Libris Literatuur Prijs 2014

Ga direct naar

Details:

Op maandag 3 maart heeft juryvoorzitter Paul Witteman in de Nieuwe Kerk in Amsterdam de zes nominaties voor de shorlist bekend gemaakt. De uitreiking van de prijs vond plaats op dinsdag 13 mei in het Amstel Hotel in Amsterdam en werd live uitgezonden in Nieuwsuur op Nederland 2.

De jury bestaat uit:
Paul Witteman
Hugo Brems
Arjen Fortuin
Gemma Nefkens
Marjolijn Pouw



Rapport:

Juryrapport nominaties Libris Literatuur Prijs 2014:

Inleiding:
Van de veelvuldig becommentarieerde crisis in het boekenvak heeft de jury weinig gevolgen gemerkt. In elk geval niet in de hoeveelheid aangebrachte boeken, waarvan een behoorlijk deel eerder door de uitgevers leek te zijn ingezonden om de auteurs te plezieren, dan uit een oprecht vertrouwen in literaire verdiensten van de betreffende roman. Daartegenover staat een levendige oogst van tientallen boeken die de juryleden niet hadden willen missen. Over de gehele linie, van de tragische misbaksels tot de beste boeken, trof de jury een groot aantal inzendingen aan – ruim een kwart van het totaal - van wat zich het best laat karakteriseren met het containerbegrip non-fictieroman. Niet omdat er in die romans niets of te weinig verzonnen zou worden, maar omdat de schrijvers ervan zich nadrukkelijk verbonden met de werkelijkheid.

Deze nonfictieromans verschenen in verschillende gedaanten. Er waren romans waarin dorpen of hele landen door populistische regimes werden bestuurd. Verschillende dystopieën doken op – en overigens geen enkel Utopia. Schrijvers fictionaliseerden het leven van een historische figuur of een deel ervan, namen de Tweede Wereldoorlog als achtergrond – en aan de vooravond van het herdenkingsjaar 2014 dook ook de Grote Oorlog op. Ook waren er ‘gewone’ historische romans, boeken die als onverbloemd autobiografisch geschrift weinig aan de verbeelding overlieten, of romans die nadrukkelijk probeerden de (economische) wereldorde in literatuur te vatten.

De opkomst van de non-fictieroman sluit aan bij geleidelijk vervagende grenzen tussen de genres. Non-fictieschrijvers maken al jaren gebruik van in de literatuur ontwikkelde verteltechnieken. Ook wijdt de non-fictie zich de laatste tien jaar niet meer alleen aan de overdracht van kennis, maar ook aan die van gevoelens. De spiegelbeeldige ontwikkeling is nu te zien in fictie. Daarin wordt een grote hoeveelheid, controleerbare en soms ook daadwerkelijk gecontroleerde informatie overgedragen. Zo grepen de juryleden herhaaldelijk naar Wikipedia om de precieze context van een romanpassage helder te krijgen – of te ontdekken dat een auteur welbewust van de gedocumenteerde werkelijkheid afweek. Daarmee is op geen enkele manier een waardeoordeel bedoeld: literaire kwaliteit schuilt in de wijze waarop een schrijver met zijn materiaal omgaat, niet in de herkomst.

Waarom er juist nu zoveel non-fictieromans verschijnen is moeilijk te zeggen. Vanaf zijn ontstaan is de roman het meest vormeloze, hybride van alle literaire genres geweest. Maar al was hij als genre buitengewoon flexibel, hét kenmerk dat hem onderscheidde van andere prozateksten was fictionaliteit. In de loop van de geschiedenis hebben heel wat romanschrijvers gespeeld met dat spanningsveld tussen fictie en werkelijkheid. Ze gebruikten technieken als het gevonden manuscript, ingelaste documenten, de dagboek- of briefvorm. Niet toevallig kwam juist die fictionaliteit onder vuur te liggen in de revolutionaire jaren zestig, toen schrijvers de werkelijkheid om politieke of artistieke redenen belangrijker vonden dan fictie. Dus noemden zij hun boeken niet langer ‘roman’, maar document, reportage of project. Ze hadden ze ook best non-fictieromans kunnen noemen, al was het maar omdat ze functioneerden in het circuit van romans en literatuur.

