaire genres te hebben en laat zien dat zij een voortreffelijk stilist is. Zij spreekt de lezer aan op zowel zijn gevoel als verstand. Hooijer slaagt erin te verrassen, te ontroeren en te doen lachen. Wie zoveel kwaliteiten als schrijver in zich verenigt, die kwaliteiten volledig durft in te zetten en in die compromisloosheid weet te zorgen voor een unieke leeservaring, mag zich terecht de winnares van de Libris Literatuur Prijs 2008 noemen.

    Nominatierapport
    In de werelden die D. Hooijer heeft gecreëerd in haar verhalenbundel Sleur is een roofdier komt eigenlijk geen normaal mens voor. Tegelijkertijd zijn de personages normaler dan wie ook. Hun handelingen en overwegingen doen echter nogal vreemd aan. Om greep op de werkelijkheid te houden, klimt een alcoholist zo hoog mogelijk in een boom. Bij het afscheid nemen van zijn gezin spreekt een man teksten in lege potjes. In de werelden waarin de personages leven heerst geen logica. De personages, die uit verschillende standen en kringen komen, zoals de gezondheidszorg en het circus, zoeken doorgaans sociaal contact.

    De manier waarop Hooijer haar personages in beeld brengt, is opmerkelijk. Behalve dat zij ze niet presenteert als mensen uit één stuk, geeft zij informatie over elke figuur bij stukjes en beetjes af. Zo laat zij de lezer vaak lang in onzekerheid over de vraag of deze met een man of een vrouw van doen heeft. Zij doet duidelijk niet aan karakteropbouw in de traditionele zin van het woord. Het waarnemen van mensen in al hun kwetsbaarheid krijgt op deze manier iets intrigerends.

    Hooijer houdt haar lezer ook in de greep door haar verhalen een open einde te geven. Of de ex-echtgenoten uit het titelverhaal ‘grondiger uit elkaar’ zullen gaan dan voorheen blijkt aan het slot een open vraag. En of de hoofdpersoon uit ‘Bosgrond en peredrups’, die vindt dat hij zelfmoord moet plegen, dit daadwerkelijk doet, blijft in het ongewisse.

    Hooijer heeft geen boodschap aan conventies. Zij lijkt vooral weinig op te hebben met de conventie van eenheid, of het nu de aard van personages betreft, de ontwikkeling van een verhaal of het genre. Haar genregebruik wordt namelijk eveneens nogal eens gekenmerkt door tweespalt. Zoals ‘Het gelaat van Ludmilla’, een soort misdaadverhaal, maar dan in de setting van een toneelstuk. Of ‘Tweemaal tut-af’, een verhaal over twee verpleegkundigen die niet met mannen kunnen omgaan, waarbij de dames bijna essayistische beschouwingen over de begrippen ‘tut’ en ‘trut’ ten beste geven: ‘Trouwens een trut is iemand die liever het woord “tut” gebruikt’.

    Ook het interpunctiesysteem moet er bij Hooijer aan geloven. Zo laat zij stelselmatig de komma voor het voegwoord ‘maar’ weg. De lezer wordt zo met zijn neus op het taalgebruik gedrukt. Hooijer is erin geslaagd een geheel eigen stijl te ontwikkelen, die prikkelt en niet zelden op de lachspieren werkt. De veelal korte zinnen vloeien bij haar niet soepel in elkaar over. Zij lijken op zichzelf te staan en vertonen toch samenhang: ‘De dokter is te verstaan omdat hij articuleert. Zolang ik hem ken is hij hees. Hij spreekt met weinig lucht. Zijn stem zelf zou een bijgeluid kunnen zijn’.

    Hoewel Hooijer geen vrolijke verhalen heeft geschreven, valt er heel wat te lachen. Die humor zit hem niet alleen in de beschreven scènes. Het is vooral de verwoording van allerlei observaties en raadselachtige mededelingen die een humoristisch effect sorteren: ‘Ik onderschatte haar omdat ik in die tijd iedereen onderschatte behalve Moszkowicz en Prins Bernhard’. Deze ongewone manier van vertellen, waarbij Hooijer alle registers heeft open getrokken, leverde negen fascinerende verhalen op, waarin niets vaststaat, afgerond of eenduidig is.

