Penselen 2004

Rapport:


De Penseeljury 2004, bestaande uit:
Bregje Boonstra (voorzitter)
Hans Bockting
Remco Scheenjes
Ida Schuurman
Ryu Tajiri

heeft de volgende boeken voorgedragen ter bekroning met een Gouden of Zilveren Penseel. De Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek heeft deze voordracht overgenomen.

GOUDEN PENSEEL:
Jan Jutte - Een muts voor de maan - Uitgeverij Leopold

ZILVEREN PENSELEN:
Wolf Erlbruch - De Schepping - Em. Querido’s Uitgeverij

Isabelle Vandenabeele - Rood Rood Roodkapje - Uitgeverij De Eenhoorn

INLEIDING
Mijlpalen noden naast tevreden hoera’s en in-de-gloria’s tevens tot even stil staan bij wat we ook weer aan het doen zijn. Al vijftig jaar lang diepen jury’s uit de jaarlijkse kinderboekproductie het in hun ogen meest lezenswaardige op. Al ruim dertig jaar - want dat in den beginne het woord was, zullen we weten tot het einde der tijden - zijn aparte jury’s op zoek naar het meest bezienswaardige. En die jury’s worden geïnstalleerd, omdat de CPNB, in haar eigen woorden, ‘de belangrijke functie van het werk van Nederlandse en buitenlandse illustratoren in kinderboeken wil onderstrepen.’ Om haar opdracht naar behoren uit te voeren moet een Penseeljury zich een paar zaken goed in de oren knopen.

1. Het belangrijkste bekroningscriterium is de kwaliteit van het illustratiewerk. Uiteraard zijn er, als in elk gebied van de beeldende kunst, heel uiteenlopende overwegingen die bepalen of iemands werk kwaliteit bezit, waaronder: vakmanschap, gevoel voor kleur en mise en page, oog voor detail, originaliteit, lef, humor, vermogen om sfeer op te roepen en de kijker te raken. Afhankelijk van het boekenaanbod en de samenstelling van de jury drukken sommige van deze overwegingen of combinaties ervan een zwaarder stempel dan andere.

En misschien wordt er aan kunstenaars in boekenland nog een speciale eis gesteld, namelijk dat hun werk een ‘vertellende’ kwaliteit bezit. Een aanzienlijk gedeelte van de inzendingen voor de Penselen bestaat uit prentenboeken en de jury heeft het gevoel dat de moeilijkheid van dat genre vaak onderschat wordt. De ongeveer dertig pagina’s bieden altijd maar een korte spanningsboog voor wat verteld wil zijn en dat vereist, als bij het schrijven van een gedicht of een novelle, grote vaardigheid in het structureren, weglaten en detailleren en een expressief vermogen op de vierkante centimeter. Dat de makers zich van dit alles bewust zijn, blijkt uit veel te weinig prentenboeken.

2. Het Gouden Penseel is bestemd voor een Nederlandse kunstenaar. De jury betreurt het dat er in eigen land door de meeste uitgeverijen nog steeds zo zichtbaar op safe gespeeld wordt. Wat zou het goed zijn voor het niveau van de kinderboekillustratie als uitgeverijen hier iets zouden overnemen van de waaghalzerigheid die je in Vlaanderen aan kunt treffen. Niet voor niets komen drie van de zes bekroningen bij onze zuiderburen vandaan. Bij de Vlag en Wimpel-winnaars hanteert nieuwkomer Sebastiaan van Doninck in Het woei een veelbelovende absurdistische beeldtaal, terwijl oude rot in het vak Gerda Dendooven met Meneer Papier is verscheurd via haar geestige knipsels een perfecte eenheid van vorm en inhoud weet te bereiken. In dit Vlaamse gezelschap is de debuterende, Nederlandse Fleur van der Weel een passende derde, die voor de bundel Superguppie een in alle opzichten poëtische hond creëerde.