Deze ontwikkeling lijkt zich nu te herhalen, ditmaal zonder dat schrijvers afstand doen van het etiket ‘roman’. Die benaming heeft blijkbaar voordelen, waarvan sommige prozaïsch zullen zijn zoals de mogelijkheid om mee te dingen naar bepaalde literaire prijzen. De non-fictieroman getuigt van een frisse belangstelling voor de wereld en zijn verleden, maar ook van het najagen van media-aandacht. Commercieel succes wordt in hoge mate bepaald door de mogelijkheid om de schrijver van het boek te ‘verkopen’ aan boekenprogramma’s, actualiteitenrubrieken en TV- praatshows. De auteur moet zijn boek dan kunnen duiden voor een groot en divers publiek dat het nog niet kent. Bij non-fictie wil dat nog wel lukken. De moord op een politieke figuur, of een bokser die ook buiten de ring gewelddadig is, het publiek heeft erover in de krant gelezen en kan zich er iets bij voorstellen. Bij pure fictie is dat moeilijker.

Maar als de media geneigd zijn om meer aandacht te besteden aan boeken die een 'kwestie' aansnijden dan aan literatuur omwille van zichzelf, waarom geven sommige schrijvers van non-fictieromans er dan niet de voorkeur aan om meteen non-fictie te schrijven? Het antwoord schuilt mogelijk in de aloude overtuiging dat literatuur essentiëlere dingen over de werkelijkheid zegt dan een feitenverslag, of de veronderstelling dat lezers gemakkelijker meeleven met een verbeelde dan met een louter afgebeelde werkelijkheid. 'Fictie liegt de waarheid' is een slogan die auteurs graag tot de hunne maken.
De verklaring kan ook banaler zijn: in een roman hoeft niet alles gecheckt te worden, het hoeft feitelijk niet tot in detail te kloppen, het mag leuker, spannender, erger… gemaakt worden.

Niet alle genomineerde romans vallen onder dezelfde noemer. Van de zes boeken op de shortlist zijn er drie als non-fictieroman te bestempelen, is er één puur fictief en proberen er twee nadrukkelijk aan te sluiten bij de politiek-economische realiteit. Inderdaad: de grenzen zijn niet eenvoudig te trekken. Wel zijn al deze romans van uitzonderlijke kwaliteit, waarmee de jury zich gelukkig prijst.

Dit alles overwegend, heeft de jury besloten de volgende zes romans te nomineren voor de Libris Literatuur Prijs 2014:

Stefan Hertmans - Oorlog en terpentijn - De Bezige Bij
Tom Lanoye - Gelukkige slaven - Prometheus
Marente de Moor - Roundhay, tuinscène - Querido
Ilja Leonard Pfeijffer - La Superba - De Arbeiderspers
Jeroen Theunissen - De omwegen - De Bezige Bij
Robbert Welagen - Het verdwijnen van Robbert - Nijgh&Van Ditmar




Winnaar

  • Ilja Leonard Pfeijffer - La Superba

    Juryrapport Libris Literatuurprijs 2014:

    Wat is het verleidelijk om na lezing van Ilja Leonard Pfeijffers roman La Superba naar Genua af te reizen en met de roman in de hand op zoek te gaan naar de Bar met de Spiegels op de Piazza delle Erbe, vurig te hopen er het mooiste meisje van Genua tegen het lijf te lopen, of de aan lager wal geraakte rijpe dame die aan de arm van jonge mannen grote gulheid belooft, te verdwalen in het labyrint van de middeleeuwse steegjes, bevolkt door ratten en personages die ons doen denken aan de films van Fellini, op zoek te gaan naar het te koop staande theater dat van iedereen en niemand is, en, waarom niet, getuige te zijn van de vondst van een been.

