Libris Literatuur Prijs 2016

Ga direct naar

Details:


Op maandag 7 maart zijn de zes nominaties voor de shortlist bekendgemaakt. Op maandag 9 mei is de winnaar gekozen van de Libris Literatuur Prijs 2016.

De jury van de Libris Literatuur Prijs 2016:
Dick Benschop, voorzitter
Onno Blom
Sebastiaan Kort
Hanca Leppink
Margot Vanderstraeten



Rapport:


Nominatierapport

‘Ik heb gezwegen. Tot nu,’ zo valt te lezen op de eerste pagina van Jij zegt het, de roman van Connie Palmen. Wie is hier aan het woord? Het is de Britse dichter Ted Hughes, die vertelt over de verwoestende liefde die hij koesterde voor zijn vrouw, de Amerikaanse dichteres Sylvia Plath. Samen vormden zij misschien wel het beroemdste liefdespaar uit de moderne literatuur. Niet alleen vanwege hun dagboeken, romans, brieven en gedichten. Maar vooral vanwege de gruwelijke plot die het leven voor hen in petto had: op 11 februari 1963 pleegde Sylvia Plath zelfmoord.

Na haar dood werd Ted Hughes door velen beschouwd als de moordenaar van zijn vrouw. Als een monster dat, omdat hij Sylvia ontrouw was geweest en verliet, haar rücksichtslos de dood had ingedreven. Die verdenking heeft zijn verdere leven tot een hel gemaakt. ‘De afgelopen vijfendertig jaar,’ schrijft Palmen, nog altijd pas op pagina één, ‘heb ik met een machteloos afgrijzen moeten aanzien hoe onze echte levens bedolven raakten onder een modderstroom van apocriefe verhalen, valse getuigenissen, roddels, verzinsels, mythen, hoe onze ware, complexe persoonlijkheden werden vervangen door clichématige personages, vernauwd tot simpele imago’s, op maat gesneden voor een sensatiebelust lezerspubliek.’

In de monoloog van 250 bladzijden die volgt, geeft Connie Palmen Ted Hughes opnieuw een stem. Ze spreekt zijn taal der liefde, vertelt over de prille, schitterende, verliefde tijd, maar ook over de woeste waanzin die in zijn vrouw was gekropen. Over zijn angsten en de verlangens die hij op haar projecteerde. Over de woede en het verdriet. Steeds dieper graaft Palmen zich zijn hart binnen. Haar taal raakt bevangen door de taal van Hughes, wordt opgenomen in de muziek van zijn poëzie. Zij wordt hem.

Dat is ingenieuzer dan het wellicht klinkt. Want waar Sylvia Plath dwangmatig autobiografisch schreef, theatraal was en schaamteloos, daar zweeg Hughes over zichzelf. Hij was een verhuller. Een mysterie. Toch weet Palmen haar held laag voor laag af te pellen. Zin voor zin, regel voor regel, woord voor woord. Niet voor niets loopt de monoloog van Hughes, ‘de vijand van het onthullendste woord uit de taal’, uit op juist dat ene woord: ‘ik’.

Zo is Jij zegt het niet alleen het tragische en ontroerende verhaal van een beroemde liefdesdood. Noch louter een impressie van de verwoesting die de dood achterliet in het leven van de overgeblevene. Het is ook een roman waarin op de biografie zelf , op de kunst van het beschrijven van andermans leven – de schoonheid en de vuige kanten – messcherp wordt gereflecteerd.

Het is duidelijk dat Palmen is gefascineerd door het genre van de biografie, dat ze er door wordt verlokt, maar er ook het gevaar van ziet. ‘Ik vond mijn gestolen leven terug in de boeken,’ laat zij Hughes zeggen, ‘zag mijn liefde, huwelijk, gevoelens, gedachten en handelingen door vrienden en vreemden voor mij geïnterpreteerd, las hoe feiten werden geloochend of verdraaid, hoe me woorden in de mond werden gelegd die ik nooit uitsprak, me karaktereigenschappen werden toegedicht die ik niet bezit.’