Genomineerd

  • Jeroen Brouwers - Datumloze dagen

    Rapport Jeroen Brouwers:
    Een horkerige brompot, zo zou je de hoofdpersoon van Jeroen Brouwers’ roman Datumloze dagen kunnen noemen. De naamloze verteller loopt door een bos, stok in de hand. Hij zal over de zestig zijn. Hij telt de bomen om zijn onrust in te tomen. Hij wandelt door een groot verlies en vraagt zich af wat hij verkeerd deed. Toen hij belazerd werd door de liefde, een kind kreeg waar hij niet om vroeg, een verant¬woorde¬lijkheid die hij niet dragen wilde. Toen hij vluchtte, letterlijk door te scheiden, maar ook figuurlijk door zijn vertwijfeling. Hij wilde zijn zoontje Nathan blijven zien, maar toen hem dat onmogelijk werd gemaakt vergat hij diens bestaan. Wat deed hij toen hij toevalligerwijs zijn zoon weer tegenkwam terwijl het schuldgevoel schroeide? Steeds zijn het ontoereikende ontmoetingen, waarvan de zoon teleurgesteld wegsnelt. De ‘ik’ wilde wel contact, maar wist niet hoe hij zijn hand moest uitstrekken. Hij wist niet hoe vader te zijn: ‘De gêne is tot vandaag in mij gebleven als oud behang tegen gebarsten muren.’

    De vader-zoonthematiek is weliswaar niet nieuw in de literatuur, maar Brouwers geeft er op bijzondere wijze vorm aan, onder meer door van de roman één lange monoloog te maken, gehouden tijdens een wandeling waarbij de hoofdpersoon naarmate zijn verhaal pijnlijker wordt de tel volkomen kwijtraakt. We bekijken van dichtbij de gedachten van een machteloze, die zich in hogere, weldenkende kringen begeeft en weinig oog heeft voor de lagere cultuur, zoals die van de musical, waarin zijn zoon uitblinkt. De ambivalentie van de hoofdpersoon weet Brouwers voelbaar te maken met steeds terugkerende varianten op de musicalmetafoor. Tegelijk tilt hij daarmee het thema van het ongewenste kind boven het clichématige uit.

    Als Nathan - eenmaal veertig geworden - op zijn sterfbed ligt, vraagt hij aan zijn vader een daad te stellen. Alle liefde die een vader voor een kind kan voelen, maar niet over weet te brengen, moet dan verlossing brengen. De vader, in wiens leven ‘het in hoofdzaak alleen maar heeft gestormd, wat heb ik nagestreefd, wat stel ik al met al nu helemaal voor, struikelend door dit onttakelde bos. Doe ik ertoe?’, moet lef tonen. Voor één keer. Want anders is het leven volgens zijn zoon slechts ‘een doffe aaneenschakeling van betekenisloze datums [...], waar je je ten slotte niets van herinnert’.

    Onmacht maakt pas indruk wanneer op de loer liggende larmoyantie is vermeden, wanneer de toon naturel is, vol zelfinzicht en satanische ironie, maar ook vol milde melancholie en zoekende herhaling. Brouwers weet de onmacht van zijn hoofdpersoon precies zo te vertolken. We zijn compassie gaan voelen, doordat we regelmatig terugkeken op het verleden van de hoofdpersoon. We zijn hem met al zijn horkerigheid in ons hart gaan sluiten omdat hij zich dapper door het leven slaat, dapperder dan wij waarschijnlijk ooit zullen zijn. In melodieuze zinnen brengt Brouwers de draadjes van twee levens samen tot een geheel waarin alles betekenis heeft en symbolische waarde krijgt. Zodat de herhalingen steeds scherpere randen krijgen en dit verhaal steeds dieper in ons vlees snijdt.

  • Marjolijn Februari - De literaire kring

    Rapport Marjolijn Februari:
    Marjolijn Februari weet met De literaire kring een wereld tot leven te wekken die wij lezers zelden van zo dichtbij aanschouwen: die van het grote geld, de notabelen van een dorps¬gemeenschap. Mensen die, zo zou je denken, hun leven naar eer en geweten invullen. ‘Het dorp zelf mag dan niet veel groter zijn dan een vestzak¬theater,’ aldus de alwetende verteller in deze roman, ‘maar de wereld is ruim en grenzeloos. Soms handelen de bewoners van het dorp in het belang van die wereld.[…] Soms handelen ze ook niet in het belang van de wereld. Dan zaaien ze dood en verderf in landen ver weg. Je beeldt je in dat de leden van de literaire kring daar soms langdurig van wakker liggen; hopend dat er nooit een journalist of schrijver naar het dorp zal komen die erover begint.’ Maar die journalist komt er, en die schrijver ook.