    Het alter ego van de auteur, Leonardo - en soms ook eenvoudigweg Ilja - die zijn aantekeningen over zijn nieuwe verblijfplaats en zijn bewoners alvast naar een vriend in het thuisland stuurt met het voornemen deze ooit te transformeren tot een roman, heeft ons nog zo gewaarschuwd: ‘Natuurlijk is het zo dat ik Genua heb verzonnen’. En: ‘Veel van de personen die ik in werkelijkheid ontmoet in dit vervreemdend decor zijn zo kleurrijk, om niet te zeggen grotesk, dat ze het gevaar lopen als fictie nauwelijks geloofwaardig te zijn.’ …‘Maar het belangrijkste is dat ik vervolgens gedwongen zal zijn om de waarheid duchtig af te zwakken, want als ik het vertel zoals het echt is gebeurd en zoals ik het jou vertel, denkt iedereen dat ik het verzonnen heb. Dat is wel vaker het probleem met de waarheid; zij is volslagen ongeloofwaardig. Maar het lijkt wel of dat probleem zich hier bij voortduring voordoet. Dit middeleeuwse labyrint lijkt bevolkt door louter ongeloofwaardige romanpersonages, het ene nog pittoresker dan het andere.’

    Zo speelt de auteur met ons een superieur spel van werkelijkheid en literaire verbeelding. Hij drijft ingenieus de spot met zijn eigen literaire statuur in het vaderland en schept er een duivels genoegen in om zijn lezers steeds weer op het verkeerde been te zetten. De lichtvoetigheid van zijn spel doet echter niets af aan de ernst van zijn betrokkenheid; ondanks het feit dat hij zijn engagement ondergraaft en ironiseert blijft de auteur oprecht en geloofwaardig in zijn sympathie voor diegenen die erin geslaagd zijn Genua te bereiken, op zoek naar een beter leven.

    Tegenover de luxe-immigratie van Leonardo zet de auteur die van de Marokkaanse rozenverkoper Rashid en van de Senegalese bootvluchteling Djiby, die in de trotse stad na een helse oversteek, hun geluk komen beproeven, zoals Italiaanse emigranten dat eerder deden in La Merica. En in het roerende portret van de altijd dronken Engelse professor Don, die in zijn eigen fictie leeft, wordt de hoofdpersoon van het boek te midden van personages op de rand van de verloedering, gespiegeld. Zij bevolken de trotse stad, bijgenaamd La Superba, een naam die je op twee manieren kunt interpreteren. ‘Zij is als een hoer die lonkt, maar die je nooit de jouwe zult kunnen maken. Zij is aanlokkelijk en overmoedig. Zij verleidt en verdelgt.’

    De vele onderwerpen die in deze roman aan de orde komen, zoals migratie, verlangen naar een beter leven, naar liefde, de kracht van erotiek, van kennis en van geld worden consequent uitgewerkt met behulp van motieven als spiegels, labyrint, ratten en de onderwereld, waardoor de particuliere lotgevallen van het hoofdpersonage verbonden worden met de geschiedenis, de literaire traditie en de wereld van de mythen. De uiteenlopende taalregisters bovendien die de auteur tot in grote verfijning beheerst en de wijze waarop hij de vele uitgezette lijnen bij elkaar weet te brengen – tot het laatst blijft de lezer in spanning – maken La Superba tot een belangrijke roman met universele zeggingskracht, die de komende jaren behalve herlezers, nog heel veel nieuwe lezers verdient, ook buiten ons eigen taalgebied.

    Nominatierappor Ilja Leonard Pfeijffer:

    Wat is het verleidelijk om na lezing van Ilja Leonard Pfeijffers roman La Superba naar Genua af te reizen en met de roman in de hand op zoek te gaan naar de Bar met de Spiegels op de Piazza delle Erbe, vurig te hopen er het mooiste meisje van Genua tegen het lijf te lopen, te verdwalen in het labyrint van de middeleeuwse steegjes, bevolkt door ratten en personages die ons doen denken aan de films van Fellini en, waarom niet, getuige te zijn van de vondst van een been. Het alter ego van de auteur, Leonardo, die zijn aantekeningen over zijn nieuwe verblijfplaats en zijn bewoners alvast naar een vriend in het thuisland stuurt met het voornemen deze ooit te transformeren tot een roman, heeft ons nog zo gewaarschuwd: ‘Natuurlijk is het zo dat ik Genua heb verzonnen’.

