P.C. Hooft-prijs 2013 (verhalend proza)

Winnaar

  • A.F.Th. van der Heijden

    ‘Daar. Daar zit je dan domme, dwaze jongen.’ Deze zin, die zijn moeder tegen hem zei toen hij een kind was, is een haarscherpe herinnering van de schrijver die naar de mening van de jury met de P.C. Hooft-prijs 2013 onderscheiden dient te worden. 'Ik herinner me: ik ben. Ik ben: ik herinner me. Ik herinner mezelf. Ik ben herinnering.' Het is het geheugen, zijn eigen geheugen, dat hem maakt tot de grote schrijver die hij is.

    Alle gebeurtenissen uit zijn leven, wat gezegd en niet gezegd is, hoe het licht door de bomen op het water valt, en wat daar allemaal wel en juist niet bij gevoeld is, heeft hij onthouden. Een ijzersterk geheugen daar is hij mee behept en gezegend. En veel van wat hij onthouden heeft, is uiteindelijk opgeschreven, want bij hem moet alles taal worden. Om te kunnen bestaan, moet hij zijn geheugen overgieten in taal. Daarmee wilde hij ver spreken, en ver spreken deed hij, en zal hij ongetwijfeld blijven doen. Hij leeft de dagelijksheid en de onbenulligheid van het leven door zijn stoutmoedige stijl intens kunnen verbinden aan het hogere: niet aan een god, maar aan betekenis.
    Op de meest dramatische momenten blijft hij de details zien, zoals de blik van de stervende op het polshorloge.

    A.F. Th van der Heijden is een geboren schrijver, een schrijver van nature. Hij groeide op in de jaren vijftig, in het versteende katholieke zuiden. Daar lag alles al vast, gebruiken, rituelen, onbegrepen en geheimzinnige verbanden tussen mensen, voorwerpen en voorvallen, die voor een kind een raadsel zijn. Door alle details te onthouden en later in taal te voegen, konden die verbanden ontraadseld worden.

    Maar met de ontraadseling groeide ook de behoefte aan beweging: los te komen van het geboortedorp, vrij te worden van god. Van de provincie naar de hoofdstad beweging wordt een sleutelwoord voor het eerste deel van zijn oeuvre, de cyclus. De tandeloze tijd. Dat de Amsterdamse vrijheid voor Albert Egberts ook een verslaving en ellende met zich meebracht, is een deel van die beweging, en moet vervolgens net zo goed in taal gevat worden. ‘Het hek van de fictie is nu van de dam.’

    Rond zijn vijftigste verjaardag met de getalsymboliek zit het wel goed bij deze schrijver is A.F. Th van der Heijden iets geheel nieuws begonnen: de nu nog onoverzichtelijke cyclus Homo duplex. Die gaat niet meer over vrijheidsdrang, maar zegt toch, net als de voorafgaande boeken, alles over de tijd waarin wij leven. De kracht van rituelen, met hun bezwerende werking, is gebleven. Hij zoekt de klassieke tragedie in het huidige menselijke gewemel, dat door geweld, platheid en goddeloosheid wordt gedomineerd. In De Movo Tapes daalt hij af in het ‘riool van de geschiedenis’. Al het mogelijke kan nu een plaats krijgen in zijn literaire universum. Voor iedere eigenschap, van hemzelf of van de samenleving, kan een nieuw personage het vehikel worden. In zijn oeuvre wordt 'fictie over fictie' werkelijkheid.

    Zo beroemd als het bed van Marcel Proust is, waar hij zijn hele universum in gedachten opriep, zo legendarisch zijn inmiddels ook de zeven bureaus van A. F. Th van der Heijden. De werkelijkheid ontstaat in zijn werkkamer. In zijn literatuuropvatting is hij ‘een god’ in het diepst van zijn gedachten. In dit hyperromantische kunstenaarsbestaan zijn leven en literatuur één.’Nu ik dit opschrijf, een schrijvende instantie ben, kan ik mezelf één persoon voelen, die het over twee ‘anderen’ heeft,’ schreef hij over zichzelf, de drinker in de avond en de drinker in de ochtend. De dubbele mens; in het schrijven wordt hij heel.

