Penselen 2014

Ga direct naar

Details:

De Penseeljury 2014 bestaat uit:

Annemies Broekgaarden, voorzitter
Lia Reedijk
Erica Ringelberg
Ron van Roon
Thomas de Veen


Uitreikingsrapport:

De Penseeljury heeft het moeilijk gehad – met 140 inzendingen en toch maar een te bekronen aantal boeken dat niet hoger mag uitkomen dan zeven stuks, valt er veel moois buiten de boot. Boeken die een publiek verdienen, tekenaars die een prijs verdienen, maar die er niet meer bij pasten op het erepodium. De eer voor de zeven overgebleven boeken, die de jury in volle overtuiging voor het voetlicht brengt, is er des te groter om.

Aan die overtuiging is overigens gewerkt – de discussies rond de jurytafel waren allerminst mals, en dikwijls fundamenteel. Wat maakt een goed prentenboek? Wat maakte een boek voor ons een winnaar van een Penseel, Palet of Vlag en Wimpel?

Het moesten artistieke hoogtepunten zijn, illustratiekunst die met kop en schouders boven de concurrentie uitstaken – dat ten eerste. Maar tegelijk is de Penseeljury een jury die de best geïllustreerde kinderboeken bekroont: wanneer we afwogen dat de beelden wel óns raakten, maar een kind toch hoogstwaarschijnlijk niet, moest dat boek het afleggen tegen een boek dat wel duidelijk vóór een kind gemaakt was. Van belang was ook de toegevoegde waarde van de illustratie bij de tekst – een sterke wisselwerking kon op veel waardering rekenen. We voerden lange, serieuze discussies, waarbij de verscheidenheid binnen de jury – met expertisegebieden die uiteenliepen van de beeldende kunst tot de bibliotheek – een kracht werd: er was overeenstemming te vinden.

Beginnend bij de Vlag en Wimpels. De Penseeljury van vorig jaar gaf die eervolle vermeldingen een officieuze bijbetekenis: het mocht niet de prijs heten voor de runners-up, de troostprijs, maar het was een bekroning als stimulans voor vernieuwend en origineel prentenboektalent. Dit jaar bespeurden we in de eindfase een duidelijke tendens in diezelfde richting, maar ook zijn de drie eervol vermelde boeken onder een nog specifieker noemer te vangen. De drie boeken die een Vlag en Wimpel krijgen zijn gemaakt voor de allerkleinste lezers. Door een piepjong publiek te willen bedienen hebben de illustratoren zich moeten onderwerpen aan de nodige beperkingen en verschillende wetten van de peutergenres – van telboek tot kleuterverhaal. Dat ze klaarblijkelijk daarin toch hun kunstenaarschap hoogtij konden laten vieren, viel de jury met name op, en meende dat dat van harte toegejuicht moet worden.

En dan de prijzen: de Zilveren Penselen en Paletten. De grote gemene deler van die vier boeken, zo stelde de jury achteraf vast, is dat hun uitvoering erbovenuit springt. Deze vier boeken zijn uitgegeven op de manier waarop zij het allerbest tot hun recht komen – en de jury moest bij andere boeken al te vaak constateren dat dat niet het geval was. Waarom soms zo’n petieterig boekje gemaakt van beeld dat schreeuwt om wat meer grootte? Waarom soms illustraties uit één stuk toch op twee pagina’s gezet, zodat de vouw hun schoonheid tenietdoet? Soms bleef kwaliteit achter in de winkel aan een rek hangen, terwijl de etalage nog vrij was.

Maar de vier bekroonde boeken – van Nederlandse illustratoren of vertaald en voor de Nederlandse markt uitgegeven – zijn toonbeelden van goed uitgeefwerk. De liefde voor de makers spat er vanaf, en dat voel je als lezer. Het zijn bovendien boeken waarin de illustraties misschien wel op de voorgrond treden, terwijl ze ook altijd hun onontkoombare, dienende positie naast het verhaal blijven erkennen. Het zijn illustraties die 2013 moeiteloos overstijgen, vier boeken die het erepodium verdienen.



