Penselen 2001

Rapport:


De Penseeljury 2001, bestaande uit:
Truusje Vrooland-Löb (voorzitter)
Toni Mulder
Marieke Oomen
Ankie Posthumus
Ger Schoolenaar

heeft de volgende boeken uitgekozen voor bekroning met een Gouden of Zilveren Penseel. De Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek heeft deze voordracht overgenomen.

Gouden Penseel:
Jan Jutte - Tien stoute katjes - Leopold

Zilveren Penselen:
Jaap de Vries - Een kip voor Toos - Zwijsen

Rotraut Susanne Berner - De prinses komt om vier uur - Querido

Algemene inleiding
Kwaliteit schommelt altijd, ook die van kinderboekillustraties. In 1999 was er een rijke kinderboekillustratie-oogst, het daaropvolgende jaar was dat minder, maar gelukkig kreeg de Penseeljury in 2001 weer veel bijzondere, eigenzinnig geïllustreerde boeken onder ogen. Een goed boekenjaar dus, waarin we moeiteloos een handvol Penselen hadden kunnen uitreiken: het liefst één per jurylid. Dat zou lekker geweest zijn.

Maar omdat dat reglementair nu eenmaal niet kan, plantten we met groot plezier maar een Vlag en Wimpel bij sterk geïllustreerde prentenboeken als Olivia van Ian Falconer, Alexander de Grote van Hans de Beer en naast Wachten op Matroos, geïllustreerd door Ingrid Godon, zodat ze toch een beetje in het zonnetje worden gezet. Want ze mogen er wézen.

Al zijn we als 'illustratiejury' vooral bezeten van de beeldkant van het boek, we hebben ook wel degelijk goed naar de tekst gekeken, want daar kan een prentenboek onder gebukt gaan en zelfs onder bezwijken. Zoals vormgeving en typografie een boek kunnen maken en breken. Soms kostte het de jury echt moeite om over iets heen te stappen. Bijvoorbeeld als verrukkelijke illustraties (en dat was een paar maal het geval) geperst werden in het keurslijf van een liefdeloos vormgegeven commercieel concept van een serie eerste leesboekjes. Desondanks kwamen we er in alle harmonie uit. We kozen misschien niet de meest voor de hand liggende boeken voor een bekroning, maar haalden uit die enorme stapel drie kleine, stille, volwaardige kinderboeken die, binnen hun eigen vormentaal, drie totaal verschillende werelden grensoverstijgend neerzetten. Drie pareltjes van boeken!

Onze Penseelwinnaars 2001 hebben slechts één ding gemeen: een grote liefde voor het ambacht van het illustreren voor kinderen. En daar gaat het om. 'k Moe gaan', zal ikzelf zo meteen zeggen tegen het populaire, dartele fruittiepje dat de Nederlandse kinderboekillustratie de laatste jaren geworden is. Want na ruim een kwart eeuw regelmatig jureren als gewoon jurylid (en een generale repetitie als voorzitter voor dat eenmalige Oeuvre Penseel voor Fiep Westendorp) ben ik na deze drie jaar reglementair Penseeljury- voorzitter af.

Ik moet gaan en ik zal dus gaan. Al is het een beetje bokkend en sloffend en jaloers kijkend naar hen die nog even blijven, omdat jureren zo heerlijk is als je met zinnige mensen in deze vorm mag kijken naar en praten over al die geïllustreerde boeken uit het vorige jaar. Natuurlijk, jureren kan ook een beetje pijn doen als de anderen de kwaliteit van jouw lievelingsboek niet zien en je (overtuigend) weten te wijzen op de zwakke kanten daarvan. 'Hoe ging dat in de Penseeljury zo'n kwart eeuw geleden?', vroegen ze me de laatste bijeenkomst. 'Ach', zei ik, en probeerde ondertussen zowel gezag als jeugdig elan uit te stralen, 'eigenlijk altijd net zo geanimeerd en interessant als nu. Alleen was de prijs in die tijd nog piepjong, net als ikzelf'. Tussen 1973 en 1977 was het Gouden Penseel immers nog een aanmoedigingsprijs voor aankomend illustratietalent, zodat de bekende illustratoren reglementair uit de boot moesten vallen. Toch beschikten ze over goede smaak, die eerste jury's, want ze wisten het beginnende talent van mensen als Margriet Heymans, Wim Hofman en Lidia Postma feilloos te onderkennen. Een kwart eeuw geleden moest er ook hooguit maar een kwart van wat er tegenwoordig aan boeken wordt ingezonden, bekeken worden. De kinderboekenmarkt was veel kleiner. Net als de positie van de kinderboekillustratie en de importantie van de bekroningen. We zagen ze komen en gaan, al die jaren; de illustratiemodes, de wisselende landen met een sterke prentenboek-cultuur en de stroom van nieuwe illustratoren.

