Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1978

Winnaar

  • Hilbert Kuik - Het schot

    Rapport van de jury voor de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1978

    De Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs is, zoals de Wet van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde het omschrijft, een ‘prijs van aanmoediging’ voor dichters of prozaïsten ‘die niet langer dan twee jaren vóór de dagtekening der voordracht enig werk in afzonderlijke uitgave hebben doen verschijnen’. De Van der Hoogt-prijs is dus noch een prijs voor gevestigde schrijvers noch een prijs voor debutanten. Het is, althans volgens de Commissie een prijs voor schrijvers die om de een of andere reden minder aandacht hebben gekregen dan hun werk, althans volgens de Commissie voor schone letteren van de Maatschappij, verdient.

    Evenals vorig jaar heeft de Commissie de voor te dragen auteur van meet af aan gezocht onder de prozaïsten, aangezien de Van der Hoogt-prijs sinds 1971 vrijwel uitsluitend aan dichters was toegekend. Ook prozaïsten moeten worden aangemoedigd, al zou de Commissie toch nog schaamteloos op de dichters teruggevallen zijn als zij geen prozawerk had kunnen vinden van niveau. Gelukkig bleek dat laatste geen probleem. Er waren zelfs verschillende mogelijkheden, waarvan er - zoals het hoort - uiteindelijk één overbleef. De Commissie voor schone letteren stelt voor de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1978 toe te kennen aan Hilbert Kuik,/i> voor zijn in 1976 verschenen roman Het schot.

    Hilbert Kuik debuteerde in 1970 met Vreemde eend, medicijnman in Afrika, waarin hij de ervaringen beschreef die hij als arts tijdens een driejarig verblijf in Oeganda had opgedaan. In 1972 publiceerde Kuik de verhalenbundel O jongens jongens, wat een gepiep!. Met de roman Het schot vervolgt Kuik een weg, die in zekere zin een weg terug is. Een weg terug in de tijd wel te verstaan. Ging het in Vreemde eend over een zojuist afgestudeerde arts, en in O jongens jongens, wat een gepiep! vooral om naar hun identiteit zoekende adolescenten, in de roman Het schot wordt het puberteitsprobleem behandeld. Een dertienjarige gymnasiast zoekt naar zijn eigen vorm, zijn eigen waarden, in een wereld die daar weinig of niets van begrijpt en die hem dan ook steeds een andere kant tracht op te duwen.
    Op zichzelf is dit thema niet nieuw. Wat Kuiks roman zo eigen maakt is de manier waarop hij het probleem heeft ‘ingevuld’. De dertienjarige gymnasiast Hans Verweg heeft een Oostenrijkse moeder die voor de oorlog haar vader ontvluchtte, en een Nederlandse vader, die in de oorlog in het verzet gezeten heeft. De in 1938 geboren Hans, die in de oorlog door een Duitse officier is afgetuigd, zit boordevol met wraakgevoel jegens de nazi's, die zo rijk vertegenwoordigd zijn in zijn eigen familie: de familie van zijn moeder.
    Tijdens een vakantiereis naar Oostenrijk, in het begin van de jaren vijftig dus, vecht Hans zijn oorlog uit. De oorlog na de oorlog, die hij als een jeugdige Prometheus ingaat en niet zonder kleerscheuren en zielsschokken doorstaat. Goed en slecht blijken niet makkelijk uit elkaar te houden, wat toch nodig is als men de normen van de anderen voor een eigen waardestelsel in wil ruilen, als men een individu wil worden. ‘Waren mijn ooms slecht omdat ze voor de nazi's gevochten hadden? Of waren ze goed omdat ze door hun vader geslagen waren en mij aardig behandelden? Was mijn grootvader goed omdat hij tegen de nazi's geweest was? Of was hij slecht omdat hij zijn vrouw het graf in en zijn dochter het land uit gegeslagen had? Dat hij geen woord tegen mij zei, was dat zijn goedheid of zijn slechtheid? Als ík het slecht vond, was het dan ook slecht? Wie maakte dat uit? Wie moest hem straffen? Ik?’.
    Dat op al die vragen een, ook letterlijk, doeltreffend antwoord wordt gevonden, zodat Hans Verweg met ‘een aan geluk grenzende tevredenheid’ terug kan reizen, is minder belangrijk dan de wijze waarop Kuik het hele groeiproces beschreven heeft.
    Via onder andere het onliteraire, ‘puberale’ taalgebruik wordt de afstand tussen hoofdpersoon en lezer sterk verkleind, terwijl diezelfde afstand tegelijk vergroot wordt door de, zowel geografisch als emotioneel, uitzonderlijke context, waarin het verhaal zich afspeelt. Deze voortdurende spanning tussen ver weg en dichtbij werkt dikwijls uitermate komisch, en accentueert op die manier nog eens de spontaneïteit die de roman vanaf de eerste tot de laatste bladzijde doortrekt. Zó sterk zelfs dat men zich pas aan het eind realiseert hoe doelbewust, hoe knap, de ‘Werdegang’ van deze dertienjarige is gestructureerd. Juist deze onnadrukkelijke, ogenschijnlijk niet-spectaculaire, schrijftechniek is er misschien de oorzaak van dat de roman Het schot van Hilbert Kuik, naar het oordeel van de Commissie, minder aandacht heeft gekregen dan het boek verdient. Moge de Van der Hoogt-prijs daar verandering in brengen.

    dr. G. Borgers
    T. van Deel
    J.G. Elburg
    M. Hartkamp
    mw. Ankie Peypers.

Naar de overzichtspagina

Delen