    Zo speelt de auteur met ons het spel van fictie en werkelijkheid, drijft hij de spot met zijn literaire statuur en ijdelheid en schept hij er een duivels genoegen in zijn lezers op het verkeerde been te zetten. De lichtvoetigheid van zijn spel doet echter niets af aan de ernst van zijn betrokkenheid. Tegenover zijn luxeimmigratie zet de auteur die van de Marokkaanse rozenverkoper Rashid en de Senegalese bootvluchteling Djiby, die in de trotse stad na een helse oversteek hun geluk komen beproeven, zoals Italiaanse emigranten dat eerder deden in La Merica. En in het roerende portret van de altijd dronken, Engelse professor Don, die in zijn eigen fictie leeft, wordt de hoofdpersoon van het boek te midden van personages op de rand van de verloedering, gespiegeld.

    In zijn thematisch rijke, genotzuchtige, virtuoze proza, weet Pfeijffer de vele uitgezette lijnen bij elkaar te brengen. Behalve een ode aan Genua en zijn bewoners, is La Superba in de eerste plaats een ode aan de verbeelding.



Genomineerd

  • Stefan Hertmans - Oorlog en terpentijn

    Rapport Stefan Hertmans:
    Kort voor zijn dood gaf Urbain Martien, de grootvader van Stefan Hertmans, aan zijn kleinzoon twee schriftjes met daarin het verhaal van zijn leven. Met Oorlog en terpentijn heeft Hertmans dertig jaar later een monument opgericht voor de tragiek én de onbenulligheid, de heroïek zowel als de vergeefsheid van dat leven, van die man, heen en weer geslingerd 'tussen de militair die hij noodgedwongen was geweest en de kunstenaar die hij had willen zijn'. Tussen oorlog en terpentijn, inderdaad.

    In het centrum van de roman staat de Eerste Wereldoorlog, die Urbain als soldaat meemaakte. De gruwel en de zinloosheid van die jaren hebben zijn verdere leven getekend. Met veel liefde én met de nodige afstand roept Hertmans dat leven voor de lezer op: van een man die schilder wilde zijn maar kopiist bleef, die als oorlogsheld ook vernederde Vlaming was, die passionele liefde moest inruilen voor zorgzame genegenheid. Maar die dat alles deed met 'vanzelfsprekende dienstbaarheid, iets dat hem stempelde tot een held en een verheven sul tegelijk'.

    De melancholie die uit de beschrijving van dat leven opklinkt zit ook in de beelden en geluiden, geuren en kleuren waarmee Hertmans een heel tijdperk voor ons oproept, de tijd van de jeugd van Urbain in het Gent van rond 1900: een trage, besloten, arme en bekrompen wereld, waarvan de ouderwetse deugden door de 'Groote Oorlog' brutaal aan flarden werden geschoten.

    Het individuele bestaan en de grote geschiedenis spiegelen elkaar in deze roman. En in die dubbele spiegel ziet ook de schrijver Hertmans zichzelf weerkaatst, is hij op zoek naar zijn plaats en naar een manier om als schrijver uit te stijgen boven het kopiëren, om geen verraad te plegen aan de waarheid, maar ook niet aan de artistieke waarachtigheid. Door de precisie van zijn stijl en de elegantie van zijn compositie is hij daar met verve in geslaagd.



  • Tom Lanoye - Gelukkige slaven

    Rapport Tom Lanoye:
    Vijfentwintig jaar na de door en door Vlaamse schelmenroman Alles moet weg keert de hoofdpersoon, Tony Hanssen, terug in het oeuvre van zijn schepper. In tweevoud, want aan het begin van Gelukkige Slaven maken we kennis met twee helden van dezelfde naam, die in Zuid-Afrika en Argentinië proberen zich uit de nesten te werken: respectievelijk in een wildpark en in een krakend hotelbed. Die twee scènes zijn de inleidende beschietingen voor een razendsnelle roadmovie, waarin Tom Lanoye (1958) een reeks op het eerste gezicht onwerkelijke gebeurtenissen, tot verrassing van de toeschouwer, volkomen geloofwaardig over het voetlicht weet te brengen.