3. De illustraties in een kinderboek kunnen niet los van de tekst gezien worden, zodat bij voorkeur ook de kwaliteit daarvan in aanmerking genomen moet worden.
Hierover had de jury werkelijk niets te klagen dit jaar. Er moet een Opper Woorden Waker aan het werk geweest zijn - en bij drie van de zes bekroningen luidt diens naam Edward van de Vendel - want alle titels zijn niet alleen prijzenswaardig qua beeld, maar ook zorgvuldig tot uitzonderlijk mooi van taal. En zo moet het eigenlijk zijn. Een Penseel honoreert de beeldende kracht van een illustrator, maar daarmee wordt aandacht gevraagd voor een boek als geheel, waar kinderen hopelijk net zo van zullen genieten als de jury.




Gouden Penseel

  • Jan Jutte - Een muts voor de maan

    Sinds Jan Jutte in 1983 debuteerde met een nieuwe versie van Wim Bijmoers Beertje Pippeloentje voelt hij zich zichtbaar thuis in de wereld van de kinderlijke verbeeldingskracht. Kleine mensen spelen er de eerste viool en speelgoedbeesten met menselijke inborst blazen regelmatig hun deuntje mee. Ook alle cultuuruitingen die raken aan het per traditie volkse domein drukken als vanzelfsprekend hun stempel op Jutte’s idioom. De omkadering in soorten en maten, de woeste beweging en de geweldssterren verwijzen naar de strip, de poppenkast en de commedia dell’arte reiken mooie theatrale figuren aan en met de grootmoeder van de duivel of de Tien kleine negertjes in poezenvorm gaat de illustrator handenwrijvend aan de slag. Helemaal eigen en van niemand geleend zijn Jutte’s gevoel voor humor en zijn vermogen om goed en met veel plezier op kinderhoogte te kunnen kijken.

    Een muts voor de maan is in alle opzichten een echte Jutte en houdt zich aan een oude regel van de kinderkamer, waarbij het speelgoed om middernacht tot leven kan komen. Uitgelicht door de volle maan voeren drie speelgoedbeesten in een besneeuwd decor een maffe eenakter op. Op de eerste prent zitten Aap, Krokodil en Kip in de vensterbank, daar voor de nacht gezellig gegroepeerd door hun ongetwijfeld in diepe slaap verzonken baasje. Hun veronderstelling dat de naakt aan de hemel hangende maan wel een muts, das en wanten kan gebruiken spoort hen aan tot grote daden. Er is veel vergeefsheid in de dappere pogingen de maan te bereiken, wat leidt tot hilarische scènes en een poëtische, in wolken gehulde oplossing. Waarna we de drie nachtbrakers uitgeput tegen elkaar aanhangend op hun uitgangspositie in de vensterbank terugvinden. Op de laatste plaat kijken wij met de maan naar binnen, op de eerste ging onze blik met die van het beestenspul naar buiten.

    In Sjoerd Kuyper vond de illustrator een gelijkgestemde ziel die het speelgoedgescharrel in uitgekiende zinnetjes, vervreemdende samenspraakjes en ritmische herhalingen neerzet. Maar de grote regisseur van de nachtelijke klucht is Jutte. Hij biedt zijn expressieve karakters fraaie over twee pagina’s uitgespreide en wollig besneeuwde speelvlakken en schept een nachthemel van een adembenemend, want losjes over het witte vel gepenseeld blauw. En over dat alles laat de maan haar liefdevolle licht schijnen als een ouder die het gedoe van haar kroost met tevredenheid beziet.

    Fraai extraatje is de poes die in het begin bovenop de piano ligt te slapen, onkats op de rug uitgestrekt, met de poten gevouwen over de bolle buik. De hoed op zijn kop roept associaties op met de nachtclubeigenaar uit de film ‘Cabaret’. Hij bemoeit zich als echte kat nergens mee, komt in het hele verhaal niet voor, maar staat aan het eind met wakkere gele ogen op de pianotoetsen, klaar voor zijn eigen nachtelijk avontuur. In zo’n detail toont zich de meester, die zijn derde Gouden Penseel met recht mee naar huis neemt.