Gouden Penseel

  • Floor Rieder - Het raadsel van alles wat leeft en de stinksokken van Jos Grootjes uit Driel

    Citaat uit het winnaarsrapport:
    Eén van de mooiste illustraties uit het kinderboekenaanbod van 2013 is – jawel – een verbeelding van de voedselketen. En die illustratie is te vinden in – jawel – een non-fictieboek voor kinderen over oerknalnatuurkunde en evolutiebiologie. Het raadsel van alles wat leeft is dan ook een buitengewoon non-fictieboek: allesbehalve een schoolse opsomming van feiten met functionele illustraties, maar een sprankelend boek. Die sprankeling is niet in het minst te danken aan Floor Rieder, de debuterende illustrator die hiermee op grootse wijze de wereld van de kinderboeken betreedt.

    De voedselketen zoals die uit de pen van Rieder vloeit is een volgepropt vak vol roofvogels, konijnen en paddenstoelen – werkelijk iedere vierkante centimeter werd benut, gevuld met takjes en blaadjes. Monnikenwerk, en niet alleen omdat je er urenlang compositorisch priegelwerk aan afziet, maar ook omdat Rieders tekeningen wel iets weghebben van de miniaturen uit middeleeuwse ‘verluchte’ folianten. Ook daarin werden illustraties gebruikt om een boek te versieren, te verluchtigen en te verrijken; maar ook om een wezenlijke aanvulling op de tekst te zijn.

    Rieder keert in feite dus terug naar de bakermat van de boekillustratie, maar doet dat wel in haar volstrekt eigen, eigentijdse stijl. Die kenmerkt zich door trefzekere zwarte pennenlijnen, een haast maniakaal oog voor detail en een totale benutting van het tweedimensionale vlak. Ze heeft een fijnzinnig talent voor realisme, een voorliefde voor stippeltjes en arceringen en andere patroontjes, het lef om tekst en tekening met elkaar te laten versmelten en een steeds weer verkwikkend gevoel voor humor. Tot in de kleinste details zijn er grapjes van Rieder te ontdekken.

    De lol spat ervan af – of ze zich nu de vrijheid en de ruimte geeft zwierige kwallen te tekenen, of juist, omdat de tekst erom vraagt, met beheersing een functionele illustratie maakt. In beide gevallen excelleert ze. Zelden was een tijdlijn vanaf de oerknal tot het heden zo geestig en toch verhelderend. Zelden werden de ontwikkeling van een embryo, de landkaart van de Galápagos-eilanden, het overzicht van de bodemlagen en de doorsnede van het menselijk lichaam met zoveel artistieke eigenheid, humor en ook nog informatiewaarde in beeld gebracht. Dankzij Rieders werk wordt de tekst nóg leuker, snap je de evolutietheorie nóg beter en voelt het eerder speels dan schools.

    De uitgave van Het raadsel van alles wat leeft is een schoolvoorbeeld van een kloppende samenwerking tussen schrijver, illustrator, uitgever, vormgever, drukker en binder – de som der delen is enorm veel groter dan de afzonderlijke elementen. Alleen al daarom nam de jury het boek als vanzelfsprekend mee bij iedere nieuwe selectieronde.

    Maar los van al het andere hebben Rieders illustraties een verbluffende combinatie van kwaliteiten. Ze zijn zwierig, grappig, vernieuwend én informatief – en dat alles tezamen tref je maar zeer zelden aan bij kinderboekenillustraties. Het raadsel van alles wat leeft is de meesterproef van Floor Rieder, een kunstwerk van een boek.



Zilveren Penseel

  • Annemarie van Haeringen - Coco of het kleine zwarte jurkje

    Rapport Annemarie van Haeringen:
    Ze is een moderne Assepoester, en niets minder dan dat. Modefenomeen Coco Chanel kreeg – in de steeds rijker en aantrekkelijker wordende kunstkinderboekenreeks van uitgeverij Leopold en het Gemeentemuseum Den Haag – een auteur die haar verhaal weergaf als een klassiek en toch eigentijds sprookje. Annemarie van Haeringen laat ons in Coco of het kleine zwarte jurkje kennismaken met een zwartgelokt weesmeisje, ‘zo breekbaar als een eierschaal’, dat niet veel meer waard is dan een afgedankt niemendalletje. Maar ze kan naaien, breien, haken en borduren als de beste, en komt terecht in een vermaard château.