    De actie plooit zich daarbij in een wijde boog om het Oude Continent heen – we eindigen in China – want Gelukkige slaven is een roman die de nieuwe tijd bezingt: waarin de Chinezen hun slag slaan in Afrika, iedereen zijn bancaire geheimen op verre eilanden koestert en er voor het overige een weinig florissant mensbeeld overblijft. Want hoe licht de toon van Lanoye ook is, en hoe komisch de situaties waarmee hij het dubbelgangersmotief in de roman ook uitwerkt: wat overblijft is een wereld waarin iedereen vecht voor zichzelf, en waarin het opportunisme van alledag slechts sporadisch wordt onderbroken door een bijna vergeten vlaag van mensenliefde.

    Gelukkige slaven is geen drama dat zich afspeelt tegen de achtergrond van de grote maatschappelijke thema’s als de globalisering, het is een roman waarin die globalisering het drama vormt, compleet met al zijn schijnbare paradoxen en morele complicaties. Lanoye sleept zijn lezers voort in een taal die maar blijft tintelen, samen met zijn al te menselijke helden die wanhopig strijden om hun deel van de koek, waarna aan het eind van deze zinderende rit alleen maar geconcludeerd kan worden dat de lezer er met de buit vandoor is gegaan.



  • Marente de Moor - Roundhay, tuinscene

    Rapport Marente de Moor:
    ‘Ik wou dat je weer gewoon klein werk aannam, (…) eenvoudig, gezellig werk. Mensen betalen nog steeds goed om hun landgoed of hun vrouw te laten schilderen.’, voegt de brave mevrouw Barre haar man Valéry toe. Hij is de uitvinder van bewegende film, al weet bijna niemand dat. Barre herinnert zich haar woorden in de trein van Dijon naar Parijs, waar hij voor zijn definitieve vertrek naar Amerika zijn vriend, de geniale fotograaf Albert Roussin, wil bezoeken. Mijmerend over de gelukkige tijd dat hij nog panoramabouwer en schilder was, gevrijwaard van moordende concurrentie en de jacht op patenten, ziet hij een toekomst voor zich vol halfbakken nonsens waarin de wereld verziekt wordt door zich almaar herhalende beelden en woorden. De werkelijkheid is er schijn geworden. Hij stapt uit op een plattelandsstationnetje en neemt zijn intrek in een gekkenhuis.

    De schrijfster verweeft Barres verlangen naar de gouden tijd met de historische strijd om het patent op bewegende film. De Franse uitvinder Louis Le Prince had rond 1888 een methode uitgevonden om bewegende beelden vast te leggen. De handige Amerikaan Edison, rijk geworden door diefstal of aankoop van uitvindingen en patenten, ging evenwel met de eer strijken. Le Prince verdween in 1890 spoorloos uit de trein van Dijon naar Parijs, zijn zoon zette de strijd om erkenning van zijn vader als de uitvinder van film voort. Ook hij kwam op raadselachtige wijze om het leven.

    Een historisch gegeven, maar geen klassieke, historische roman waarbij de feiten nauwgezet gevolgd worden. De Moor speelt met beelden en woorden, waarin haar kritiek op de inhoudelijke armoe van onze tijd als vanzelfsprekend helder wordt. Elk woord, elk beeld is om zijn samenhang en betekenis gekozen. Zij preekt of zeurt niet, maar houdt ironisch afstand. Het plezier spat van deze complexe, gelaagde en groots gestileerde roman af.



  • Jeroen Theunissen - De omwegen

    Rapport Jeroen Theunissen:
    De omwegen van Jeroen Theunissen is een vlijmscherpe, niet chronologisch opgezette ontwikkelingsroman, waarin in vliegende vaart de talrijke lotgevallen van het uiteengevallen Vlaamse gezin Goetgeluck beschreven worden, in het bijzonder die van de drieling Johan (een geslaagde maar ongelukkige academicus), Jonas (een meedogenloze miljonair) en Joris (een idealistische bohemien). Daarbij slaagt hij erin in zijn karakters met liefdevolle ironie te portretteren, die maakt dat de lezer dadelijk meent dit personage al te kennen. Of erger: dat dit precies de persoon is die hijzelf vreest te zijn.