De biografie kan een moordwapen zijn. ‘Alle grote geesten krijgen hun discipelen,’ schreef Oscar Wilde, ‘maar het is altijd Judas die zijn biografie schrijft.’ Als je wilt doordringen tot het geheim van de poëzie van een persoonlijkheid, tot het geheim van de ander, moet je vuile handen maken. Een verrader zijn. ‘Jij zegt het.’ Dat waren de woorden van Jezus toen Judas hem vroeg: ‘Ik ben het toch niet, rabbi?’ Judas, Jezus’ meest geliefde apostel, vreesde te zijn wat hij was: een verrader.

Palmen weet nu wat het is om de rol van Judas te spelen. Zij zegt het. Maar ze slaagde erin om zich in haar roman niet mee te laten sleuren door de modderstroom van roddels en clichés die na de zelfmoord van Sylvia Plath op gang kwam en nog altijd verwoestend door de letteren kolkt. Integendeel: Connie Palmen heeft het verhaal teruggebracht naar de oerbron: zij heeft de liefde tussen Hughes en Plath op weergaloze wijze wakker gekust.

De Libris Literatuur Prijs 2016 gaat naar deze schitterende roman, waarin verlangen en gemis, liefde en dood een huiveringwekkend verbond zijn aangegaan.




Nominatierapport Libris Literatuur Prijs 2016:

De boekhandel in Nederland en Vlaanderen kruipt weer langzaam uit het dal – met betere verkoopcijfers en de verheugende terugkeer van zelfstandige boekhandels. Toch heerst ook in de literatuur nog niet louter vreugde. Weliswaar werden er afgelopen jaar meer boeken verkocht, maar wélke boeken zijn dat? Wordt er nog wel literatuur gelezen? In de hoogtijdagen van de zelfbenoemde Grote Drie, Hermans, Reve en Mulisch (Jan Wolkers zei altijd: “De Hele Grote Drie zijn Campert, Claus en Wolkers” – en dan liet hij het ook niet na om Hella S. Haasse te roemen als Ware Grootheid) was het duidelijk: er werd scherper onderscheid gemaakt tussen literatuur en lectuur. Inmiddels zijn die grenzen vervaagd.

Maar kennelijk worden er nog veel ‘goede’ boeken gelezen: het aandeel van de literatuur in de boekhandel bleef de laatste jaren gelijk en ook in 2015 besteeg een flink aantal als literair geclassificeerde Nederlandstalige titels de bestsellerlijsten. Uiteraard kreeg de jury die, naast heel veel titels die wat minder hard liepen, allemaal onder ogen.
Het waren voorwaar vaak geen flinterdunne niemendalletjes die de jury dit jaar op zich af kreeg. Er verscheen een stapel lijvige boeken, die concentratie en contemplatie afdwongen. De jury werd geconfronteerd met grote, tragische en gruwelijke onderwerpen die ook de actualiteit beheersen. Wij lazen ons heen door romans over het wrede lot van de vluchtelingen, machtsmisbruik, drankzucht, oorlogsdrift, lust, religieus extremisme en pedofilie. Kortom, ook dit jaar was niets menselijks de literatuur vreemd. Van terughoudendheid van uitgevers bij het uitbrengen van de hoeveelheid titels is nog weinig te merken, en het aantal aspirant-auteurs – onder wie Bekende Nederlanders en Bekende Vlamingen - dat een roman wil publiceren slinkt nog altijd niet. “Ik schrijf, dus ik ben,” noteerden wij.

De jury moest dus in de eerste plaats fors snoeien (ongeveer tien procent van de inzendingen heeft een plaats op onze longlist) in het haast ondoordringbare woud van flaptekstproza en dood hout. Pas tegen de tijd dat de longlist moest worden samengesteld werd het lastig en pijnlijk. Dat geeft aan dat wij het niveau van het jaar heel behoorlijk vonden. Het is jammer voor de betrokken schrijvers die de longlist net niet haalden en al helemaal voor hen die nipt de toegang tot de shortlist moest worden ontzegd.

In Edward St. Aubyns roman Lost for words, vertaald als Met stomheid geslagen, die een hilarisch beeld geeft van de werkzaamheden van een literaire jury, zegt een schrijver die in zijn eigen ogen volkomen ten onrechte niet wordt genomineerd: “In een meer verlichte tijd zouden de juryleden naar een stadsplein zijn gesleurd om ten overstaan van het publiek te worden afgeranseld.”