    Zelf typeerde hij zijn werk als volgt; ‘Over elke splinter van Christus’ kruis hebben ze een kerk gebouwd. Misschien zal mijn hele manuscript straks uit snippers bestaan en over de aarde verspreid zijn.’ Hij bedoelde het pessimistisch, en stelde voor over de snippers bejaardenhuizen in plaats van kerken te bouwen, maar het beeld van één groot stuk hout, dat in splinters verdeeld is die toch bijeen horen, en dat alleen als geheel zijn volledige zegging en betekenis onthult, is een sterk beeld voor zijn oeuvre.

    Die snippers zijn de cyclusromans die de tijd duiden, en requiemromans die op grootse wijze de verlorenen oproepen en terughalen uit de onderwereld, zoals Asbestemming en Tonio. Het zijn essays over literatuur en schrijven, losse romans, verhalen en novellen, en brieven. Die brieven, het moesten er inmiddels duizenden zijn, zijn nog goeddeels ongepubliceerd, maar dat is allemaal yet to come.

    Zijn werken, inmiddels bijna dertig boektitels, zijn één werk. Uit het een groeit het ander, en soms is een nieuw boek nodig om een vorig boek te begrijpen. Soms is ook een boek zelfs dan niet helemaal te begrijpen; dat zijn de boeken die de zoektocht naar betekenis zelf belichamen, en de lezer op zoek laten gaan naar die betekenis. Niet dat de schrijver een spelletje speelt met zijn lezers; daar is hij te serieus voor.

    Hij wisselt virtuoos van register, springt van verleden naar toekomst, voert een onafzienbare stoet kleurrijke personages op, stammend uit Brabantse arbeidersmilieus tot aan mythologische geslachten. Zijn stijl is ongeremd en retorisch, kent weinig beperkingen en barst soms bijna uit zijn eigen zinsverband. Hij bepleit de ‘schittering’, en zelfs de ‘schittering van overbodigheid’, en heeft de beschrijvingskunst in de Nederlandse literatuur tot grote hoogten gebracht. Op tactiele wijze beschrijft A. F. Th van der Heijden de kleinste details, die de grootste emoties kunnen oproepen. Zijn stijl lijkt elektrisch geladen en is als een enorme en nauwelijks rationeel te bevatten natuurkracht die toch beheerst zijn doel bereikt. Door de weidsheid van zijn blik op zijn onderwerp, meestal de mens, en de op het oog soms omtrekkende bewegingen van zijn pen, weet de schrijver overweldigende caleidoscopische beelden op te roepen.

    De vermetelheid van zijn stijl wordt ook in Duitsland gezien: Der Tagesspiegel beschreef hem als ‘Ein Saft- und Kraftgenie, wie Holland es seit dem Barock nicht mehr hatte.’ Sinds de barok! Dat zal P.C. Hooft deugd doen. Dat Saft zowel naar de vier levenssappen als naar ‘sperma’verwijst, is mooi meegenomen.

    Nooit is hij ergens overheen gekomen; ín hem zitten al zijn eerdere fysieke en geestelijke gedaantes, die hij tot leven kan wekken door zijn ogen te sluiten en de pen ter hand te nemen. ‘Een schrijver, als u het mij vraagt, en dan weer de schrijver in de huid en met de ogen van het kind.’ Dat is wreed, want je zou willen dat hij over sommige gebeurtenissen in zijn leven wél heen zou kunnen komen. Voor hemzelf.

    A. F. Th van der Heijden is immens aanwezig in de Nederlandse letteren, maar ontving nog niet de hoogst literaire onderscheiding van Nederland. Die krans van ‘haaievinnen van donkere laurierbladen’ zou hem nu te beurt moeten vallen. ‘Wie geen goud heeft, moet goud zoeken, of zich toe-eigenen,’ schreef hij ooit. Of: goud krijgen.

    Omdat hij deze tijd waarin wij nu leven en lezen, taal en betekenis heeft gegeven, draagt de jury van de P.C. Hooft-prijs 2013 voor verhalend proza met volle overtuiging A.F. Th van der Heijden ter bekroning voor.

