P.C. Hooft-prijs 2016 (proza)

Details:

De jury van de P.C. Hooft-prijs 2016 bestaat uit:
Sander Bax, voorzitter
Karin Amatmoekrim
Toef Jaeger
Edzard Mik
Pauline Slot

De P.C. Hooft-prijs is dit jaar bestemd voor verhalend proza en is uitgereikt op een feestelijke bijeenkomst in het Letterkundig Museum op donderdag 19 mei 2016.


Winnaar

  • Astrid H. Roemer

    Juryrapport P.C. Hooft-prijs 2016:

    ‘Een prijs? Ik zou mij verstoppen, de oorkonde door een ander laten ophalen, aan zee zitten te nippen aan een glas beste rode wijn. Het geld? Dat zou ik gebruiken om mij degelijk af te zonderen om na te kunnen denken.’ (Zolang ik leef ben ik niet dood, p228).

    De auteur die de jury met meerderheid van stemmen voordraagt voor de P.C. Hooftprijs 2016 houdt van afzondering – maar wel om vanuit die afzondering haar literaire stem te laten horen.
    Astrid H. Roemer is een schrijfster die uniek is in de Nederlandstalige letteren. Ze verhaalt over ervaringen van ontworteld raken, en doet dat in een proza dat zich losmaakt van literaire conventies.

    In haar leven en in haar werk reist Roemer tussen Nederland en Suriname, zonder ooit ergens neer te strijken. Haar oeuvre is meer dan het resultaat van een botsing van culturen; het heeft de ambitie de worsteling van de mens in alle intimiteit te tonen om deze vervolgens te overstijgen. In Roemers oeuvre dringt de achtergrond waartegen de levens van haar personages zich afspelen geregeld op de voorgrond. Zo gaat dat wanneer de geschiedenis mensen tot keuzes dwingt. Het intieme en het politieke komen in Roemers oeuvre samen en de relatie tussen deze pijlers in haar werk is even complex als de verhoudingen die haar personages aangaan.

    In de jaren zeventig en tachtig maakte Roemer naam met toneelstukken (Paramaribo! Paramaribo! uit 1982), dichtbundels (zoals Noordzeeblues uit 1985) en vooral met originele romans. In 1983 herschreef ze haar debuutroman Neem mij terug uit Suriname uit 1974 tot Nergens ergens - een titel die nog scheper duidelijk maakt hoezeer leven op twee halfronden, in totaal verschillende samenlevingen, tot ontheemding en ontwrichting kan leiden. Dat betekent overigens niet dat haar werk zich alleen maar daarop richt. Haar romans gaan ook over tijdloze thema’s als opgroeien en familie. Ook de liefde wordt in al haar complexiteit getoond, bijvoorbeeld die van een dochter voor haar moeder, zoals haar succesvolle roman Over de gekte van een vrouw (1982), of in Levenslang gedicht (1987). In Roemers werk botst zachtheid meermaals op rauwheid, ontaardt liefde in geweld en werken familieverbanden zowel beklemmend als bevrijdend.

    Haar vroegere werk verscheen bij Uitgeverij In de Knipscheer, maar in de jaren negentig stapte ze over naar Uitgeverij de Arbeiderspers om daar haar grote romantrilogie onder te brengen. In drie achtereenvolgende jaren publiceerde ze haar magnum opus Gewaagd leven (1996), Lijken op liefde (1997) en Was getekend(1998). In deze romans, die gesitueerd zijn in verschillende fasen van de geschiedenis van Suriname, is een schrijfster aan het woord die ook dichteres is. Soms lijken de romans zelfs gelezen te willen worden als prozagedichten, deels geworteld in de politiek-maatschappelijke werkelijkheid van een historische periode, deels daarvan losgezongen door een uitbundig taalgebruik, dat bij tijd en wijle dramatisch is, soms ook hallucinatoir, en dat een zweem van mystiek bevat. Roemer heeft met deze romantrilogie een gedurfd proza-experiment willen uitvoeren.