Wij buigen deemoedig het hoofd. Maar we zijn ook trots op de titels op de longlist én op de shortlist. De jury heeft niet één criterium boven alle andere gesteld bij de selectie. Integendeel. Geen engagement boven intellect, geen vent boven vorm. Of omgekeerd. De laatste jaren lijken ook de grenzen van de roman zelf te vervagen. Het is vaak niet duidelijk waar fictie begint en non-fictie ophoudt, en het blijkt dat mannen, maar ook vrouwen, steeds vaker boeken willen lezen die een verhaal vertellen op basis van ware gebeurtenissen.

De trend tot grensoverschrijding is internationaal. De Financial Times schreef: “Defying classification, for all that it may complicate the lives of librarians, booksellers and literary editors, is usually a good sign”. Dit geldt ook voor juryleden. Wij zijn bij de beoordeling van het genre ruimhartig geweest. Niemand kan de definitie van de roman geven. Het is een roman als er roman op staat. “Waar gebeurd is geen excuus,” zei Gerard Reve al. De jury van de Libris Literatuur Prijs 2016 heeft zich, zo onbevangen en onbevooroordeeld mogelijk lezend, willen laten verrassen. Daarin schuilt een grote aantrekkelijkheid van literatuur: dat je nu juist als lezer niet krijgt wat je verwacht. Dat een schrijver zijn stijl inzet om je omver te blazen. Dat je wordt meegevoerd in andermans hoofd of een onbekende wereld en wordt geraakt, getroffen, overtuigd en overrompeld. Dat er na lezing wezenlijks iets in je is veranderd.

Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat louter zeer experimentele of vervreemdende romans dat verrassingseffect teweeg kunnen brengen. Op de shortlist staan romans – autobiografisch geïnspireerd en geheel aan de verbeelding ontleend – die blijk geven van een treffende stijl en een grote vertellende kracht. Boeken die blijk geven van de noodzaak geschreven te zijn en gelezen te worden. Boeken die ons bestaansrecht verschaffen. Verdrietig om wie er moesten afvallen maar met grote vreugde en instemming zijn wij over wie er overbleven.




Winnaar

Rapport:

Winnaarsrapport

‘Ik heb gezwegen. Tot nu,’ zo valt te lezen op de eerste pagina van Jij zegt het, de roman van Connie Palmen. Wie is hier aan het woord? Het is de Britse dichter Ted Hughes, die vertelt over de verwoestende liefde die hij koesterde voor zijn vrouw, de Amerikaanse dichteres Sylvia Plath. Samen vormden zij misschien wel het beroemdste liefdespaar uit de moderne literatuur. Niet alleen vanwege hun dagboeken, romans, brieven en gedichten. Maar vooral vanwege de gruwelijke plot die het leven voor hen in petto had: op 11 februari 1963 pleegde Sylvia Plath zelfmoord.

Na haar dood werd Ted Hughes door velen beschouwd als de moordenaar van zijn vrouw. Als een monster dat, omdat hij Sylvia ontrouw was geweest en verliet, haar rücksichtslos de dood had ingedreven. Die verdenking heeft zijn verdere leven tot een hel gemaakt. ‘De afgelopen vijfendertig jaar,’ schrijft Palmen, nog altijd pas op pagina één, ‘heb ik met een machteloos afgrijzen moeten aanzien hoe onze echte levens bedolven raakten onder een modderstroom van apocriefe verhalen, valse getuigenissen, roddels, verzinsels, mythen, hoe onze ware, complexe persoonlijkheden werden vervangen door clichématige personages, vernauwd tot simpele imago’s, op maat gesneden voor een sensatiebelust lezerspubliek.’

In de monoloog van 250 bladzijden die volgt, geeft Connie Palmen Ted Hughes opnieuw een stem. Ze spreekt zijn taal der liefde, vertelt over de prille, schitterende, verliefde tijd, maar ook over de woeste waanzin die in zijn vrouw was gekropen. Over zijn angsten en de verlangens die hij op haar projecteerde. Over de woede en het verdriet. Steeds dieper graaft Palmen zich zijn hart binnen. Haar taal raakt bevangen door de taal van Hughes, wordt opgenomen in de muziek van zijn poëzie. Zij wordt hem.