    De jury van de P.C. Hooft-prijs 2013:
    Rudi Wester, voorzitter
    Arnold Heumakers
    Xandra Schutte
    Thomas Verbogt
    Maria Vlaar
    Aad Meinderts, ambtelijk secretaris



    Dankwoord A.F. Th. Van der Heijden:

    Ik kan tegenwoordig, meer dan veertig jaar later, wel eens jaloers worden op de rituelen die ik als twintigjarige hanteerde. Begin jaren zeventig was ik er heilig van overtuigd dat de roman die ik in gedachten had op één vel papier geschreven moest worden (althans in handschrift, het uittypen zou later op de gewone manier gebeuren). Vraag me niet waarom. De argumenten zijn in de tijd weggezakt. Misschien hoopte ik zo, door schrijfmateriaal uit één stuk te kiezen, tot een monolithische tekst te komen. Nou, vergeet het maar. Het werd eerder een lappendeken van stijlen – en dat zegt meteen iets over de vrijheid die ik mezelf gunde.
    Ik betrok mijn magische krantenrol bij een klein, hekserig Eindhovens wijfje, dat een soort zomerkennel voor honden dreef en voor haar uitdragerszaak restjes krantenpapier van het Eindhovens Dagblad opkocht. Vijf gulden investeerde ik aldus mijn eerste romanproject. Het vrouwtje ging me voor door de krochten van allerlei naar elkaar doorgebroken huisjes, waarbij ik spitsroeden moest lopen tussen de kaken van tientallen honden, die overal vandaan – uit manden en kooien – hun nek naar me uitstaken, nijdig blaffend. Zo kwamen we op een binnenplaatsje, waar een dozijn rollen krantenpapier in de schaduw stond, tegen het vergelen.

    Ik moest nog acht kilometer naar Geldrop. Hoe ik met die rol op de fiets thuis ben gekomen, kan ik me niet herinneren. Ik trok veel bekijks, en dat met een onbeschreven blad. Ik legde de rol overdwars op een stoel achter het bureau in mijn oude zolderkamer, en wrikte zo het papier steeds een stuk verder naar me toe. Ik trok met de liniaal zes bladspiegels naast elkaar, schreef die vol, en wikkelde de rol verder af. Op het bureaublad vouwde ik het weerbarstige krantenpapier tot een soort leporelloboek, dat almaar dikker en moeilijker te hanteren werd. Zo componeerde ik mijn eerste roman. Een reusachtige mislukking natuurlijk, maar wel een interessante mislukking.

    En ja, Bejaardentehuis op het dak van de wereld, zoals het boek uiteindelijk ging heten, daar moest natuurlijk alles in staan, van ethische kwesties tot de oerknal. De hoofdpersoon schrijft een driedelige Ethica, die alle religies wegvaagt en uiteindelijk leidt tot de opheffing van de mensheid. De laatste exemplaren van de soort trekken zich terug in een soort ouden-van-dagentehuis in de Himalaya. Enfin, alles vanuit de bravoure die je van een aanstormend schrijvertje mag verwachten. De roman moest niet zozeer, als bij Gerard Reve, ‘alle andere boeken overbodig maken, behalve de Bijbel en het telefoonboek’, maar moest wel elk volgend boek van mij overbodig maken. Er rustte die zomer van ’72 dus wel een taak op mijn schouders. Ik paaide mezelf met een dandyesk beeld: in de zomer van ’73 wanneer Bejaardentehuis in de winkels zou liggen, en liefst ook elke zomer daarna, zag ik mezelf in een wit pak langs caféterrassen flaneren, nageroepen door mensen die mijn roman zaten te lezen: ‘Grote God, lieve jongen, ik heb het bijna uit… schrijf alsjeblieft een vervolg… je kunt het.’
    Mijn antwoord zou even ijdel als bescheiden zijn: ‘Waarom? Alles staat er al in.’

    Ik vraag me nog altijd af wat er met dat manuscript gebeurd zou zijn als ik het naar een of meerdere ‘grote’ uitgeverijen had gestuurd. Misschien had deze of gene redacteur me aan geraden om het, met wat meer eenheid van stijl, te herschrijven. Ik studeerde in Nijmegen, en kende de weg niet in de Amsterdamse uitgeverswereld. In de boekhandel nam ik wel eens zo’n klein, fijn, anekdotisch boekje van Thomas Rap ter hand, en dacht dan: een grote roman als die van mij, die ontbreekt nog in hun fonds. Het werd dus Thomas Rap – die het omvangrijke manuscript per kerende post retourneerde. Ik maakte voor het eerst kennis met de standaardformule: ‘…omdat wij het niet in ons fonds vinden passen.’
    Een boek waar Alles in stond weigeren! Ik was zo beledigd dat ik er niet eens aan dacht een andere uitgeverij te benaderen. Ze zochten het maar uit zonder driedelige Ethica.