    Een roman schrijven is eigenlijk de taal die ik denk te kennen, onderzoeken op haar bruikbaarheid, haar mogelijkheid om uitdrukking te geven aan wat ik onder breng bij de waarden Schoonheid-Goedheid-Waarheid. […] En ik, ik vind het een voorrecht om het Nederlands dat voor iedereen gebruiksklaar wacht in mijn onderzoek naar de wereld te bevrijden. Mijn lezers mogen slechts ‘bevrijde woorden’ tot zich nemen. Iedereen wordt er betere van als hij zijn eigen pijn […] in ‘schone woorden’ kan wikkelen. ( Zolang ik leef ben ik niet dood, p.80)

    De drie romans vormen samen een ingenieus bouwwerk, waarin personages verschijnen en verdwijnen, politieke gebeurtenissen verschijnen en verdwijnen, politieke gebeurtenissen de levens van verschillende generaties tekenen en waarin de belangrijkste motieven (geweld, seksualiteit, politiek, mystiek) steeds complexer evolueren.
    Zo klinkt in Roemers oeuvre een volstrekt eigen stem. De schrijfster is niet op zoek naar de loepzuiver geschreven en hecht gecomponeerde romans, maar heeft een voorkeur voor het overdadige en het fragmentarische. Ze durft risico’s te nemen, in de constructie van romans, in haar taalgebruik, én in de onderwerpen waarover ze schrijft. Op de hoogtepunten in haar oeuvre verliezen grote woorden als ‘pijn’ en ‘liefde’ hun gewicht en gaat haar proza zingen. Op die momenten dat haar romans zich als een gedicht laten lezen, krijgt de lezer iets heel bijzonders terug.

    Het is ook een oeuvre waarin iets wezenlijks op het spel staat, dat uit noodzaak is geschreven, dat niet wil behagen maar exploreren. Centraal staat de zoektocht naar, reflectie op, en verwoording van een politiek-maatschappelijke en een persoonlijke identiteit. Zowel in de hoofdpersonages als in de wijze van schrijven woedt een strijd: alles wat inperkt en afknelt moet doorbroken worden. Want wat door de buitenwereld wordt gevormd en beperkt staat persoonlijke ontwikkeling in de weg.

    Neem ik mijn bestaan als voorbeeld, dan is het streven naar intimiteit voor mij het belangrijkste. En het beleven daarvan gaat bij mij gepaard met verzet tegen de aanpassing, tegen de éénduidigheid, tegen massamedia, tegen blinde stromen. Ik wil Nederlands spreken maar als ik kan kiezen, dan liever met een Surinaams, een Haags en een literair ‘accent’.
    (Zolang ik leef ben ik niet dood, p 54)

    Als Roemers oeuvre ons iets laat zien, dan is het de spanning die bestaat tussen het geworteld- zijn van onze identiteit (in natie, cultuur en gender) en het verlangen om onze identiteit vorm te geven. De luxe om jezelf te maken is lang niet voor iedereen weggelegd – dat ervaart de hoofdpersoon van de herschreven roman Nergens ergens als in het eerste jaar dat hij in Nederland verblijft. De roman begint met zijn constatering: ‘Hij had zelf gekozen voor Holland. Hij had genoeg van al die pseudochefs in Suriname’ (p 12). Maar hij eindigt met de woorden: Toen liep hij mee met de mensenstroom zonder te weten waarheen en waarom’ (p 180).

    Dit laat ook zien dat al Roemers werk doortrokken is van de historische, culturele en maatschappelijke omstandigheden waarin een mensenleven is ingebed. Het indrukwekkendst komt dat tot uitdrukking in de romantrilogie. Roemer weet de levensgeschiedenis van personages als Cora en Herman Sewa in Lijken op liefde ( om een voorbeeld te noemen) op intrigerende wijze te verweven met de geschiedenis. De drie romans zijn vaak fragmentarisch: nieuwsberichten, brieven, verhalende passages en gesprekken wisselen elkaar af en het is aan de lezer om uit de brokstukken het ‘grote verhaal’ te destilleren - misschien om te concluderen dat dat grote verhaal versplintert in de persoonlijke ervaring van de betrokkenen.

    Roemer heeft haar strijd ook buiten de literatuur gevoerd. In Suriname steunde ze de linkse onafhankelijkheidsstrijd, in Nederland was ze enige tijd actief in GroenLinks. Maar Roemer benadrukt dat ze geen pamflettistische roman schrijft.