Eén ding is wel duidelijk geworden. In die kwart eeuw heeft de Nederlandse kinderboekillustratie zich niet alleen overtuigend weten te handhaven, te evolueren van 'leuke plaatjes bij de tekst' tot een volwaardige kunstuiting, maar is ook echt mooi volwassen geworden. Het bewijs daarvan was dit voorjaar breeduit te zien op de tentoonstelling “Dutch Oranges”, tijdens de boekenbeurs in Bologna en later in het Amsterdamse Stedelijk Museum.




Gouden Penseel

  • Jan Jutte - Tien stoute katjes

    Soms, heel soms, kom je een fonkelnieuw prentenboek tegen dat je bij het bekijken in eerste instantie even het gevoel geeft dat je het al kent, van heel vroeger, uit je eigen kindertijd. Zo'n archetypisch boek, zo'n onnadrukkelijke bijna-klassieker met de sfeer van het 'feest der herkenning' is Tien kleine katjes.

    Misschien is het ook niet zo verwonderlijk, want het kleine verhaal hiervoor – de afvalrace van 10 katten naar 1 - maakte Mensje van Keulen met een grote knipoog naar de bekende Ten little niggers-song. Maar het zijn bovenal de illustraties, de béélden die ondanks hun eigentijdse brutaliteit, dat blijmakende, nostalgische gevoel oproepen.

    Jan Jutte overspant in zijn kostelijke kattenkarikaturen met lef een eeuw illustratiekunst en geeft hierin ook openlijke knipogen naar zowel de jazzwereld uit het begin van de vorige eeuw, als de Amerikaanse krantenstrips uit die tijd. De krantenstrip is ook de echte achtergrond van dit boekje, want deze vermakelijke kattenavonturen verschenen eerst los op de kinderpagina van de NRC en werden daarna door vormgever Tessa van der Waals tot dit puntgave boekje samengesmeed. In een strak oblong kader, steeds voorafgegaan door een decoratief beginkapitaal, schildert hij met zwart en grijs op het witte vlak het dynamische avontuur van de tien katten en sluit hij met zijn visuele humor naadloos aan bij Van Keulens verhaal. Door met lef één steunkleur te gebruiken en door dat rood in verschillende nuances naast het zwart geraffineerd te doseren, weet hij deze 'beperking' optimaal te gebruiken als verstérking van zijn tekeningen. Het contrast tussen zwart en rood is zo uitgebalanceerd alsof hij tijdens het tekenen al precies wist wat het effect daarvan zou zijn. Vakmanschap, heet dat.

    Elke scène heeft zijn eigen achtergrond, die door het ontbreken van diepte, ruimtelijkheid, een soort coulisse-effect krijgt. Naarmate er in het verhaal meer poezen verdwijnen, wordt die achtergrond ook visueel steeds belangrijker. Het hele boekje voelt uiterst doordacht aan, zit van voor tot achter goed in elkaar en heeft voor wie het doorbladert, het tempo van een ouderwets 'flipboekje'.

    Tekenaar Jan Jutte heeft met zichtbaar plezier zijn ouderwets geklede kattentypetjes met hun sterke mimiek en hyperactieve motoriek tot leven gebracht. Het allerbelangrijkste is, dat ondanks al zijn raffinement Tien kleine katjes vooral een verrukkelijk kijkboekje over tellen vol visuele grapjes voor jonge kinderen is geworden. Hier werd het verhaal beeld.

    "Acht stoute katjes
    Zouden een feestje geven"


    Laten ze dat vandaag maar doen, want voor de manier waarop hij hen alle tien in beeld bracht, krijgt Jan Jutte het Gouden Penseel 2001.



Zilveren Penseel

  • Rotraut Susanne Berner - De prinses komt om vier uur

    Rapport Rotraut Susanne Berner:
    Nog altijd zitten er traditiegetrouw prinsessen & prinsen in kinderboeken en meestal is deze 'royalty' in boeken wonderschoon, ook al is een enkeling tijdelijk even omgetoverd in een kikker en zit de 'beauty', tot de betovering door een kus verbroken wordt, in een beest verstopt.

