OPZIJ Literatuurprijs 2008

Ga direct naar


Winnaar

  • Doeschka Meijsing - Over de liefde

    jury van de Annie Romeinprijs / Opzij Literatuurprijs 2008 heeft tientallen romans van vrouwelijke schrijvers gelezen. Er waren veel mooie boeken bij. Uit die rijkdom is uiteindelijk één boek opgetild waarvan de juryleden zeiden: dit is het allermooiste boek dat in 2008 is verschenen en dat is Over de liefde van Doeschka Meijsing.

    In 1990, 19 jaar geleden dus, schreef Doeschka Meijsing een roman getiteld De beproeving. Die roman ging over een man, Jona genaamd. Hij vroeg zich vertwijfeld af waarom zijn geliefde Julie hem verlaten had. In Jona kon je een verwijzing zien naar de bijbelse Jonas in de walvis. Er zijn opvallende overeenkomsten met de roman Over de liefde. Over de liefde gaat over een vrouw die zich vertwijfeld afvraagt waarom haar geliefde Jula haar verlaten heeft. Zoals Meijsing in 1990 verwees naar een bijbels thema, zo lijkt Over de liefde een moderne en vervrouwelijkte verwerking te zijn van het verhaal van de Bijbelse Job. Zo veelgeplaagd als Job, die op de mestvaalt zijn beklag doet over alles wat er in zijn leven is misgegaan, zo veelgeplaagd voelt zich ook Pip, de hoofdpersoon van Over de liefde. Zij meent een expert te zijn in de liefde, maar moet vaststellen, nadat ook haar derde geliefde haar heeft verlaten, dat zij ‘een mislukkeling’ is. ‘Zó zijn en dán nog verlaten worden.’ Dat is de ondanks alles komisch klinkende verzuchting van Pip, die in de liefde verslagen wordt door een te dikke man die nog ouder is dan zij, ‘op het randje van verlepping’, zoals ze het snerend omschrijft. Zij meet haar ellende breed uit. Alles krijgen we te horen over haar overhoop gegooide leven en haar toekomst die in diggelen ligt. Ze komt er, ondanks al het onthutsend openhartige gegraaf en gewroet in haar verleden en in haar zielenleven, niet achter waaraan het ligt dat ze keer op keer ongelukkig is in de liefde.

    Wat is er nou zo aantrekkelijk aan dit gegraaf en gewroet, dit geklaag en gelamenteer van deze ongelukkige dame? Voor een deel moet die aantrekkingskracht wel schuilen in haar naïviteit, die zo aandoenlijk contrasteert met haar intellectuele gaven. Aan de ene kant gaat Pip prat op haar gymnasiale achtergrond, aan de andere kant loopt ze er met open ogen in. Terwijl de hele grachtengordel al op de hoogte was van de overspelige escapades van haar geliefde, meende Pip, die in Wenen wetenschappelijk onderzoek aan het doen was, dat er geen vuiltje aan de lucht was. ‘Iedereen in de stad wist het’, klaagt zij, ‘behalve ik, die in Wenen had zitten vernikkelen en de lente had gevierd in een koetsje met een scharminkel van een paard ervoor’. Aantrekkelijk is ook de voor Meijsings doen nogal frivole manier van formuleren. Ze lijkt voorgoed bevrijd uit de kluisters van wat ooit wel is omschreven als ‘academisch proza’. De verteller is niet meer, zoals in sommige eerdere romans van Meijsing, de spin in een ingewikkeld en doorgeconstrueerd web, maar mag hier, zo komt het ons althans voor, recht uit het hart spreken.

    Nog altijd in verzorgde zinnen, maar losser, spreektaliger en authentieker. Doeschka Meijsing is hier meer dan ooit zichzelf geworden, als schrijfster. Er is niets meer te verliezen, zo klinkt door in alle verzuchtingen van de treurige heldin, en daarom spreekt ze ook met een zekere doodsverachting en is haar toon prettig onthecht. Het tragische verhaal van Pip, die steeds opnieuw deerlijk in de steek wordt gelaten, krijgt daarmee in één moeite door ook meteen een komische, soms ronduit hilarische kant. Pip keert als het ware terug naar de eenvoud van het leven, om nog ergens greep op te kunnen houden. Ze verdiept zich in een vlek op het parket, een van de komische leidmotieven in de roman. De vlek voert haar naar de Willemsparkweg, naar het Vloerenparadijs, en naar de cementmolen, ander komisch leidmotief, die haar letterlijk en figuurlijk van de sokken maait en een keerpunt in haar leven vormt.

    Ook voor het overige valt er genoeg te lachen om Over de liefde: om de eigenaardige familie van Pip, die zich door een handige Spanjaard laat bestelen, om haar concurrent in de liefde die zij o.a. een ‘vleesgeworden midlifecrisis’ noemt en natuurlijk om de zwemtocht door de gracht, nadat onze brekebenerige heldin onverhoeds tijdens een etentje te water is geraakt.

    Wat de jury zo bevalt aan Over de liefde is de optelsom van alles wat hier al even genoemd is: het onvervaarde zelfonderzoek dat toch nog onbeslist eindigt, de komische noot, de luchtige toon die zo listig de indruk weet te wekken dat deze hele roman zomaar uit de mouw is geschud. Hier spreekt een vrouw die onbekommerd opkomt voor zichzelf en haar versmade liefde. Als een moderne, vrouwelijke Job op de mestvaalt. Zij richt zich niet tot een hogere macht, maar gaat uitsluitend te rade bij zichzelf, bij de god of godin, zo men wil, in het diepst van haar gedachten.

    De jury:
    Erica van Boven
    D. Hooijer
    Janet Luis
    Mariët Meester
    Karin Overmars



    Details:
    De prijs, waaraan een bedrag van 5.000 euro is verbonden, werd uitgereikt op 17 februari 2009 in Amsterdam.

Naar de overzichtspagina

Delen