    Ik doe wat ik als auteur meen te moeten doen en dat is schrijvend de weerzinwekkende gebeurtenissen in mijn geboorteland proberen te begrijpen. Ik schrijf niet over personen maar over waarden. Ik oordeel niet maar articuleer gevoelens. Ik richt een herdenkingsmonument op, maar één met duidelijke gaten naar de toekomst.
    (Zolang ik leef ben ik niet dood, p 172)

    Politiek engagement en literair experiment gaan bij Roemer hand in hand. Naar het oordeel van de jury leidt dat tot romans die tegelijk scherpe en relevante interventies in het publieke debat zijn én complexe literaire verbeeldingen van de geschiedenis van Suriname ( de roman Was getekend bestrijkt een veel langere periode voorafgaand aan 1980). Het is een geschiedenis die voor velen in Nederland nog tamelijk onbekend is, buiten de steekwoorden ‘slavernij’ en ‘decembermoorden’, maar die onlosmakelijk met ons land verbonden is, en daarmee ook, middels het unieke oeuvre van Roemer, met onze literatuur.

    Wie denkt dat Roemer daarmee in een politiek correct vak te plaatsen is, heeft het mis. In haar autobiografie Zolang ik leef ben ik niet dood uit 2004 beschrijft Roemer een interview met een ‘beetje bevooroordeelde’ journalist die haar vroeg of ze een ‘politiek-correct persoon’ was. ‘Ik moest grinniken. Een politiek-correct persoon is een “wij”. Hij zat tegenover een “ik” (p 154). Wie Roemers romans goed leest, begrijpt dat dat soevereine ‘ik’ allerminst vanzelfsprekend is. Eerder lijkt er sprake te zijn van een constante strijd om de mogelijkheid van een ‘ik’ op te eisen.

    In de ontknoping van haar debuutroman Neem mij terug, Suriname gebruikt Roemer het zwaar aangezette beeld van de dode, jonge vrouw in een witte bruidsjurk met daarop een grote bloedvlek. Het is een voorbeeld van Astrid Roemers eigenzinnige gebruik van beelden. De manier waarop zij tegen de regels van de literair goede smaak durft in te gaan is even ongemakkelijk als fascinerend. Behoren deze beelden tot een erfenis waar Roemer van af probeert te komen door ze onverschrokken te gebruiken, zoals je je ook van je demonen kunt verlossen door ze op te roepen of in de ogen te kijken? Of maakt de nadrukkelijkheid van Roemers beelden – zoals wel is opgemerkt - het ernstige streven zichtbaar om naar ‘andere beelden’ te zoeken en daarbij terug te grijpen op weinig gangbare beelden uit het ‘versmade vrouwendomein van zwangerschap’?

    Het werk van Roemer stelde de leeshouding en de literaire conventies werden soms als problematisch ervaren, maar de jury waardeerde Roemers gepassioneerde verlangen om lak te hebben aan vormen en conventies en overal doorheen te willen breken. Roemers werk riep op tot reflectie over het idee van de ‘objectieve’ lezer, die in de praktijk nooit los kan staan van zijn culturele achtergrond – hoe graag we ons dat ook verbeelden. Daarmee ondervond de jury iets van wat Roemer in haar hele oeuvre exploreert: het verlangen om te kiezen wie je bent, en het besef dat dit maar tot op zekere hoogte kan. Roemers werk heeft in ons taalgebied een unieke leeservaring te bieden, door de niet-uitgebeende stijl, door het ritmische, het zintuigelijke, dat vaak wonderlijk goed samengaat met een zorgvuldig, soms zelfs plechtstatig Nederlands, door het mozaïek van haar composities, door de wereld die ze voor de lezer opent.

    Schrijvers die veel risico nemen, origineel zijn en een hoge literaire inzet in hun werk tonen, zijn van vitaal belang voor de letteren en schrijven boeken die, tegen de verdrukking van commercialiteit en popularisering in de media, alle aandacht verdienen. Astrid Roemer behoort tot die categorie. Met deze voordracht voor de P.C. Hooftprijs 2016 wil de jury haar waardering tonen voor de stem van een Surinaams-Nederlandse schrijfster die met haar werk op een intrigerende en uitdagende manier de grenzen van de Nederlandse literatuur openbreekt.