Dat is ingenieuzer dan het wellicht klinkt. Want waar Sylvia Plath dwangmatig autobiografisch schreef, theatraal was en schaamteloos, daar zweeg Hughes over zichzelf. Hij was een verhuller. Een mysterie. Toch weet Palmen haar held laag voor laag af te pellen. Zin voor zin, regel voor regel, woord voor woord. Niet voor niets loopt de monoloog van Hughes, ‘de vijand van het onthullendste woord uit de taal’, uit op juist dat ene woord: ‘ik’.

Zo is Jij zegt het niet alleen het tragische en ontroerende verhaal van een beroemde liefdesdood. Noch louter een impressie van de verwoesting die de dood achterliet in het leven van de overgeblevene. Het is ook een roman waarin op de biografie zelf , op de kunst van het beschrijven van andermans leven – de schoonheid en de vuige kanten – messcherp wordt gereflecteerd.

Het is duidelijk dat Palmen is gefascineerd door het genre van de biografie, dat ze er door wordt verlokt, maar er ook het gevaar van ziet. ‘Ik vond mijn gestolen leven terug in de boeken,’ laat zij Hughes zeggen, ‘zag mijn liefde, huwelijk, gevoelens, gedachten en handelingen door vrienden en vreemden voor mij geïnterpreteerd, las hoe feiten werden geloochend of verdraaid, hoe me woorden in de mond werden gelegd die ik nooit uitsprak, me karaktereigenschappen werden toegedicht die ik niet bezit.’

De biografie kan een moordwapen zijn. ‘Alle grote geesten krijgen hun discipelen,’ schreef Oscar Wilde, ‘maar het is altijd Judas die zijn biografie schrijft.’ Als je wilt doordringen tot het geheim van de poëzie van een persoonlijkheid, tot het geheim van de ander, moet je vuile handen maken. Een verrader zijn. ‘Jij zegt het.’ Dat waren de woorden van Jezus toen Judas hem vroeg: ‘Ik ben het toch niet, rabbi?’ Judas, Jezus’ meest geliefde apostel, vreesde te zijn wat hij was: een verrader.

Palmen weet nu wat het is om de rol van Judas te spelen. Zij zegt het. Maar ze slaagde erin om zich in haar roman niet mee te laten sleuren door de modderstroom van roddels en clichés die na de zelfmoord van Sylvia Plath op gang kwam en nog altijd verwoestend door de letteren kolkt. Integendeel: Connie Palmen heeft het verhaal teruggebracht naar de oerbron: zij heeft de liefde tussen Hughes en Plath op weergaloze wijze wakker gekust.

De Libris Literatuur Prijs 2016 gaat naar deze schitterende roman, waarin verlangen en gemis, liefde en dood een huiveringwekkend verbond zijn aangegaan.


  • Connie Palmen - Jij zegt het

    “Ik heb gezwegen. Tot nu,” zo valt te lezen op de eerste pagina van de jongste roman van Connie Palmen. De dichter Ted Hughes vertelt over de verwoestende liefde die hij koesterde voor zijn vrouw, de Amerikaanse dichteres Sylvia Plath. Samen vormden zij misschien wel het beroemdste liefdespaar uit de moderne literatuur. Niet alleen om hun dagboeken, romans, brieven en gedichten. Maar vooral door de gruwelijke plot die het leven voor hen in petto had: op 11 februari 1963 pleegde Sylvia Plath zelfmoord.

    Ted Hughes werd door velen beschouwd als de moordenaar van zijn vrouw. Als een monster dat, omdat hij Sylvia ontrouw was geweest en verliet, haar rücksichtslos de dood had ingedreven. Die verdenking heeft zijn verdere leven tot een hel gemaakt. “De afgelopen vijfendertig jaar,” schrijft Palmen, nog steeds op pagina één, “heb ik met machteloos afgrijzen moeten aanzien hoe onze echte levens bedolven raakten onder een modderstroom van apocriefe verhalen, valse getuigenissen, roddels, verzinsels, mythen, hoe onze ware, complexe personages werden vervangen door clichématige personages, vernauwd tot simpele imago’s, op maat gesneden voor een sensatiebelust lezerspubliek.”

