Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1963

Winnaar

  • Cees Nooteboom - De ridder is gestorven

    Het advies voor de toekenning van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs voor de periode 1962/'63 is als vertrouwelijke mededeling afgedrukt in de beschrijvingsbrief:

    Met een zekere voorliefde wordt in onze nieuwe literatuur het schrijverschap zelf, of althans het artiest-zijn, de artistieke leefwijze, centraal gesteld, - en in feite geromantiseerd. Dat getuigt meestal van een pijnlijke zelfoverschatting: Alsof het eigen bestaan als kunstenaar of ‘Auch-Künstler’ op zichzelf belangwekkend zou zijn, nauwelijks geobjektiveerd als het wordt, en weergegeven in de vorm van een ‘relaas’, waarin al te vaak voor oprechtheid moet doorgaan wat niet veel meer is dan een soort exhibitionisme. Het proza der jongeren dreigt daardoor te worden tot een bedenkelijk steriele en stereotiepe aangelegenheid van voornamelijk sociologisch en psychologisch belang, om de algemene gevoelens van onlust en pathetisch zelfbeklag, die deze romans en verhalen registreren. Van een lucide peiling van zulke gevoelens door de schrijver zelf is maar zelden sprake.

    Het is, naar het eenstemmig oordeel van de Commissie voor Schone Letteren, de grote verdienste van Cees Nooteboom, dat hij in zijn boek De ridder is gestorven de aan het omschreven genre inherente opgaven tegelijk heeft herkend en vervuld. Ook in dit proza zijn autobiografische trekken onmiskenbaar - men zou kunnen zeggen, dat de schrijver in De ridder is gestorven twee gestalten van zichzelf laat optreden - maar dit laatste is nu juist de consequentie van Nootebooms bewustzijn, dat de hedendaagse mens zichzelf niet meer kan verstaan onder het aspekt van zijn feitelijke biografie, - daarvoor is zijn werkelijkheidsbesef te ‘gelaagd’. Het heeft dus geen zin meer, als schrijver moeizaam te trachten - op zijn best! - zichzelf in een aaneenschakeling van feiten en situaties en de eigen reakties daarop - in een ‘horizontaal’ relaas - te betrappen. Het enige dat zin heeft, al was het maar als poging tot vrijmaking van een begaanbare weg, is: te vragen naar de oorzaken van de menselijke en ‘artistieke vertwijfeling’ (Hans Redeker), waarvan hedentendage zoveel proeven van proza - nog door alle onoprechtheid en sensatiezucht heen - getuigenis afleggen. En dat betekent: trachten, zich van zichzelf te distantiëren en van die gewonnen distantie uit met zichzelf in het gericht gaan.