    Dankwoord Astrid H. Roemer:

    Geachte genodigden, beste vrienden, lieve mensen: was mij een literaire prijs toegekend vanwege het land waar ik ben geboren, vanwege mijn etniciteit, mijn sekse en gezien de aard van mijn romantische liefdeskeuzes: ik zou de prijs, hoe prestigieus ook, niet accepteren, omdat de ontwikkeling die ik heb doorgemaakt mij juist heeft ontkoppeld van levensfeiten waarvoor ik, welbeschouwd, geen keus heb kunnen maken; ja, mijn gasten: ook de liefde is mij aangedaan!

    Gewaardeerde jury van de P.C. Hooftprijs 2016, sinds 16 december verkeer ik dagelijks in een staat van opwinding door een prijs, die voor mij werkelijk helemaal een verrassing is. Om bij donker naar bed te gaan en 's ochtends te ontwaken wetend dat ik uw laureaat ben en als zodanig wordt bijgezet in de reeks ‘Hollandse Taalgoden’ is werkelijk verheugend. Het feit dat velen die zich dan ook verwant voelen met mij meegenieten van deze eer maakt deze namiddag voor mij echt tot een feest. En in mijn diepste stilte weet ik mij gewaardeerd en geaccepteerd in wat ik doe en in wie ik ben, dank, heel veel dank: Karin, Amatmoekrim, Sander Bax, Toef Jaeger, Edzard Mik, Pauline Slot.

    Geachte voorzitter van de stichting P.C. Hooftprijs, mijn prijs draag ik op aan mijn bloedgroepauteurs te weten: Bea Vianen, Edgar Cairo, Anil Ramdas, Frank Martinus Arion. Het kunstwerk neem ik dan ook niet mee naar Gent. Ik heb de directeur van het Letterkundig museum verzocht het kopstuk van P.C. Hooft een plek te geven in zijn letterenpaleis, dat voor iedereen toegankelijk is. Aan het beeld zal een metalen plaatje worden geschroefd met daarin gegrafeerd de namen Bea Vianen, Edgar Cairo, Anil Ramdas, Frank Martinus Arion en uiteraard Astrid H. Roemer als uw laureaat 2016.
    Beste mensen, mentaal ontkoppeld te zijn van levensfeiten waarvoor ik niet heb kunnen kiezen betekent geenszins dat deze feiten die niet te veranderen zijn mij met rust laten. Integendeel: zij teisteren mij, verwarren me soms, troosten mij ook en zijn onophoudelijk verontrustend.

    Mijn bloedgroepauteurs hebben net als ik gekend, de worsteling met een identiteit die meer belastend is dan bevrijdend, die meer verdriet heeft gegenereerd dan vreugde. En niet, omdat met individuen uit gekoloniseerde leefgebieden iets niet in orde is, maar omdat een dergelijk etnisch-culturele identiteit overal ter wereld meebeweegt met de waan van de dag, zoals bij een beursgenoteerde waarde. Maar: de romans van Bea Vianen hebben mij aangemoedigd te publiceren, Edgar Cairo fungeerde met zijn leven en werk als een vuurtoren, Anil Ramdas’ essays triggerden mijn verontwaardiging met betrekking tot het multiculturele debat in uw land en bij Frank Martinus Arion kon ik troost vinden en schuilen in zijn honderden romanpagina’s.

    Onweerstaanbaar vibreren domeinen rondom mij, waardoor ik blijf nadenken over mijn eigen ding in relatie tot andere kunstvormen, de wetenschap, de religie. Want wat proberen Kunstenaars, Religieuzen, Wetenschappers en topprofessionelen uit minder dominante domeinen onder de mensen te brengen? De Oorspronkelijkheid der Dingen! Klinkt hoogdravend, maar geachten, hoort mij toch aan.

    Want, het probleem bij het uitdrukken van ‘de Oorspronkelijkheid der Dingen’ is, dat de uitdrukkingsmiddelen alle corrupt zijn. Kleur, vorm, materiaal, het notenschrift, bètatekens, het alfabet: alle corrupt, dat wil zeggen: door iedereen te manipuleren.
    Iedere publicist weet het: een tekst is het meest te manipuleren product en haast iedereen roept voldaan dat een tekst voor meerdere interpretaties vatbaar hoort te zijn, alsof het om een voorwaarde gaat die een tekst verheft tot iets wat is: Goed – Waar – Schoon.
    Verdwalen in mijn stijl, gefixeerd zijn door mijn vormgeving, bevangen zijn door de omvang bewijzen geen dienst aan mijn werk noch aan mij. Ik wil ‘oorspronkelijkheid’ uitdrukken: iets wat eigen is aan ‘bestaan’ en aan ‘levend organisme zijn’, iets wat in wezen mogelijk niet deelbaar is. Ik noem het hoogdravend: iets uit het domein van ‘de Oorspronkelijkheid der Dingen’.