    In een monoloog van 250 bladzijden geeft Palmen Ted Hughes opnieuw een stem. Ze spreekt zijn taal der liefde, vertelt over de prille, schitterende, verliefde tijd, maar ook over de woeste waanzin die in zijn vrouw was gekropen. Over zijn angsten en verlangens, die hij op haar projecteerde. Over de woede en het verdriet. Steeds dieper graaft Palmen zich zijn hart binnen. Haar taal raakt bevangen door de taal van Hughes. Zij wordt hem. Jij zegt het is niet alleen het tragische en ontroerende verhaal van een beroemde liefdesdood. Het is ook een roman waarin op het genre van de biografie, het beschrijven van andermans leven – de schoonheid en de vuige kanten – messcherp wordt gereflecteerd. Palmen wordt niet meegesleurd door de modderstroom van roddels en clichés. Integendeel: zij heeft de liefde tussen Hughes en Plath wakker gekust.



Genomineerd

  • Alex Boogers - Alleen met de goden

    Rapport Alex Boogers:
    “De grootste nederlaag die een bokser kan lijden, is dat hij niet door een tegenstander wordt gevloerd, maar door zichzelf”. Voor dit gevaar zou Freddie Roach, de trainer van bokskampioen Mike Tyson, zijn pupil ooit hebben gewaarschuwd. De uitspraak lijkt op het lijf van Aaron Bachman geschreven, de hoofdpersoon uit Alex Boogers’ Alleen met de goden.

    De jonge Aaron is kickbokser. Maar zijn zwaarste strijd levert hij met en tegen zijn milieu, dat door economische, sociale en emotionele marginaliteit wordt gekenmerkt. Het is geen geheim dat de ene A.B. een alter ego is van de andere. Alex Boogers schreef al eerder over zijn jonge jaren en zijn afkomst, die sterk overeenstemmen met die van Aaron Bachman.

    Met Alleen met de goden schonk de boksende schrijver ons zijn ultieme wordingsgeschiedenis, en wat voor een. Alleen met de goden is een pakkend en urgent verhaal van rauwheid versus gevoeligheid. Van conditionering versus bevrijding. Van vechten versus vrijvechten. Van overleven, leven én medeleven, zélfs met zijn moeder die nooit opgehouden heeft hem duidelijk te maken dat hij beter niet geboren had kunnen worden.

    Toch is Alleen met de goden, dat in een trefzekere taal is geschreven en, mede door de inktzwarte humor, zindert van de levensdrift, geen naargeestig boek. Boogers heeft met Alleen met de goden namelijk ook, en misschien wel vooral, een roman over hoop geschreven. Het is de oplettende, empathische mens die voor de ander het verschil kan maken. Zoals kickbokscoach Art, die Aarons vechtersmentaliteit in goede banen leidt. En muziekleraar Broere, die de jongen de kracht van de verbeelding en van de taal bijbrengt. Om van Aarons opa - en zelfs pitbull Otis - nog te zwijgen. “Je moet naar water durven graven in de woestijn,” zegt Broere aan Aaron, in een gesprek over kunstenaarschap. En dat is precies waarin Boogers, in dit vuistdikke vlechtwerk van verhalen en thema’s, met verve is geslaagd.



  • Joke van Leeuwen - De onervarenen

    Rapport Joke van Leeuwen:
    Met een hoopvol verhaal in het achterhoofd op een gammele boot stappen, op weg naar betere oorden: het is een dominant nieuwsverhaal maar deze zin vat ook de plot van De onervarenen samen, Joke van Leeuwens jongste roman. Ze laat hierin enkele tientallen boeren uit de Nederlanden halverwege de negentiende eeuw scheepgaan richting Zuid-Amerika. Daar is vruchtbare grond, zo is hun verteld, klaar voor verbouwing.

    Eenmaal daar, na een barre tocht, valt het echter allemaal behoorlijk tegen. De gewassen komen amper de grond uit en de schamele oogst dient grotendeels af te worden gestaan aan een tirannieke landeigenaar. Er vallen doden, de gedroomde akker wordt een dodenakker.