    Rode draad in De literaire kring is het geweten van een in beginsel zorgeloos levende dochter van een der notabelen. Tot zij, Teresa Pellikaan, erachter komt hoezeer haar vader betrokken is bij een zaak met inhumane gevolgen. Ook al is hij niet direct verantwoordelijk, Teresa botst tegen wil en dank tegen zijn morele bijdrage aan. Wat des te schrijnender is omdat hij zich verschuilt achter schone schijn.

    En dat allemaal doordat dorpsgenoot Ruth Ackermann, een oud-klasgenoot van Teresa, een internationale bestseller schreef en daarover in de plaatselijke boekhandel komt vertellen. Ruths vader, via de literaire kring der notabelen bevriend met de vader van Teresa, zat tot zijn nek in het schandaal. En nu verzet de vader van Teresa zich met hand en tand tegen de chicklit van Ruth, alsof humorvol en zelfrelativerend schrijven minderwaardig zou zijn.

    Marjolijn Februari weet het schandaal en de vooroordelen vakkundig te verweven in een warme wereld vol details. Met geld lijkt het zoveel behaaglijker leven, maar zelfs de rijken worstelen met de zwarte zijde van het menselijk bestaan. Sterker nog, die zwarte zijde werpt door hun macht grotere schaduwen. Want deze dorpse notabelen lijken misschien aan de zijlijn van de macht te staan, de werkelijke macht van Nederland wordt boven de heggen van hun achtertuinen verdeeld.

    Februari schreef een roman met een essayistische inslag: ethische en esthetische vraagstukken verspreidt ze op vernuftige wijze over de verschillende personages. Het open einde van het boek vraagt om een positiebepaling van de lezer. Zo weet Februari het literaire engagement tot het engagement van de lezer te maken. En daarin slagen maar zeer weinig auteurs.

    Dat het Februari zo goed lukt, kan natuurlijk alleen doordat zij het schrijven tot in de puntjes beheerst. Behendig laat zij het 47 pagina’s duren tot een suikerpot als in een film in slowmotion is gevallen, terwijl ondertussen personages worden geïntroduceerd en niet gegrepen kansen voorbijkomen. In een soepele stijl met filosofische speldenprikjes, uitvergrotingen van karaktereigenschappen en details, verleidt de auteur ons en maakt zij tegelijk haar personages lichtelijk lachwekkend. En alleen via deze omweg openbaren zich de werkelijke beweegredenen van mensen. Alleen via deze omweg kan de lezer de diepte van de ziel peilen, om bezoedeld uit de roman tevoorschijn te komen.

  • Louise O. Fresco - De utopisten

    Rapport Louise O. Fresco:
    Een bij uitstek politieke roman als De utopisten van Louise O. Fresco behoort tot het zeldzame genre van de ideeënroman. Politieke en literaire betrokkenheid zijn erin nauw met elkaar verweven. De roman maakt op een overtuigende manier aannemelijk dat literatuur niet alleen een geschikt, maar ook een noodzakelijk medium is voor politieke reflectie, zonder dat die de literatuur hoeft te degraderen tot haar knechtje. Fresco verstaat de kunst om fictie en betoog te ver¬mengen.

    Fresco koos niet voor de afstandelijkheid en soms het cynisme die eigen zijn aan de politieke satire en al evenmin voor de zekerheid van de ‘biecht’, de terugblik die zeker is van zijn uitkomst omdat hij het strategische voordeel van hindsight uitbuit. De utopisten wil daarentegen ‘open’ zijn en sluit geen opties van tevoren uit, als een realistische roman uit de klassieke traditie. Die heeft haar wortels in het Franse naturalisme en bloeit tegenwoordig vooral in de Verenigde Staten voort. Het is met andere woorden een genre met een stamboom, dat hoge verwachtingen schept en dus hoge eisen stelt. Het genre neemt de politiek ernstig en veronderstelt een hoog literair vermogen om in een roman een universum te creëren waarin die ernst geloofwaardig blijft.

    De utopisten komt daar op een voorbeeldige wijze aan tegemoet, temeer daar Fresco een uitermate relevant thema aan de orde stelt: het gebrek aan durf in een politieke praktijk die verlamd lijkt door de grote, actuele uitdagingen van ecologie, migratie en mondialisering. Ze vertelt het verhaal van Michiel van Straten, een activist met een lange staat van dienst in de linkse en groene beweging, die het brengt tot staatssecretaris van Technologie en Milieu. Het boek speelt zich grotendeels af tussen twee toespraken, een waarin Van Straten zijn benoeming viert en een tweede waarin hij het, ongeveer een jaar later, voor bekeken houdt. Die ontwikkeling sluit aan bij het eigenlijke onderwerp van de roman, dat veel verder gaat dan alleen een kritiek op het zogenaamd naïeve idealisme uit de jaren zeventig. Fresco heeft ook veel aandacht voor hoe figuren op het publieke forum verzeilen in het spanningsveld tussen heden en verleden of tussen de openbare en de privésfeer.