    Kunstenaars, Wetenschappers, Religieuzen en andere topprofessionelen kiezen ervoor om door te dringen tot genoemd domein; en als een act horend bij de professie wordt wat niet-deelbaar is, mededeelbaar gemaakt en onder de mensen gebracht door middel van uitdrukkingsmiddelen. In deze traditie zie ik mijzelf als auteur, dichter, publicist.

    Wie een vrouw of een man mooi vindt, omdat hij of zij prachtig gekleed of gekapt is, gaat voorbij aan de ondeelbare schoonheid van de persoon: kleding is immers corrupt, te manipuleren, en smaken eveneens. De fysieke schoonheid van een persoon is ‘oorspronkelijk’ (ondeelbaar, eigen) en slechts in staat zich te tonen zoals zij is. Een goed verzorgd uiterlijk helpt.

    Want, uitdrukkingsmiddelen zijn alles wat we hebben om te communiceren (soms zelfs met technische hulpmiddelen ), want: informatie heeft een fysieke transmitter nodig om mededeelbaar te zijn. Uitdrukkingsmiddelen (taal, vorm, kleur, materiaal, enzovoort) zijn niet te omzeilen en juist doordat ze gemanipuleerd kunnen worden, geven ze aan gebruikers grenzeloze mogelijkheden en behouden ze een niet uit te roeien vitaliteit.

    Ik houd van uitdrukkingsmiddelen. Ik ben stapelgek op de talen die ik min of meer ken, maar vooral op het Nederlands. Uitdrukkingsmiddelen stellen ons in staat kennis te krijgen van en voeling te hebben met de min of meer gedeelde habitats waarin wij leven: in contact met elkaar in een aards bestaan, waar wij als individu en als soort overleven.
    ‘ De Oorspronkelijkheid der Dingen’ wordt veelal uitgedrukt in waarden. Voor Europeanen, zoals ik, is het meest bekend het drietal: Waarheid, Goedheid, Schoonheid. Maar van andere domeinen kennen wij: liefde, lust, toorn, genade en helium, zwaartekracht, zoet, zuur, bitter, licht, geluid, goud, grafiet, water en ook goddelijkheid, solidariteit, tonaliteit.

    In literaire teksten flitsen fragmenten van waarden op, soms inversief, meestal metaforisch. En wie dergelijke flitsen vindt, weet en voelt zich geraakt in de eigen oorspronkelijkheid. Zo werken producten van Kunst, Wetenschap, Religie en uit andere professionele ambachten verbindend, zuiverend, regenererend en wordt een persoon/consument aangezet tot denken, helder denken! En, helder denken is een fundamenteel probleemoplossend vermogen van wat wij ons ’bewustzijn’ noemen en wat vermoedelijk onder regie staat van het brein. Ik lever vanuit mijn ervaring en met mijn mogelijkheden een minuscule bijdrage, die u niet is ontgaan, in de vorm van literatuur.

    Ik dank de personen die ik heb uitgenodigd om mij op deze namiddag lof toe te zingen: hartelijk dank, lieverds, en ik laat jullie onmiddellijk weer vrij om mij in het literaire circuit genadeloos te volgen. Onophoudelijk gaat mijn dank uit naar personen die mijn werk onder de mensen brengen: uitgevers, boekhandelaren, recensenten, docenten, theatermakers, musici en hoe dan ook de media. Ik dank de mensen die mij lezen, beluisteren, en soms beroddelen. Het Letterenfonds te Amsterdam heeft mij regelmatig gezegend met werkbeurzen, waarvoor ik dank verschuldigd blijf.

    Hopelijk heeft u net als ik genoten van mijn geliefde muziek en het is de hoogste tijd om u uit te nodigen voor een hap en een drankje in de foyer, waar ook een klein geschreven geschenk van mij op u wacht. Dank personeel van het Letterkundig museum, dank musici. Moge het u allen en mij goed, beter en best gaan!

Naar de overzichtspagina

Delen