    Nooteboom laat in De ridder is gestorven zijn ik-figuur, een schrijver, zich wijden aan de zelfgekozen taak, de roman te schrijven, die zijn - door suicide? - gestorven vriend André Steenkamp in concept heeft nagelaten. Het boek zou gaan over een schrijver, die de in concept nagelaten roman van een vriend voltooit. De ik-figuur is daartoe naar het Spaanse eiland gereisd, waarheen ook zijn vriend was uitgeweken om zijn boek te schrijven, - of om daarvoor telkens andere alibi's te vinden. Hij vorst naar de doodsoorzaak van zijn vriend, en deze blijkt samen te vallen met de oorzaak van het onvoltooid-blijven van het boek. Gebrek aan talent, zéker, het onoverkomelijk blijken van de afstand tussen pen en papier, waarover Nijhoff zo indringend heeft geschreven, maar dat wil hier zoveel zeggen als: tekortschieten ten overstaan van de veelomvattende werkelijkheid, waarvan André Steenkamp zich wanhopig bewust was, als schrijver niet adaequaat te kunnen zijn. De oude stijlvormen en vormprincipes voldoen niet meer, om maar te zwijgen van de pathetische opgeblazenheid, waarin Steenkamp het heeft gezocht. De ik-figuur vindt in de nagelaten papieren merendeels fragmenten, waarin zijn vriend gepoogd heeft, op een volkomen verouderde manier de werkelijkheid te ‘begrijpen’, maar soms ook flitsen van plotseling doorbrekende helderheid, die de uiteindelijke onmacht van dit schrijverschap nog eens zo pijnlijk onthullen. Juist deze visionaire momenten moeten Steenkamp hebben gebracht tot de fundamentele twijfel aan zijn eigen creativiteit, die hem de dood in dreef. André Steenkamp is zich als het ware onderbewust bewust geweest van wat in het oordeel van Nootebooms ikfiguur wordt herkend als: de machteloosheid van zijn ‘langdurige rijgsels van poëzie zonder werkelijkheid, zonder been’ en anderzijds van het verschil tussen het hygiënisch lozen van onderbewuste noties, dat zo vaak voor kunst moet doorgaan, en het echte ‘maken’, de poëzie, de scheppingskracht. De crisis van zijn schrijverschap betekent tegelijk een even fundamentele twijfel, ja vertwijfeling aan het bestaan zelf, deze werkelijkheid waarop hij steeds minder vat kan krijgen. Wanneer in de gestalte van een onweerstaanbare vrouw de werkelijkheid vat op hèm krijgt, gaat hij ten onder.

    Cees Nooteboom heeft met De ridder is gestorven de roman geschreven van de crisis van het hedendaagse schrijverschap, en wel op een wijze die in niets suggereert, dat hij zelf zich, als wètende, boven die problematiek verheven zou voelen. Integendeel, aan het slot weet Nootebooms ‘ik’, dat er nog steeds geen einde is aan het leven van André Steenkamp, - hij is niet dood, het boek niet af. Nooteboom aarzelt als het ware op de rand van een artistieke wedergeboorte, waarin hij wat zichzelf betreft kennelijk meer zou willen geloven dan dat hij erin geloven kan. Het exorcisme van de schrijver-die-hij-eens-was is in feite mislukt.

    We hebben hier te maken met een structureel in hoge mate experimentele roman, waarvan het experiment wordt bepaald door de situatie van de moderne romancier, zoals Nooteboom die beseft. In dit verband moge slechts worden verwezen naar de uiterst knappe interpolatie van het verhaal van André Steenkamps geveld-worden door de vrouw die hem had uitgedaagd, met fragmenten uit diens nalatenschap, waarin een stierengevecht en het einde van de stier beschreven staat. Daarbij beschikt de auteur over een superieure stijl, over een taal, die scherp en gevoelig inenen weet te zijn en over een benijdenswaardig waarnemingsvermogen, dat misschien sterker tot zijn recht komt in de landschappelijke evocaties van het Spaanse eiland dan in de differentiëring van de menselijke samenleving van hele en halve artisten, die tegen dat decor is geprojekteerd. Zwakke plekken zijn er ongetwijfeld, en met name het veelvuldig gebruik van engels en spaans in de dialogen maakt op den duur een lichtelijk gemaniëreerde indruk. Niettemin is de Commissie voor Schone Letteren van oordeel, dat Nootebooms nieuwe boek in kwaliteit aanzienlijk uitrijst boven alles wat er het laatste jaar niet alleen aan proza, maar ook aan poëzie van onze jongere auteurs is verschenen. Zij stelt het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde dan ook eenstemmig voor, De ridder is gestorven te bekronen met de Van der Hoogt-Prijs 1963.

    Het voorstel van het bestuur om het advies van de Commissie voor Schone Kunsten te volgen, wordt na stemming, waarop de hr. Bomhoff aandringt, aangenomen. De hr. Bomhoff dringt nu aan op handhaving van art. 56, 2 der Wet. De voorz. antwoordt, dat hij niet goed ziet, hoe hieruit een bepaalde regel valt te destilleren.

Naar de overzichtspagina

Delen