    In de achtergronden van de ouders is een deel van de naoorlogse Europese en Vlaamse geschiedenis weerspiegeld. In de vele ontwikkelingen in het leven van hun zonen worden de grote politieke en economische veranderingen van de afgelopen twee decennia zichtbaar. Of de jongens zich in hun avontuurlijke rondzwervingen nu richten op geld, op academische status of op goede doelen, ze opereren in een gefragmenteerde wereld, waarin de bestemming van een mens even weinig vaststaat als zijn identiteit. De jongens leveren een gevecht met zichzelf en ondanks de schijn van illusieloosheid dit gevecht te kunnen winnen, zijn hun verlangens en idealen volkomen overtuigend. Ze reflecteren niet over de vraag waarvoor ze op de vlucht zijn; de talrijke avonturen en toevalligheden overkomen hen. Hoe hun vrouwen, ieder op eigen wijze, ook de tegenstemmen van het huiselijke leven, empathie en het gezonde verstand proberen in te brengen, zij slagen er niet in de mannen definitief aan zich te binden, noch hun misdaden te voorkomen.

    Jeroen Theunissen heeft in De omwegen laten zien dat hij in staat is aloude thema’s van liefde en dood te verbinden met de vele vragen die de recente geschiedenis met zich meebrengt, van de mondiale crisis tot het Vlaams nationalisme. Dat doet hij in een stijl die de lezer in een achtbaan laat belanden waar geen ontkomen aan is.



  • Robbert Welagen - Het verdwijnen van Robbert

    Rapport Robbert Welagen:
    ‘Liever dan een personage in een verhaal te laten verdwijnen, wilde ik zelf verdwijnen.’ Deze cruciale zin in de roman van Robbert Welagen Het verdwijnen van Robbert zet de lezer op het verkeerde been. Want weliswaar gaat het verhaal over een talentvolle schrijver die spoorloos wil verdwijnen, een schrijver die net als Welagen als een groot talent wordt beschouwd en wiens debuut met een prijs werd beloond, maar de echte Welagen is gewoon in Nederland gebleven. Toch geloof je in de man die onzichtbaar wil worden, al is het maar door het bijna journalistieke verslag van de voorbereidingen, de kale maar nauwgezette zinnen die in een thriller niet zouden misstaan. Hoe wis je de sporen uit van een volwassen bestaan dat al drieëndertig jaar duurt? Welk verdriet of woede veroorzaak je bij de achterblijvers?

    De vlucht naar het onbekende stokt in Noord-Duitsland waar Robbert eenvoudig werk verricht om aan de kost te komen en een tamelijk heftige seksuele relatie begint met een vrouw van middelbare leeftijd. Hij hecht zich op een vreemde wijze aan deze vrouw die gaandeweg bang voor hem wordt, waarna de relatie stuk loopt. Robbert kan nu niet meer vluchten in de seks, bovendien wordt hij ontdekt door een privédetective. Zal zijn anonieme bestaan eindigen? Zal de schrijver in zijn verhaal verdwijnen of verdwijnt het verhaal met de schrijver?

    Pagina na pagina vraagt de lezer zich af of hij in een val is gelopen. Hij bladert even terug om te onderzoeken of hij in de snelheid van het lezen misschien een detail heeft gemist, dat onthult wat Robbert eigenlijk wil met zijn eenzame onderneming. Het verdwijnen van Robbert is kraakhelder en verwarrend tegelijk.

    ‘Als je een plan hebt hoef je het alleen maar uit te voeren', zegt Robbert in de roman. Maar heeft hij een plan? De schrijver wel. Hij heeft een wondermooie roman toegevoegd aan zijn oeuvre.



Longlist

Naar de overzichtspagina

Delen