    Louise Fresco trekt het ‘realisme’ consequent door. De utopisten vervalt niet in snelle conclusies of in de betweterij die zich boven de personages stelt door hen voortdurend te beoordelen, of die deze personages alleen gebruikt als handpoppen voor een voorgekookte stelling. In haar indrukwekkende compositie koos Fresco voor een beheerste, registrerende stijl waarin de goed getypeerde figuren een eigen stem kunnen krijgen. Doorheen een genuanceerd panorama van grote en kleine menselijke motivaties en tics verkent ze de mogelijkheden, voorwaarden en grenzen van het politieke idealisme. De bewogenheid van Van Straten, die er, tegen de angstige ‘zesjescultuur’ in, voor pleit om de democratie een nieuw elan te geven met een groots en geïntegreerd maatschappelijk project, vindt een opvallende parallel in wat Louise Fresco voor ogen stond. Maar terwijl Van Straten eindigt in frustratie, is De utopisten een geslaagde, ambitieuze roman die reliëf geeft aan de breedte maar ook de eenzaamheid van het menselijke handelen.

  • Marc Legendre - Verder

    Rapport Marc Legendre:
    ‘Wie in een god gelooft maakt het zichzelf makkelijk. Immers, het straffen van gewetenlozen kan aan deze god worden overgelaten.’ Deze uitspraak staat opgetekend in een relaas met lage morele standaarden en hoge civilisatiegraden. Westerse lezers zijn veeleer gewend aan het een of het ander. Ze achten zich beschaafd, niet dol op straffen, zeker niet van gewetenloosheid. Dit zou ook een lang verhaal veroorzaken, dat in Verder van Marc Legendre nochtans bondig voor het voetlicht treedt.

    Een vrouw arriveert op een eiland dat weinig idyllisch oogt. Er lijkt welgeteld één man te zijn, aan wie ze voor onbekende tijd is overgeleverd. Werktuiglijk biecht ze flarden uit haar leven op. Dan blijkt dat de twee precies een decennium geliefden zijn; het eilandbezoek hoort tot een zelfbedacht rollenspel. Zonder afleiding wil het koppel een grens over. Vooralsnog regeren echter de slapeloze nachten en klinken vooral verwijten. Er begint een grimmig, tot op de minuut vastgelegd experiment dat het tweetal niet zozeer verenigt als wel in een allengs vijandiger landschap uiteendrijft.

    Dit drama wordt gepresenteerd in een scala aan talen. De man wasemt wisecracks, de minstens zo goed van de tongriem gesneden vrouw heeft per saldo ‘meer behoefte aan iemand die luistert dan iemand die commentaar geeft’. Hun venijn van kennisgevingen heeft een onthutsend effect dat de twee eigenlijk delen: bij het praten voelen zij zich een ‘legpuzzel’. Het kader bestaat vervolgens uit citaten van highbrow wereldliteratuur, dagboekfragmenten en al dan niet beschilderde foto’s en stills. Zo heeft Legendre een even geacheveerd als rauw handschrift geschapen. Hoe direct dat ook mag zijn, het biedt ruimte. Of hoopt de lezer dat slechts, om zich te verlossen van zijn schaamte? Hij ondervindt dat hij gedwongen is tot de rol van voyeur van zaken die privé zijn én die nopen tot ingrijpen.

    Verder laat de verhouding van die blik tot intimiteit en extremisme ervaren. Voorbij trekken onder meer live onthullingen op televisiezenders, opgepakte emigranten zonder geldig persoonsbewijs, snuffmovies… Zo beseffen we wat ‘ergens van op de hoogte zijn’ inhoudt: slachtoffers en hun ontplooid gevoel gelden als ‘authentiek’, terwijl we door afgestompte zintuigen of eelt op ons intellect een spel spelen met gewelddadige representaties. Het boek is niet voor niets opgebouwd als een film. De man blijkt de regisseur ervan, voor de firma Eyes Wide Open, waar ‘gehakketak over moreel verval deel uitmaakt van de marketingstrategie’. Voor hem is choqueren een zaak van vraag en aanbod: de consument wil het, aandeelhouders zijn er tevreden mee. Maar uiteindelijk verlegt deze genius net een grens te veel en valt ten prooi aan zijn eigen scenario.