    Ik weet niet of mijn onderneming nou wel zo ambitieus was. Ik kon me eenvoudigweg niet voorstellen, op die leeftijd, dat je energie en verbeeldingskracht zou steken in een roman die niet over Alles zou handelen, op z’n minst over het totaal van je eigen ideeën. Mijn gedachten omtrent de wereld kwamen me als belangrijker voor dan de stilering en dramatisering van dat gedachtegoed. Ik diende dus het een en ander af te leren.

    Vier zomers later schreef ik, vreemd genoeg opnieuw in mijn ouderlijk huis, de novelle De gebroken pagaai. Als ik die nu teruglees, lijkt het wel een oefening in soberheid, vergeleken bij de intellectuele grootspraak van Bejaardentehuis op het dak van de wereld.
    Ik dacht dat het een geweldig schokkend en provocerend statement zou zijn, een boek waarin de mensheid – met filosofische argumenten! – werd aangeraden zichzelf op te heffen.
    Ik wilde dus niet zozeer iets aan de wereld toevoegen, als wel iets aan de wereld ontnemen. Niet alleen z’n prominentste bewoner, ook z’n totaalbewustzijn.

    Ik matig me niet wat betreft de hoeveelheid verhalen die ik onder handen heb, wel in de mate waarin ik ze toesta uit te dijen. De romans waar ik de afgelopen jaren aan gewerkt heb ( dus voor en na het requiem Tonio), lijken qua compositie eerder te imploderen dan te exploderen. Ik bedoel daarmee dat hun materiaal zich verdicht, in heel z’n complexiteit compacter wordt…zich dichter om de kern van het verhaal groepeert.

    In 1972 was ik een kleine Don Quichot die met zijn pen de grote wereld te lijf wilde, in heel z’n complexiteit en onnoemelijke wijsheid. Ik liet mijn hoofdpersoon terug de tijd in reizen, op een queeste naar de oerkiem van het Al – om te ontdekken dat die kiem een dodelijk explosief was, dat zich niet onklaar liet maken. Ik bedoel maar. Ik zag mezelf zitten, achter mijn leporelloboek, grote gebaren makend om de toekomstige lezer de stuipen op het lijf te jagen. Een aandoenlijk poseur.
    Toen onderscheidde ik hooguit een woestijn als klein onderdeel van de wereld. Later ontdekte ik de zandkorrel als spiegel van het universum. Ik ging in details, richtte mijn eigen detailhandel op. De wereld kon zich zeer wel spiegelen in, bijvoorbeeld, het mes van Albert Egberts’ vader…in de gekleurde streepjes op het lemmet, waarmee Albert zijn kleurpotloden aangescherpt heeft om het gevaar te bezweren.
    Een wit tafellaken met daarop een stemvork, een schoenlepel en een briefopener bij wijze van bestek.



    Laudatio door Rob Schouten: ‘Ga d’r eens een keer voor zitten, Tib’

    Ik ben een fan. Dat zit zo. Ik ben van 1954, laatst lichting babyboomers, Woodstock net gemist, je moest popmusicus worden, zanger, gitarist en als dat niet lukte werd je roadie of groupie. Literatuur was nogal passé, iets voor stoffige lessen Nederlands. Het hoorde een beetje bij de vorige generatie, die van de ouwe pruiken en regenten. En zo kwam het dat vrijwel niemand romans over onze tijd schreef. Ja, je had oude Willem Frederik Hermans, die in Onder professoren onder meer zijn licht liet schijnen over de jongeren in de jaren zeventig, maar zo cynisch en neerbuigend, daar zat je niet op te wachten.

    En dan Jan Cremer en Remco Campert, maar die waren er toch eigenlijk te oud voor, die hielden nog van Jayne Mansfield en Charlie Parker. En Gerard Reve had het over ons als ‘elke ongewassen aap die met een bord: dat hij vóór dit, of tegen dat is, de weg verspert’. En wijzelf waren er kennelijk te stoned of te idealistisch voor. Het was al een gisting, bevrijding en energie, maar literair gesproken leken we toch vooral op een heuse lost generation.