    Daar ontpopt ze zich als succesvol kledingontwerpster, die iconische waarde zou krijgen. Het verhaal van Coco is een combinatie van humor en ernst: Coco’s geploeter wordt invoelbaar, maar blijft ook luchtig door de zwierige stijl van Van Haeringen, die gracieus en toch losjes is. Het plezier waarmee Van Haeringen de charmante Coco tekent is hetzelfde plezier als waarmee op een gedenkwaardige plaat de dikke dame zich ontworstelt aan haar korset.

    Zelden kwamen een historisch verhaal en de interpretatie die Van Haeringen er hier aan geeft zo pakkend bij elkaar, zelden sloten vorm en inhoud zo goed op elkaar aan, zelden was eenvoud zulke haute couture: wat we zien in dit boek is Coco Chanel – zowel een Assepoester als de maakster van de little black dress. Dat vermaarde jurkje, met de strakke snit die zowel nieuw elan als elegantie uitstraalt. Maar het verhaal strekt bovendien verder dan de modewereld: het laat zien hoe je met hard werken, creativiteit en humor de wereld naar je hand kunt zetten.

    Door een geweldige omslagillustratie in glansrijk zwart en helder geel (ook al een treffende verbeelding van Chanels iconische kracht) word je meteen van harte uitgenodigd kennis te nemen van dit boek; het modepatroon op het schutblad is een fijn detail, die toont hoeveel zwier en plezier er in het boek gestoken zijn. We maken weliswaar kennis met de strenge, kakkineuze en gedisciplineerde wereld van de excentrieke modeontwerpster, maar zij zet die wereld op z’n kop. Haar nieuwe modebeeld nestelt zich op je netvlies, net zoals de beelden van Van Haeringen blijven hangen. De onopvallend uitgedachte composities, zoals de pagina met de oranje jurk of juist met alle kleine zwartje jurkjes: die sterke beelden in Coco of het kleine zwarte jurkje beklijven. En voor Van Haeringens kleurenpalet, een combinatie van keiharde kleuren en zachte achtergronden, zou geen modeontwerper zich schamen.

    Annemarie van Haeringen heeft zich in haar carrière telkens verder ontwikkeld, tot één van de beste illustratrices die Nederland op dit moment kent – en Coco of het kleine zwarte jurkje heeft een kracht die maar weinig prentenboeken hebben. De jury zegt chapeau, voor dit meesterwerk.



  • Anton Van Hertbruggen - Het hondje dat Nino niet had

    Rapport Anton Van Hertbruggen:
    Aan het begin van een pad staan we, onder een oranjebruine schemerlucht, donkergroene naaldbomen en zwerfkeien aan weerszijden. Verderop langs het pad liggen huizen, waarvan eentje een wigwamachtig dak heeft en een modieus moderne, glazen pui. Daarachter hebben de hutachtige huisjes schoorstenen waaruit rookpluimen vertrouwd omhoog kringelen. Het is zachtaardig en toch bevreemdend – dit is het hoogst opmerkelijke, hoogst eigen signatuur van Het hondje dat Nino niet had, ontsproten aan de verbeelding van de Vlaamse debuterende illustrator Anton Van Hertbruggen.

    De woorden van de Nederlandse schrijver Edward van de Vendel beginnen op de volgende bladzijde: ‘Nino had een hondje dat hij niet had.’ We zien een jongetje onder een weergaloze sterrenhemel, met op de voorgrond – zonder dat het meteen de aandacht trekt – het hondje. Dat we niet hebben. We zien slechts z’n contouren – de achtergrond schemert door het dier heen. Zo geeft Van Hertbruggen trefzeker invulling aan het verhaal, want onmiddellijk is zo zichtbaar dat het om een denkbeeldig hondje gaat, dat toch zo goed als echt bestaat.

    Het is een poëtisch verhaal, dat Van Hertbruggen verbeeldde met precies het juiste gevoel voor die poëzie: een riskante onderneming die balanceert op de grenzen van kunst en kitsch. Het pakt uit als een tour de force en geeft daarmee blijk van een ambitie die deze debutant als gegoten zit. Hij illustreerde het verhaal met een zeer oorspronkelijk, eigen handschrift – van aardse, maar warme kleuren, compositorisch gewaagde maar buitengewoon geslaagde voorstellingen, waarbij de illustrator het grote formaat van het boek ten volle benut. En dat in een stijl die zijn gelijke niet kent in het landschap van kinderboekenillustraties, door zijn concessieloze uitbundigheid en flair. Op filmische en bijna onbevangen wijze maken we kennis met een dapper kereltje ergens in het hoge noorden van Amerika. Hij mist zijn vader – die eenmaal in het verhaal opduikt, op een daverend energieke plaat vol fladderende flamingo’s – maar hij vindt troost bij zijn fantasiehondje. Vertrouwdheid en verbeeldingskracht gaan hand in hand, zowel in het verhaal als in Van Hertbruggens tekeningen.

