VSB Poëzieprijs 1997

Winnaar

  • Gerrit Kouwenaar - De tijd staat open



    Nominatierapport Gerrit Kouwenaar:

    En dan is er Gerrit Kouwenaar met De tijd staat open. Het merkwaardige van Kouwenaar is dat hij met zijn poëzie van taaldichtheid op de vierkante centimeter, met zijn zichzelf opetende zinnen en dubbele bodems, een poëziemodel geschapen heeft dat sinds Kouwenaar een beetje de norm geworden is, waaraan hijzelf nog altijd het best kan beantwoorden. De Nederlandse poëzie heeft nogal te lijden gehad onder Kouwenaars-imitaties. Kouwenaar is nog altijd de beste Kouwenaar die we hebben. En in zijn laatste bundels is hij een nog betere Kouwenaar geworden.

    Het is een oud misverstand dat Kouwenaar een taaldichter zou zijn. En dat je daarbuiten bijvoorbeeld dingen als de natuur zou aantreffen, zomaar in het wild. Dat moet niet zijn: daarnaast, maar daarin. Juist de taal van Kouwenaar heeft al die zintuiglijkheid in zich ingeademd, er zit meer natuur, er zitten meer seizoenen in een regel van Kouwenaar dan in een stadstuintje. Hij beofent met het ouder worden een meer en meer van zichzelf genietend taalepicurisme, tegelijkertijd korzelig en welluidend. Het is een moedig genieten, tegen de dood in. Of is het een wanhopig genieten? In deze nieuwe bundel zijn ook de vrienden Lucebert en Jan Elburg dood. De toon is somberder. Maar zelfs die somberte kan Kouwenaar slecht zo zintuiglijk opschrijven, dat je niet anders kan dan genieten. Het somberste doodsgedicht uit de bundel zal wel ‘te na’ zijn.

    Waar in de regel: ‘hoe leeftocht/werkwoorden plat lag, nachten vol slangen en spaties’. Alles heeft hier liggen marineren in de doodsgedachte. Leeftocht is natuurlijk spijs en drank, maar op Kouwenaars oude dag toch het ook, de dood waait door elke kier van elke gedachte. Die tocht legt werkwoorden plat. Werkwoorden zijn fabrieken van het gedicht. Die werkwoorden werken niet meer. Blijven nachten vol slangen en spaties: nog nooit is een leesteken zo’n aanwezige dreiging geweest. Hier, achter dit spatieteken, ontdek je ineens dat slangen ook rubberslangetjes kunnen zijn van allerhande infusen, of van die dingen die men door je neus steekt als je te zeer gaat rochelen. En tegelijkertijd zorgt de doodsgedachte voor leven in deze gedichten. Op je vijftigste leef je. Op je zeventigste degusteer je minuut voor minuut.

    Uitreikingsrapport Gerrit Kouwenaar:

    De jury had uiteindelijk tien keer meer tijd nodig om de zevende genomineerde aan te duiden dan om het eens te worden over de winnaar: Gerrit Kouwenaar. Jamaar, vorig jaar is Vroman, dit jaar Kouwenaar, wordt dit dan geen vreselijk oubollige prijs? Misschien is het juist een bijzonder hoopvolle prijs: dichter bewijzen nu al twee jaar na elkaar dat ze beter worden met ouder te worden. Er valt nog wel iets te moeten. ‘Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis nog vellen’, zo begint Kouwenaar het laatste gedicht uit De tijd staat open. En hij eindigt met: ‘Men moet nog een kuil graven voor een vlinder/ het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge. Dat is ontegensprekelijk het mooiste beeld van het afgelopen jaar, en meteen een prachtige definitie voor alle poëzie. ‘Men moet het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge.