    En opeens, uit het niets, kwam daar begin jaren tachtig, na een korte opmaat onder het pseudoniem Patrizio Canaponi van Een gondel in de Herengracht en De Draaideur, A.F. Th. Van der Heijden met De slag om Blauwbrug. Die Blauwbrug, die kende ik wel, daar was ik op Koninginnedag 1980 ook nog geweest, als zoveelstejaars student Nederlands, je studeerde indertijd eindeloos, traangas in m’n ogen, weghollend voor de politie, die van je beste vriend allang je ergste vijand was geworden. Even lezen hoor, hoe dat daar toeging, ook met het oog op de inhuldiging die op het moment dat ik dit schrijf nog voor ons ligt maar inmiddels gepasseerd moet zijn: ‘Toen ik weer voor me keek, spatten de eerste verfbommen uiteen teen de rieten schilden, die met strak plastic overtrokken waren. Voor mijn ogen zag ik schitterende schilderijen van Jackson Pollock ontstaan, subliemer dan die van de meester zelf. Roze, witte, blauwe en groene verfspatten, verbonden door dunnen slierten, recht, gebogen, spiraalvormig… Er werden steeds nieuwe kleuren aan toegevoegd.

    “Me…charge!”
    Druipend van de verf kwamen de robots op ons af gemarcheerd. Ik kon beter de voorstellingen op hun schilden onderscheiden: vreemde sterrenbeelden…onbekende melkwegstelstels…het heelal zelf, steeds uitdijend…En dat alles plotseling onder een regen van meteorieten.’

    Ja, zo was het, ik zag het weer voor me, in een feest der herkenning, maar tegelijkertijd ook dat nieuwe, van de realiteit die door de verbeelding aangeraakt tot kunst wordt en ons naar de tijdloosheid voert. Zoiets proefde ik in dit soort regels: eeuwenoude schrijversdromen in hedendaagse beelden. Van der Heijden mat zich niet met de talloze realistjes om hem heen maar met de grote schilders, hij maakte een literaire Nachtwacht. Natuurlijk was ik jaloers, ik wilde ook wel zo schrijven. Een groot prozawerk waaraan ik bezig was en dat mij en mijn leeftijdsgenoten moest neerzetten borg ik op, het ligt nog altijd in coma in mijn studeerkamer.

    De slag om de Blauwbrug en wat er allemaal op volgde, leek op het eerste gezicht een prosopografische roman, over een bepaalde cercle, een generatie, zeker geen documentaire of reportage, maar literatuur, verbeeld zoals ik ook de Haagse coterie rond de eeuwenwisseling via de verbeelding van Couperus had leren kennen, of de Indiëgangers bij Du Perron of zelfs de betere Engelse kringen uit de boeken van Virginia Woolf en de Griekse strijders uit het werk van Xenofon en Homerus.
    Laat ik zeggen dat het tijdsbeeld dat Van der Heijden schetste mijn zijn werk binnen lokte, maar eenmaal binnen onderging ik heel andersoortige verrukkingen, niet van herkenning zozeer maar van verbazing om dat heel eigen universum.

    Uit Van der Heijdens boeken doemt een staalkaart van het naoorlogse tijdsgewricht op, de jaren vijftig, de woelige jaren zestig, de opkomst van de welvaartsstaat, de verzorginsstaat, het relativistische cynisme van tegenwoordig. Een tijd die Carel Peeters ooit samenvatte als ‘verzakelijking, profijtbeginsel, carrièrezucht, yuppiedom en ongebreideld individualisme’, naargeestige trends waartegen de schrijver dan met zijn kunst en verbeelding ageert en reageert. Hij wil de wereld mooier maken met fantasie en stijl.

    Dat gesublimeerde realisme is allemaal natuurlijk prachtig en voortreffelijk, en dat het dan soms ook nog eens teruggevoerd kan worden op oermythen als die van Oedipus of de Thebaanse trilogie is gefundenes Fressen voor literatuuranalytici, maar het mooist vind ik het toch als hij in zijn boeken de ongrijpbare kant van het bestaan beschrijft, de roes van drank en slaap, van passie en seks, van kosmische gewaarwordingen. Het is ook een beetje de frustrerende kant van zijn werk voor de criticus, die ik gedurende de lezing van zijn werk almaar was. Ik ben dan ook blij dat ik voor deze gelegenheid het ongrijpbare ongrijpbaar mag laten. Die roezige dimensie valt namelijk niet goed samen te vatten, te reduceren of te analyseren, het is het geheim van de smid. Ze stijgt ver uit boven wat je erover zou kunnen zeggen. En dat is misschien wel het belangrijkste wat je in een tandeloze tijd kunt proeven, dat er meer werkelijkheid is dan die je tenslotte opvreet.