    Marc Legendres Verder is een product van de beeldcultuur waartegen het zich tegelijk afzet. Zo’n spanning zit eveneens in de onontkoombare conclusie die we zowel gelezen als gezien hebben: wensen we met alle middelen een doel te regelen of, zoals dat heet, dichter bij onszelf te raken, dan zal daar iets voor moeten worden vernietigd. Het gebeurt niet vaak dat een boek een pijnlijke waarheid zo aanschouwelijk maakt en onverschilligheid met eigen wapens bestrijdt.

  • Koen Peeters - Grote Europese roman

    Rapport Koen Peeters:
    Ironische lichtvoetigheid is altijd het handelsmerk van het proza van Koen Peeters geweest. Ze hangt nauw samen met de aard van zijn hoofdpersonages. Die zijn vaak welwillende, aandoenlijk opgewekte, ietwat monomane verzamelaars. Ze zijn erg leergierig en worden gedreven door een drang naar het bijeenbrengen en systematiseren van kennis, omdat ze denken dat ze zo greep op de wereld kunnen krijgen. Dat is niet anders in Grote Europese Roman, waarin het te onderzoeken object Europa is.

    Het hoofdpersonage Robin reist in opdracht van een marketingorganisatie de Europese hoofdsteden af om na te gaan wat het continent bindt. Zoals het een rechtgeaard systematicus betaamt, legt hij voor zijn onderzoek de meest uiteenlopende criteria aan, zoals taal, postzegels, ringtonen, dassen en hoogste punten. Na verloop van tijd blijkt de eenheid echter alleen commercieel en ambtelijk te zijn. De structuur, zesendertig korte hoofdstukken die elk de naam van een Europese hoofdstad als titel hebben, verschaft het boek niet alleen een stevig ritme, ze weerspiegelt zowel Robins onderzoek als de Europese versnippering zelf.

    Uit veelal toevallige ontmoetingen, gesprekken en observaties leert Robin dat onder de oppervlakte een vulkaan sluimert – een geregeld opduikende metafoor – van diversiteit, in talen, percepties, ervaringen en emoties. Het zijn realiteiten uit het ‘kleine’, weinig spectaculaire bestaan van iedereen, die te vaak aan de waarneming worden onttrokken door grootspraak, om niet te zeggen de zwatelpraat van de marktonderzoekers of nationalisten. Robin ontmaskert het bureaucratische Europa als een topos van vervreemding, waarin mensen alleen hun eenzaamheid en hun verlangen naar ‘de allesverterende liefde’ gemeen hebben. Daarom verbeeldt hij zich een veel vanzelfsprekender Europa als een vrije, open ruimte: ‘Steden zijn plaatsen waar we worden wie we zijn.’

    Het enige wat al die Europeanen echt delen, zo laat Peeters blijken, is een gemeenschappelijke geschiedenis van tragiek, in de eerste plaats de Holocaust. Die les leert Robin wanneer hij in de problemen is gekomen met zijn rapport en zijn opdrachtgever Theo Marchand hem aanraadt de Tweede Wereldoorlog te bestuderen. Marchand, van oorsprong een Litouwse Jood, representeert dat ‘oude’ Europa en probeerde al evenzeer greep op de werkelijkheid te krijgen als verzamelaar, lijstjesmaker en bedenker van systemen.

    Grote Europese Roman is een door en door ironisch boek; de ironie begint al dik aangezet bij de titel. Ze is evenwel allerminst gratuit en al evenmin een manier om afstand te nemen. De consequent volgehouden stijl toont integendeel net de betrokkenheid waarvan Peeters als schrijver blijk gaf bij de constructie van zijn taalkunstwerk en bij wat hij daarin aan de orde wil stellen, zoals zijn ambivalentie ten aanzien van Europa. Bovendien maakt de ironie de ondraaglijke lichtheid van het bestaan weer draaglijk. Ze opent een register dat ook de geringste of meest sentimentele menselijke ambities onder woorden kan brengen, waardigheid verlenen en ernstig nemen. Maar ze dient vooral Peeters vertelstrategie, doordat ze een stilistische eenheid creëert tussen de narratieve en de beschouwelijke elementen van de tekst. Dat verleent Grote Europese Roman de overtuigingskracht waarin Peeters iets wezenlijks kan vertellen over de wereld waarin we leven.

Longlist

Naar de overzichtspagina

Delen