Zilveren Penseel

  • Wolf Erlbruch - De schepping

    Rapport Wolf Erlbruch:
    Wat anders doet een tekenaar - en zeker een van Wolf Erlbruchs kaliber - dan scheppen? Al jaren vult hij het wit van de lege bladzijde met zijn heel eigen, nooit schreeuwende kleurenpalet, met zijn prachtige papieren, stempels en knipsels, met verwijzingen naar kunsthistorische tijden die achter ons liggen en vooral met zijn wonderlijke, groteske figuren. Al Erlbruchs personages bestaan bij de gratie van de wanverhouding. De schonkige lijven en koppen dijen in de lengte of de breedte uit, als zo’n ballon waar je in knijpt en knoopt. Handen en voeten zijn enorm, de neuzen van Pinokkioformaat en de pruikjes haar van ongekende springerig- dan wel hangerigheid. Toch roepen die vreemde, overdreven proporties geen afweer op. In tegendeel, binnen de kortste keren houd je van deze rare schepsels, omdat je dankzij de combinatie van humor en mededogen hun menselijkheid herkent.

    Het is niet verwonderlijk dat Erlbruch zich nog eens zou willen spiegelen aan de eerste scheppend kunstenaar over wie ons gegevens bekend zijn. Daartoe kreeg hij door Bart Moeyaert een originele en fraai verwoorde hervertelling van het bijbelverhaal aangereikt, waaruit blijkt hoe onvoorstelbaar het is om iets te maken dat er nog nooit geweest is. Dat wordt ons duidelijk door het nietige mannetje met bolhoed dat verslag doet van Gods grote werken, in bewoordingen waarin afgunst en bewondering om de voorrang strijden. Hij is de ikfiguur in het boek Genesis. Iemand moet er toch bij geweest zijn, anders had het verhaal nooit verteld kunnen worden!

    Hoe onnavolgbaar is dit tweetal door Erlbruch neergezet, als de Mini en Maxi van het begin der tijden. Beiden zijn uit zeegroen-blauw papier geknipt, een harmonieuze, warme kleur. God is bol en enorm, met wapperbaard. Een minuscuul aureooltje bekroont zijn glimmend tevreden hoofd, waarop eigenlijk alleen het bekende Erlbruch-brilletje ontbreekt. Aan de machtige, maar elegante vingers zie je letterlijk de schepselen ontspruiten. Soms heeft God even iets van een zelfgenoegzame kwajongen, waar hij zijn voeten afkoelt in de kersverse zee of jolig heen en weer zwaait aan een zojuist geschapen boom. Naast hem is de vertellende ik een mensje in al zijn letterlijke en figuurlijke kleinheid, het lijf gespannen op zijn stoeltje, zijn mond een woedend of verbaasd misprijzend streepje. Pas wanneer God hem in een cirkel op de ruitjespapieren aarde zijn plaats wijst, begint het hoofdje gelukzalig te glimmen. En natuurlijk later, wanneer hij Eva aanschouwt.

    En overigens groeit de schepping onder Erlbruchs handen van leeg naar vol. Op de eerste dubbele pagina is niets, behalve het tekstblokje en de rechtsonder uit het boek vallende moeder, want Moeyaert stipuleert: ‘Als je het begin van alles wil zien moet je erg veel weglaten. Ook je moeder.’ En vervolgens wordt al het geschapene met meesterhand over de bladzijden geëtaleerd, met gebruikmaking van elke nieuwe dag meer en andere technieken. Tot er een volte ontstaat die zo in evenwicht en harmonie is, dat je als jury niet anders kunt zien dan dat het goed is. Heel goed.