    Van der Heijden krijgt de P.C. Hooft-prijs voor zijn proza, maar het eerste wat ik ooit van hem las waren nota bene gedichten, geplaatste in Cees Nootebooms poëzierubriek in het blad Avenue. Ik weet wel dat de prijs hem niet in de eerste plaats vanwege die gedichten toekomt, maar het is eigenlijk helemaal niet zo gek om aan hem als dichter te denken. In dat verband wil ik graag even de aandacht voor De Movo Tapes, het is geloof ik een ietwat verguisd hoekje in zijn oeuvre maar waarom eigenlijk? Lezers en critici vertilden zich eraan, het was ze te mateloos en fantastisch en nu, tien jaar na dato, durf ik ook wel te zeggen dat het ze misschien ook niet Nederlands en calvinistisch genoeg was. En toegegeven, dat is het misschien ook niet. Mij deed het indertijd denken aan zoiets als De gezangen van Maldoror van de Franse protosurrealist Lautréamont. Het is een lyrische, barokke taalexplosie, een bolbliksem van beelden en fantasieën, waarin niet meer de vertelling de overhand heeft maar de wereld wordt neergezet als een enorm, veelvormig organisme van gevoelens, wereldomspannende gedachten, driften en impulsen, het is een zintuiglijke aangelegenheid geworden. Ik heb altijd het gevoel gehad dat het door de kritiek verkeerd is begrepen, dat het niet in hun lijstje paste.

    Ik zal geen poging doen om het boek dat u ten onrechte misschien niet hebt uit gekregen, samen te vatten maar geloof me, het is een getransformeerde, dichterlijke kijk op onze tijd in wat Van der Heijden zelf noemde leproza, waarin de twee hoofdpersonen, Tibbolt Satink en de lichtgod Apollo (die zijn naam aan de NASA heeft verkocht, waarna hij hem zelf niet meer mag gebruiken, vandaar zijn letteromkering Oll’opa, ouwe opa), in de grond een cultureel ongenoegen belichamen. Ouwe opa lichtgod is in een voor hem vreemd flitsend maar ook opstandige en illusieloze tijd terechtgekomen, met zaken als hooliganisme en pornografie. Zo nu en dan kijkt hij terug op zijn eigen klassieke glorietijd. Tibbolt daarentegen probeert juist van zijn jeugd af te komen en een gestaalde, illusieloze, nietzscheaanse denker te worden. Door de ogen van beide hoofdpersonen verwordt onze tijd tot een krankzinnig amalgaam van theatraal vertoon, vervlakking en verval. Van der Heijden toont zich in dit boek de hedendaagse evenknie van zijn provinciegenoot, de schilder Jeroen Bosch.

    Tegelijkertijd is het ook een zoektocht naar de graal, naar de kern van de zaak, naar het geheim van de kosmos. Op het programma staan ongrijpbaarheden als het besef van de mens, zijn gevangenschap in het nu, de onoplosbaarheid van het wereldraadsel, het is een prometheïsche poging dat geheim te ontraadselen, zoals hier Tibbolt alias Movo probeert: ‘Zou het zo ook niet met de zin van het leven kunnen zijn? Nooit rechtstreeks waar te nemen, maar wel als een ijl stelsel van zinnigheden af te leiden uit een wonderlijke nevenverschijnselen van het bestaan zelf…Ga d’r eens een keer voor zitten Tib.’

    Mag ik u er in dit verband op wijzen dat de kinderen van Van der Heijdens en mijn generatie ooit geloofden in een betere, vrijere, kleuriger en fantastischer wereld. Er kwam in de praktijk geen spaan van terecht maar in het werk van Van der Heijden proef ik er toch een literaire verwezenlijking van: het overstijgt ongeveer alles in de grauwe realiteit.