    Van Leeuwen laat ons zo kennismaken met een vergeten verhaal uit onze geschiedenis dat zich met een beetje verbeelding moeiteloos laat spiegelen met de migrantenproblematiek van onze huidige tijd. Maar ze heeft ons meer te vertellen dan alleen een historisch fiasco. Het gaat Van Leeuwen om de menselijke omgang met de onbestemde toekomst: welke verhalen verzinnen we hiervoor en wie of wat laten we leidend zijn? Is het beter om jezelf in de greep te houden van een hoopvol maar ongegrond verhaal of is het wijzer om langzaam ervaring op te doen en te handelen naar wat men al doende leert?

    Bij Van Leeuwen zijn veel mensen te ongeduldig om te leren. Ze vullen de leemte van de onervarenheid met ficties in, religieus geïnspireerde ficties vaak in dit geval, en zo houdt De Schrift de predikers van doem stevig in het zadel.

    Een impliciet pleidooi voor de rede dus, deze wijze en eigenwijze roman, en een pleidooi tegen de mens die zichzelf en anderen overschreeuwt of klein houdt door angst in te boezemen. Over het nietige en zoekende van mensen is al veel geschreven in de literatuur, maar zelden zagen we het strakker verwoord dan bij Joke van Leeuwen, die zich in De onervarenen een betrokken en voortreffelijk ambachtsvrouw toont.



  • Inge Schilperoord - Muidhond

    Rapport Inge Schilperoord:
    Jonathan is vrij op de eerste pagina’s van Muidhond, maar voor Inge Schilperoords hoofdpersonage in haar eerste roman begint dan eigenlijk pas de gevangenschap. Bij gebrek aan bewijs wordt hij vervroegd vrijgelaten uit een tbs kliniek, waarna hij bij zijn moeder intrekt in een klein huisje in de duinen. Daar zal Jonathans gevecht gaan plaatsvinden, dat een roman lang duurt.

    Want hij mag dan vrijgelaten zijn, die pedoseksuele geaardheid heeft hij wel degelijk. En die moet hij er onder houden. Hij kreeg van de instelling een ‘werkboek’ mee om zich door de moeilijkste momenten heen te slaan. Warmte, benauwenis, beklemming: dat zullen waarschijnlijk de woorden zijn die de lezer van Muidhond in de mond neemt na het omslaan van de laatste pagina.

    Schilperoord heeft Jonathan namelijk vrijgelaten in een snelkookpan, waarin de temperatuur voor hem en de lezer die over zijn schouder meekijkt, geleidelijk maar genadeloos oploopt. Zo laat Schilperoord je voelen hoe het is om geprikkeld te worden zonder dat je daar iets mee of tegen kunt doen.

    Voor iemand met een door de gemeenschap geaccepteerde seksuele geaardheid zijn de gedachten vrij, voor Jonathan niet. Voor hem staat denken vaak gelijk aan over de schreef gaan. Een literair boek is geen voorlichtingsfolder, maar je zou een vrachtje Muidhonden willen strooien in de kloof tussen de vaststelling dat pedoseksualiteit bestaat en de vaak hysterische of op z’n minst ongemakkelijke omgang ermee.

    Dit is door een debutant geschreven, hoor je jezelf tijdens het lezen van Muidhond vaak zeggen. Want het is indrukwekkend hoe goed Schilperoord de intimiteit tussen personage en lezer tot stand heeft weten te brengen. Zoals Albert Camus ons met De vreemdeling leerde begrijpen hoe een moordenaar kan denken, zo heeft Schilperoord ons geleerd wat het zou kunnen betekenen om een pedoseksueel te zijn. Moedig, diep humaan en, dit als een groot compliment bedoeld, om triest van te worden.



  • P.F. Thomése - De onderwaterzwemmer

    Rapport P.F. Thomése:
    In het eerste deel van de roman De onderwaterzwemmer zit een veertienjarige jongen aan de oever van de rivier. Alleen. Het is 1944. Hij heeft zijn vader uit het oog verloren toen zij ’s nachts samen de ijskoude rivier overzwommen om bevrijd gebied te bereiken. Als het langzaam licht wordt, duikt zijn vader nog altijd niet op. Dan schrijft Thomése: “De woorden, de woede, het verdriet, de schuld: ze zullen om hem heen zijn, als een onbegrijpelijke nacht, maar hij zal zelf onvindbaar blijven.”