    Van Hertbruggen laat op ontroerende wijze zien hoe de verbeelding werkelijk kan voelen en hoe de verbeelding de realiteit weet te overtreffen. Dat doet hij in steeds uitbundiger composities, toewerkend naar het hoogtepunt: het tekstloze slot van het boek, waarin een hele reeks imaginaire dieren aan een nachtelijke droomhemel verschijnt. Hoe sterk het verhaal van Van de Vendel ook is: het beeld voert de boventoon in Het hondje dat Nino niet had. Van Hertbruggen geeft je het gevoel dat je met een doorgewinterde artiest te maken hebt, terwijl hij pas aan het begin van zijn carrièrepad staat. Hij wordt een grote: dat bewijst dit boek, dat zowel kunst is als een vertederend verhaal.



  • Jon Klassen - Deze hoed is niet van mij

    Rapport Jon Klassen:
    Hoe vaker je Deze hoed is niet van mij bekijkt, hoe meer de kracht en het raffinement ervan gaan opvallen. Dat is een verdienste, van de Amerikaanse tekenaar Jon Klassen. Zijn verhaal en zijn tekeningen zijn ingenieus zonder daarmee te pronken, ze vormen allereerst een heel grappig voorleesverhaal waaraan kinderen groot plezier kunnen beleven.

    De hoofdrollen zijn weggelegd voor een grote en een kleine vis – de kleine vis draagt op zijn vissenkop een hoed die niet van hem is. Maar de bestolen reuzenvis wil zijn hoofddeksel terug. Met de zoektocht die daarop volgt doet Deze hoed is niet van mij heerlijk denken aan de klassieker Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft van Werner Holzwarth en Wolf Erlbruch. De boeken delen ook het fijne Jan-Klaasseneffect: de lezer weet meer dan de personages en Jon Klassen speelt een heel secuur spel met spanning.

    Het kleine visje is trots op wat hij heeft gedaan (al probeert hij zijn misdaad ook tersluiks goed te praten) en is van plan van zijn buit te gaan genieten in een jungle van waterplanten, waar de grote vis hem toch nooit zal weten te vinden.

    Het boek is een soort tekenfilm, waarin woord en beeld hun eigen rol vervullen: de expressie van de grote vis is knap. Zijn verhaal wordt alleen maar verteld in de illustraties. Evenals dat van de krab, die toeschouwer is, die beloofd heeft aan de kleine vis om zijn mond te houden, maar die met een subtiel gebaar de richting aanwijst waarin het kleine visje is verdwenen. Zo heeft Klassen vaker scherpe humor – geen geruststellende boodschap voor het slapengaan, maar het verhaal is des te komischer.

    Het is een ingenieus, grappig verhaal op kindermaat – en Klassen is de bewonderenswaardige regisseur. En hij is de cameraman, de vormgever en alle acteurs: alle rollen gaan hem geweldig af. Met de kleinste, vaak komische subtiliteiten weet hij de vissen een houding en emoties mee te geven, door de goed geplaatste luchtbelletjes in het water speelt hij met hun bewegingen. Het kleurgebruik is ingetogen maar buitengewoon: groen- en bruintinten tegen een kalme zwarte achtergrond – mede dankzij het schitterende papier en precies de juiste druktechniek. En met het oblongformaat komt dit boek fantastisch tot zijn recht.

    Om nog éénmaal de weetgierige kleine mol ter sprake te brengen: hoewel het charismatische ingrediënt poep in Deze hoed is niet van mij ontbreekt, is het niet overdreven te zeggen dat Klassens boek ook wel eens op zo’n klassiekerstatus af zou kunnen stevenen. Het is in elk geval een prentenboek om hartstochtelijk van te houden: een hilarisch en dankbaar voorleesboek en een waanzinnige artistieke prestatie ineen.



Vlag en Wimpel

Naar de overzichtspagina

Delen