    Maar laten we terugkeren naar de rechtdoor lopende rede, de oratio porvorso, het proza. Want dat is het toch waarvoor hij deze prijs ontvangt. Een van de zegeningen of als je wilt vloeken uit de jaren zestig en zeventig, die Van der Heijden op geheel eigen wijze in kaart brengt, is de democratisering en ontzuiling, de grenzeloosheid van onze tegenwoordige wereld, niet als een politiek-maatschappelijk programmapunt maar als een organisch feit. De mensheid trekt bij hem van Geldrop naar Amsterdam en weer terug, we bevinden ons met hetzelfde gemak in een voetbalkantine als in Hollywoodkringen. De Bemmelse moordzaak en de dood van een kraker in een Amsterdamse cel hebben dezelfde proporties. De Amsterdamse rijschool Hippe houdt op geheimzinnige wijze verband met de Californische hippies. Van der Heijden krijgt dat voor elkaar door in alles overtreffende dimensies te leggen en alles en iedereen met elkaar in verband te brengen. Ieder verhaal waarover hij zich ontfermt krijgt dezelfde lading, dezelfde portie verbeelding, hetzelfde schitterende taalvuurwerk. Niets wordt gerelativeerd of krijgt een geringe plaats toegewezen.

    Ik ben een fan, zoals ik aan het begin bekende, niet zomaar een liefhebber maar een aanhanger. Ik vind alles goed, ook als ik het even niet goed vind. Wat mij betreft had Van der Heijden de P.C. Hooft-prijs al jaren eerder gekregen. Toch weet ik niet of er een fanclub is, een clubhuis, ik weet niet waar de F-side van deze schrijver zich bevindt, wie precies de anderen zijn. Ik heb geen handtekening van ‘m, noch heb ik ooit op de loer gelegen om een glimp van hem op te vangen. Voor zover ik weet zijn de supporters van dit werk individualisten.

    Dat ik zoveel van dit werk houd heeft met bewonderende identificatie te maken, het gaat voor een deel over mij en mijn wereld, maar het is tegelijkertijd subliemer. Er zijn niet veel schrijvers bij wie ik dat heb. Ik kan alleen Simon Vestdijk als ander voorbeeld noemen. Ook zo’n oeuvrebouwer, bij wie je ten slotte een heel mensbeeld bij elkaar ziet ontstaan.

    Over fans schreef Van der Heijden een boek met de prachtige titel Drijfzand koloniseren, er staat een passage in die je als een soort ode aan de mens zou kunnen opvatten, een laudatio op zijn kracht. Die wil ik tot slot graag voorlezen, het is een dialoog tussen een zekere Wolmoed en Uilke: “Precies. De mens. Onuitputtelijk onderwerp. De zee, of de aarde, het maakt hem niet uit. In de aarde maakt hij zelf deining en golven, met tractor en ploeg. Hij slaat de hele aardkorst aan klonten, als het hem zo uitkomt. En die klonten maakt hij weer fijn met de eg.”

    “Letterlijk alles heeft hij klein gekregen. Weeft de spin een web om vliegen in te vangen? De mens haakt een net om vogels uit de lucht te halen. Hij plukt ze, rijgt ze aan het spit, of zet ze in zijn huiskamer om voor hem te zingen of zijn gezwets na te bauwen.”

    “Voor het vangen van de vis knoopt hij weer andere netten. Het wild wordt gestrikt. Als het te groot is voor een strik, rijgt hij het aan zijn pijlen en speren, of hij pompt het vol hagel.”
    “Heerlijk,” zei Wolmoed
    “Heerlijk, Wolmoed,” zei Uilke. “Dank je.”
    “Welke andere creatuur op aarde presteert het om een wild paard een bit in de mond te proppen, en erop te gaan rijden?
    Wie temt de stier?”
    “Ondergetekende.”
    “Precies. En hoe kunnen wij hier in de kroeg, onder het genot van een door mensenhand gebrouwen glas bier, al deze dingen nog eens op een rijtje zetten?”
    “Door de taal. En door zijn denkvermogen, dat snel als de weerlicht is.”’

    Als ik dat lees, denk ik dat het misschien toch iets van de tale Kanaäns is, waarmee ik ben opgevoed, dat mij naar dit werk gedreven heeft. De tale Kanaäns die in de jaren zestig en zeventig van mijn opvoeding uit Nederland verdreven werd om plaats te maken voor de middelmaat, het platte en populistische, het realisme en de daad, maar die in de taal en verbeelding van Van der Heijden voor de geseculariseerde submist toch een waardige opvolger vond, als een soort lichtpuntje in de baaierd.

    Ik ben blij dat zijn werk in mijn tijd geschreven is, dat het over mijn tijd gaat en dat het die tijd mee zal nemen de toekomst in.

    Rob Schouten.

    Details:
    De P.C. Hooft-prijs 2013 is uitgereikt op donderdag 30 mei 2013.


Naar de overzichtspagina

Delen