Prijs voor Meesterschap 1994

Winnaar

  • Hugo Claus

    Advies van de commissie voor schone letteren

    De Commissie voor schone letteren stelt de jaarvergadering van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde voor de Prijs voor Meesterschap 1994 toe te kennen aan Hugo Claus voor zijn gehele oeuvre op grond van de volgende overwegingen.

    In bijna vijftig jaar - hij is in april 65 geworden - heeft Hugo Claus een oeuvre geschapen dat in omvang en variëteit zijn weerga in de moderne Nederlandse letterkunde niet kent. In veelzijdige begaafdheid lijkt de Vlaming nog het meest op Simon Vestdijk, die net als hij de eretitel ‘de Duivelskunstenaar’ kreeg en dertig jaar geleden de Meesterschapsprijs verwierf. Tegenover de vloed van essays en kritieken van Vestdijk kan Claus zijn prestaties op het gebied van theater, film en televisie stellen, om nog maar te zwijgen van zijn beeldend-kunstenaarschap. Redenen genoeg om hier van een meester in de kunsten te spreken.

    In drie genres behoort het werk van Claus tot de absolute top van onze literatuur. In de eerste plaats is hij een dichter van groot formaat: na een traditioneel debuut op zeer jonge leeftijd vond Claus al snel een eigen vorm met modernistisch-experimentele gedichten, die in bundels als de Oostakkerse gedichten (1955), Een geverfde ruiter (1961) en Heer Everzwijn (1970) zijn verzameld. Steeds verder breidde hij zijn poëtische spectrum uit, variërend van sonnetten à la Shakespeare tot rederijker-achtige gelegenheidsgedichtjes, van lijkzangen tot liefdesgedichten, van transformaties van Griekse epigrammen tot pikante knittelverzen, van slaapliedjes voor kinderen tot hermetische artes poeticae. Een recente bundel als De Sporen (1993) laat goed zien hoe Claus alle typen en stijlen combineert vanuit een poëtica die hij als volgt aanduidt:

    ‘Laat het gedicht zich niet schamen
    voor het rijm in lavendel en thijm,
    voor zijn raadsel, zijn klaarte,
    zijn vervoering en zijn vuil,’

    sprak hij van lallen moe,
    zijn ballen toe.


    Een kameleontische diversiteit vertoont Claus ook in zijn fictionele proza. Zijn debuut, de kleine roman De Metsiers (1950), wortelde enerzijds in de traditie van het Vlaamse naturalisme, maar vertoonde anderzijds technische experimenten in verhaalstructuur die door Amerikaanse romanciers als William Faulkner waren ontwikkeld. Daaropvolgende romans als De koele minnaar (1952), De verwondering (1962) en Omtrent Deedee (1963) en verhalenbundels als De zwarte keizer (1958) en Natuurgetrouwer (1969; de gewijzigde versie van een eerdere bundel Natuurgetrouw vertoonden steeds nieuwe verteltechnische en stilistische verworvenheden die de eigentijdse kritiek niet zelden in verwarring brachten, maar de auteur een grote en vaste lezersschare bezorgden. Algemeen erkent men dat Hugo Claus met de volumineuze roman Het verdriet van België (1983), waarin hij een staalkaart van stijlen en thema's offreerde, zijn opus magnum heeft geschreven. Het boek is inmiddels, net als veel ander werk van Claus, vaak vertaald en geldt ook in Europees verband als een hoogtepunt in de naoorlogse romankunst.

    Dat het uitgebreide toneelwerk van Hugo Claus in het Nederlandse taalgebied op eenzame hoogte staat, is nauwelijks voor discussie vatbaar. Ook hier springt de verscheidenheid in het oog: na het poëtisch-gevoelige Een bruid in de morgen (1955), dat dezelfde thematiek als van De metsiers vertoonde, produceerde hij overwegend naturalistische stukken als Suiker (1958), Vrijdag (1968) en Thuis (1975); een burleske als Mama, kijk, zonder handen (1960); diverse satiren (bijvoorbeeld Tand om tand uit 1970) en een hele reeks fabelachtig knappe bewerkingen van bekende en minder bekende stukken uit de toneelliteratuur. Tragedies naar voorbeeld van de Griekse tragici, de Romeinse stoïcus Seneca en Shakespeare kregen het onmiskenbare stempel van de transformator opgedrukt: in al deze stukken herkent men typische Clausiaanse motieven als de onmogelijkheid van de zuivere liefde, de fatale aantrekkingskracht van de belle dame sans merci, het oncontroleerbare geweld en de allesoverheersende vrijheidsdrang.

    Het is geen wonder dat zo'n uitgebreid en veelzijdig oeuvre, waarin zovele tradities en genres samenkomen, een schare van studieuze essayisten en onderzoekers heeft aangetrokken. Ook dat is kenmerkend voor deze Meester: hij heeft ‘academisch personeel’. Hoezeer dat er ook in is geslaagd vaste patronen in dit werk te ontwaren en te ontwarren en voor eenvoudige lezers en kijkers vergezichten heeft geopend, men kan allerminst beweren dat de jacht op deze Proteus van de moderne Nederlandse letterkunde is beëindigd. Uiteindelijk onttrekt dit oeuvre zich aan definitieve beschrijving, inkadering en rubricering, al was het alleen maar omdat Hugo Claus met elke nieuwe dichtbundel of roman en ieder nieuw verhaal of toneelstuk zelfs de gediplomeerde vorsers in verwarring brengt.

    Anton Korteweg, voorzitter
    Hugo Brems
    Kester Freriks
    Rudi van der Paardt


Naar de overzichtspagina

Delen