Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1964

Winnaar

  • Bernlef - Dit verheugd verval

    Voor het eerst sedert het optreden der Vijftigers schijnen zich in onze poëzie nieuwe tendenzen door te zetten, en het lijkt ons verheugend, dat daarbij van ‘eenrichtingsverkeer’ geen sprake is. Bij Peter Berger en Willem van Toorn blijkt een aandachtige, bijna prille verwondering om het gegevene tot een vaak verrassende nieuwe naamgeving der dingen te leiden; bij Huub Oosterhuis wordt een veelbelovende poging gedaan om weer te komen tot een poëzie van plaatsvervangend spreken. Aan de andere kant proberen sommigen zich een soort dichterlijk monopolie in Nederland toe te eigenen, die hun werk nadrukkelijk als ‘anti-poëzie’ afficheren en die alles wat de ‘Realiteit’ te boven of te buiten gaat als ‘romantiek’ afwijzen.

    Met hen heeft de in 1937 geboren dichter J. Bernlef (pseudoniem van H.J. Marsman) enkele vooronderstellingen gemeen, met name zijn wantrouwen jegens het poëtische pathos en het poëtische woord, ja jegens elke ‘poëtische werkelijkheid’. Maar dit wantrouwen verhindert hem niet, echte poëzie te schrijven. Reeds in zijn vroegere bundels-Kokkels (1960) en Morene (1961)-deed Bernlef zich kennen als een dichter met een onmiskenbaar eigen geluid,-in zijn in het najaar 1963 verschenen bundel Dit verheugd verval heeft hij op overtuigende wijze zijn eigen vorm gevonden. De titel van het boekje is vrij ondoorzichtig. Het meest voor de hand liggend lijkt, dat de dichter ermee bedoelt te verwijzen naar de aard van zijn poëzie, door hem zelf ervaren als ‘een fooi’, een toegift op de volstrekt au sérieux genomen werkelijkheid, een marge, die het op zichzelf harde en onherbergzame bestaan leefbaar maakt. Opmerkelijk is de hardnekkigheid, waarmee in deze poëzie het leven onder het aspect van een ‘landschap van steen’, een ‘woestijn’ verschijnt. Opmerkelijk is ook Bernlefs weigering om dit minus-aspect van het bestaan als het enige, het onontkoombare te aanvaarden. Zijn poëzie is een beweging, steeds opnieuw van dit nulpunt vandaan, hoezeer ook gefrustreerd door de bange vraag: ‘maar ik / wandelend van pooldroom tot pooldroom / ben ik wel te wekken uit mijn vriespunt’. Bernlef berust niet in de onontkoombaarheid van de realiteit. Hij toont te weten, dat een dergelijke berusting, als het erop aankomt, zelfs onmogelijk en de suggestie ervan onwaaracthig is: Wie honger heeft, zal altijd naar voedsel verlangen; in de onherbergzaamheid zal de mens er altijd op uit zijn, desnoods ‘uit dromen een bewoonbaar huis’ te bouwen. Hoezeer hij ook telkens weer uitgaat van de realiteit, toch ziet de dichter het blijkbaar als de zin van zijn poëzie, deze realiteit te relativeren, door het gedicht, als was het een foto-apparaat, steeds uit een andere hoek op haar in te stellen en zo verschuivingen teweeg te brengen in het onveranderlijk schijnend perspectief.

    De taal van Bernlef is zakelijk, ja brokkelig vaak, en als zodanig uitdrukking van het besef, dat voor een ‘hoge’, innerlijk onproblematische poëzie geen plaats meer is in onze tijd van rationalisatie en neo-positivisme, en zijn ‘slordig’ gebruik van het rijm versterkt deze indruk nog. Of dit besef objectief juist is, kan men weliswaar betwijfelen,-niet te ontkennen is, dat Bernlef uit voor hém onvermijdelijke anti-poëtische vooronderstellingen poëzie heeft geslagen, zoals Mozes water uit de rots.

    Het is om de hierboven gegeven karakteristiek, die Bernlef kenschetst als een typische representant van de hedendaagse dichtkunst, dat de Commissie voor Schone Letteren met algemene stemmen heeft besloten, aan het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te verzoeken, de bundel Dit verheugd verval voor te dragen voor bekroning met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-Prijs 1964.

    Het voorstel van het bestuur om het advies van de Commissie voor Schone Letteren te volgen wordt zonder stemming aangenomen.

Naar de overzichtspagina

Delen