  • Isabelle Vandenabeele - Rood Rood Roodkapje

    Rapport Isabelle Vandenabeele:
    Waarschijnlijk is er in de westelijke wereld geen verhaal met zo’n wijd verbreide bekendheid als Roodkapje. Ontelbare volwassenen zullen de act met de grote oren, ogen en tanden hebben opgevoerd op het moment dat van hen onverhoeds een verhaaltje geëist werd. Het sprookje hoort tot ons volkscultuurgoed en het is steeds opnieuw opgeschreven en van plaatjes voorzien. De gebroeders Grimm zorgden er in de negentiende eeuw voor dat het verhaal goed afliep via de jager die de uitpuilende wolvenbuik opensneed, maar bij Perrault aan het eind van de zeventiende eeuw stapt grootmoeders kleindochter eerst uitgekleed bij de wolf in bed om vervolgens definitief in diens begerige muil te verdwijnen. De moraal was overduidelijk: meisjes, niet met vreemde mannen mee, ook al zijn ze nog zo zoet gebekt.

    Met de tijden veranderen de zeden. Zo gaf Roald Dahl twintig jaar geleden Roodkapje de vrijheid om zich van de wolf te ontdoen met een revolver, die ze ‘in een wipje’ tevoorschijn haalde ‘uit haar slipje’. Quentin Blake maakte er een komische prent bij van de heldin op wankelende pumps, gehuld in een pompeuze jas van wolfsbont. Dat was een pastiche, waar je al of niet om moest lachen. Het Roodkapje van Vandenabeele en Van de Vendel is bloedserieus. Op de eerste dubbele pagina zien we een miezerig meisje, dat verdwaald in een te grote wereld haar best doet om vrolijk touwtje te springen. Dagelijks stuurt moeder haar met een snauw het donkere bomenbos in. Aan de andere kant wacht oma haar op met de volgende snauw, omdat de kleindochter te laat is en het meegebrachte lekkers niet goed genoeg. De wolf is wel groot en boos, maar biedt vooral kans op een uitweg. Laat hij eerst oma maar opvreten en daarna blijkt dit onschuldige kind heel goed met een enorme bijl overweg te kunnen.

    Dit is geen Roodkapje voor dagelijks gebruik, geen lief sprookje en geen prentenboek voor jonge kinderen. Dit is een kunstwerk, dat zowel naar vorm als inhoud eer betoont aan de lange volkse traditie, waarin het sprookje iets te zeggen heeft over wat mensen vlak onder de oppervlakte van hun dagelijks bestaan beroert en benauwt. Isabelle Vandenabeele roept het meisje dat gevangen zit tussen haar vreselijke moeder en haar nog vreselijker grootmoeder op in krachtige beelden. De forse, perfect afgedrukte linoleumsneden leggen een wirwar van dreigende lijnen over de pagina’s. Grootmoeder met haar door de guts gegroefde kop is onverdraaglijk en de schaduw van de uitwuivende moeder schreeuwt: ‘wegwezen!’

    In al die zwartheid is er één lichtpunt, het rood. Edward van de Vendel legt op de eerste bladzijde in vijf woorden uit waarom Roodkapje zo dol op die kleur is: ‘van rood werd ze blij.’ Zo staat het rood in Vandenabeele’s symbolische kleurgebruik voor verlangen, energie en levensdrang. De wolf is eng en dus zwart, maar in zijn oog schittert rood de mogelijkheid tot avontuur en verandering. En op het moment dat de wolf zijn vraatzuchtige werk aan oma voltooid heeft, rent Roodkapje door de tot dan toe pikzwarte, maar nu in één klap rood geworden bossen, rood van de opwinding, bloeddorst en kans op bevrijding. Dit is dan ook Rood Rood Roodkapje, niet vanwege een leuk spelletje met een overbekende naam, maar omdat rood de kleur is van de hoop en de daadkracht, die kinderen een uitweg toont uit het zwart van de schijnbare machteloosheid. Natuurlijk niet letterlijk met bebloede bijlen, maar via de beleving in een oud, opnieuw tot leven gewekt verhaal.



Vlag en Wimpel

Naar de overzichtspagina

Delen