    Als je deze klassieke formule kent en - zoals het jongetje in dit boek van Wolfdietrich Schnurre en Rotraut Susanne Berner- in de dierentuin een heel vieze hyena tegenkomt die zegt een betoverde prinses te zijn, dan geloof je het beest vanzelfsprekend direct op haar woord. Want je weet hoe dat zit met betoverde prinsen & prinsessen: die hóren er even vreselijk uit te zien. Alleen in dit prentenboek gaat deze theorie niet op. Want ook al schenkt het jongetje haar als ze bij hem op bezoek is koppen koffie en verslindt ze stapels broodjes, deze hyena blijft hyena en wordt geen prinses. Erg? Ach, een goede daad is nooit weg.

    Berners plezier bij het illustreren van dit zonnige, maffe verhaal spettert van de bladzijden af; de platen bekijken is een klein feestje. Vol grappige details zitten ze, en een verscheidenheid aan beesten, insecten, spullen en dingen die kunnen en die niet kunnen. Ze speelt met beeldende clichés, komt soms even in de buurt van de kindertekening, of van de sfeer van de 'Gouden Boekjes' uit de jaren vijftig, beeldt sommige zaken plastisch af om even later de ruimtelijkheid van andere voorwerpen met slechts een paar lijnen te suggereren.

    Door allerlei vormen en stijlen en het perspectief door elkaar te mixen, balanceert ze steeds tussen smaakvol en niet smaakvol, tussen kitsch en kunst en roept ze een speciale spanning op. Maar al die stijlvariaties in kleurpotlood en gewoon potlood met een likje verf, zijn nooit te veel omdat het resultaat van deze beeldende ratjetoe toch homogeen geworden is.

    Haar artistieke raffinement is zo onnadrukkelijk dat je als kind van dit boek het gevoel moet krijgen, dat je dit zelf ook zou kunnen als je heel erg je best doet, en dus je kleurpotloden maar vast gaat slijpen. En is dat niet fijn voor een kinderboekillustrator?

    Nu dit boek over deze hyena een Zilveren Penseel krijgt, is haar illustratrice Rotraut Susanne Berner, toch even een echte prinses!



  • Jaap de Vries - Een kip voor Toos

    Rapport Jaap de Vries:
    Zèlf kunnen lezen is een van de wonderen in de kindertijd. Leren lezen is een moeilijke kunst. Daarom is het schrijven van een goed boekje voor prille lezers belangrijk werk. En tekenen bij zo'n eenvoudige tekst als:

    Wat hoort kip daar?
    Hoort ze het goed?
    'Help,' gilt kip.
    'Ik wil niet in de soep!'
    'Jij niet,' roept Roos.


    is dat helemaal. Want met tekeningen kun je kinderen tot lezen verleiden, de wereld van het boek inlokken. En dat is een heel belangrijke taak, want alleen op die manier kweek je lézers.

    Jaap de Vries schreef en tekende het leesboekje Een kip voor Toos en wordt daarvoor nu gelauwerd met een illustratieprijs. Want naast de tekst in korte zinnetjes (over kippensoep, een kip die ervandoor gaat met een rugzak en een kleine liefdesgeschiedenis tussen Toos en Kees) vertellen zijn fascinerende illustraties hun eigen verhaal, staan ze eigenlijk ook een beetje op zichzelf in dit zachtaardige, ontroerende boekje.

    De Vries tekent schijnonhandig, bewust naïef, spot met de regels van het perspectief en gooit plat en ruimtelijk door elkaar, houdt dit alles het hele boek door consequent vol en trekt zo de jonge lezer zijn droomwereldje in. Zijn doorwrochte platen (soms wat stille, dan weer meer strip - of slapstickachtige) overtuigen op elke bladzijde door zijn liefdevolle, absoluut eigenzinnige manier van werken, waarin soms even een verwijzing naar vroegere werken uit de beeldende kunst te voelen is. Hij weet materialen als pen, inkt, kleurpotlood en verf heel beheerst samen te voegen tot een ons altijd charmerend resultaat en benut alle mogelijkheden die zijn speelse fantasie hem aanreikt, om te tekenen wat hij niet schrijft.

    Kom Kip, kom Toos, kom Kees
    Kom vlug
    Kijk
    Een prijs voor Jaap


    Een Zilveren Penseel voor jullie Jaap de Vries!



Vlag en Wimpel

Naar de overzichtspagina

Delen