    Deze onvindbare jongen, Tin van Heel, blijft zelf in de volgende twee delen van de roman op zoek. Naar wie of wat? In het middelste deel van de roman zoekt hij in 1974, op aandringen van zijn vrouw, diep in Afrika naar hun Foster Parents-kind, de albino Salif. De expeditie loopt uit op een ramp. In het slotdeel, het is inmiddels 2004, zoekt Tin verlossing van zijn pijn en verdriet als oude man. Hij bungelt eenzaam in een martelend ziekenhuisbed in Havana. Wat is er nog te verliezen?

    Thomése vraagt van zijn lezers het maximale. Doordat hij De onderwaterzwemmer in tijd en plaats zo hevig laat zwenken, is het lastig om je lekker te laten meedobberen op de stroom van het verhaal. En Thomése heeft van zijn hoofdpersoon voorwaar geen sympathiek mens gemaakt: Tin zit vol wantrouwen, angst en vooroordelen.

    Desondanks – en daarin schuilt de ware kracht van De onderwaterzwemmer – weet Thomése je aan het boek te kluisteren. Je wilt weten hoe het afloopt, maar vooral ook wat Tin werkelijk drijft. Hij wordt gepijnigd door schuldgevoel, hoewel hij geen schuld draagt. Thomése is genadeloos voor de held van zijn verhaal. Hij laat Tin afdalen, in profundis, steeds een nieuwe, duistere cirkel de diepte in. Zoekt en gij zult niet vinden. Thomése laat in De onderwaterzwemmer het mysterie van Tins bestaan intact, en toch kom je gelouterd boven uit zijn roman. Een literaire prestatie van formaat.



  • Thomas Verbogt - Als de winter voorbij is

    Rapport Thomas Verbogt:
    Weinig schrijvers kunnen die weemoedigheid zo mooi verwoorden, misschien zelfs wel verklaren, als Thomas Verbogt in zijn Als de winter voorbij is. Een titel die tegelijk hoop en weemoed in zich draagt. De verteller, die ook Thomas heet, in Nijmegen opgroeit en naar Amsterdam verhuist, is aan de derde fase in zijn leven toe: net zestig geworden, zal hij eindelijk met zijn vriendin gaan samenwonen en bereidt hij zich voor op zijn “laatste verhuizing”. Hij schrikt er zelf van dat hij dat zegt: “Wanneer zei ik voor het laatst dat iets voor het laatst was? en dan heb ik het uiteraard over grote momenten.” Die ‘grote momenten’ van dood, verlies, verdriet – beginnend bij zijn eenzame, traumatische verblijf als driejarige in het ziekenhuis, en de plotselinge dood van zijn aanbeden adoptiezusje - hebben deels voor de schaamte en het schuldgevoel gezorgd die hem zijn leven lang kwellen. Nu, bij het opruimen van de etage waar hij vijftien jaar alleen woonde, kijkt hij niet alleen daarop terug maar vooral ook op de toevallige ontmoetingen waarvan hij nu beseft hoezeer zij zijn leven hebben bepaald.

    Ja, wij weten wel dat wij allemaal slechts voorbijgangers in dit leven zijn - Ships that pass in the night, dichtte Longfellow al. Maar hoe bepalend sommige heel korte ontmoetingen kunnen zijn, die ontmoetingen waarbij je elkaar even aankijkt, en je levens elkaar raken, is in de hedendaagse literatuur zelden zo helder weergegeven. Met als rode draad de kus van een dertienjarig meisje voor een verlegen jongen die net eindexamen heeft gedaan. En die zijn leven lang aan haar zal blijven denken.

    Het gaat niet om de werkelijkheid, maar om de waarheid, zei een van Thomas’ beste vrienden, inmiddels overleden, vaak. “Daar doe ik ook niet aan, aan te veel werkelijkheid”, zegt de verteller, die in deze korte, elegante roman haarscherp en betoverend weet te verwoorden wat een mensenleven vorm geeft.



Longlist

Naar de overzichtspagina

Delen