    De jury van de VSB Poëzieprijs 1997:
    Herman de Coninck, voorzitter
    Tom van Deel
    Gillis Dorleijn
    Esther Jansma
    Henny Vrienten


Genomineerd

  • Robert Anker - In het vertrek

    Rapport Robert Anker:
    Robert Ankers bundel heet niet voor niets In het vertrek. Dat betekent tegelijkertijd ergens in een kamer, binnen, in de kroeg bijvoorbeeld, en in het werkwoord vertrekken, in het werkwoord afscheid nemen. In poëzie kan dat tegelijkertijd. Poëzie is dat soort tegelijkertijd. Voor Anker, dat blijkt ook uit vorige bundels, is beweeglijkheid synoniem aan in leven zijn. Opstappen (uit een kamer), weggaan (uit een jeugd), terugkomen, veranderen, veranderd zijn: daar gaat het leven over. Zelf vertrekken, de ander laten vertrekken: dat is het ‘vertrek’ waarin je woont. Ook in de vorm en toon van zijn gedichten heeft Anker dezelfde vitaliteit. De bundel bestaat uit vier afdelingen waarin hij telkens op een heel andere manier experimenteert om een bijna nonchalante spreektaaltoon te bewaren in een heel erg bewerkte, elliptische, meerduidige brokkeligheid. Om een soort hoogpoëtische gebabbel uit te vinden zonder enig gebabbel. ‘In het café’ is geschreven zoals er in een ‘oudemannencafé’ gepraat en gedacht wordt, met veel stoerheid en chaotische grootspraak en wij-gevoel, maa rook met een botsende bondigheid. In ‘Afwezig’, een imponerende reeks gedichten over de gestorven vader, probeert Anker uit hoe ver hij kan gaan in hoe weinig. Zijn vader was timmerman. De reeks eindigt met een ‘Register’: een opsomming van timmermansjargon, van meestal met die vader verdwenen voorwerpen en werktuigen. Het is tegelijkertijd een oefening in weemoed en in accuraatheid. Het gedicht als museum. ‘Open lijn’, weer anders, suggereert een aantal authentieke telefoongesprekken vol vermakelijke communicatiestoornissen in wat toch bij uitstek communicatie zou moeten zijn. En de afdeling ‘In het vertrek’ is pure liefdespoëzie, van een hakkelende zangerigheid. Die variatie is een van de grote verdiensten van deze bundel: vier afdelingen, vier verschillende experimenten, waaronder een experiment met de absolute eenvoud.

  • Elisabeth Eybers

    Rapport Elisabeth Eybers:
    Tydverdryf/Pastime van Elisabeth Eybers is een bundel met twintig dubbelgedichten: ze staan tegenover elkaar afgedrukt in het Afrikaans en Engels, de lezer weet niet welke versie er het eerst was, maar dit dubbellezen is leuk omdat een dichter die zichzelf vertaalt daarbij nogal wat vrijheden neemt die van vertaalprofessoren niet mogen, en eigenlijk probeert twee keer ongeveer hetzelfde uit te vinden in telkens weer een andere taal. Dit terzijde: de jury moest een Nederlandse bundel nomineren. Het was al een hachelijke vraag of Eybers’ Afrikaans Nederlands is. In Zuid-Afrika zegt met echter dat het, vanwege Eybers’ langdurige verblijf in Amsterdam, ook geen Afrikaans meer is. Het is nog net een beetje erger dan Vlaams, maar we kunnen het hebben. Het is natuurlijk ook juist de charme ervan. Het is Elisabeth Eybers gegund om oud te mogen worden. Dat maakt dat je elk van haar recente bundels leest als een eindbalans. En vervolgens blijkt ze ook die bundel weer te overleven, tot een volgende eindbalans. En zo verder. Dat zou een eentonige poëzie moeten opleveren. Raakt die Eybers dan nooit uitgebalanceerd?

    Nee. Dus. Want ze blijft er sarcastisch en geestig bij. En ook haar liefdesgedichten raken niet op. Haar gedichten zijn formules van het gewone, dat maakt ze bijzonder. Niet dat ze de poëtische middelen vermijdt, integendeel. Er is prachtig rijm, er zijn verassende woorden en beelden als ‘dowemansdeur’, ‘skoonskipywer’, ‘hartwankelingsdroom’, en ‘valreepwoorde’, er is de efficiënte plotontwikkeling (bijna elk gedicht is een compacte scene ), en er zijn bondige sententies die ons pakken. Haar gedichten laten ons, juist door hun poëzie-technische kracht, het poëtische vergeten. Er zijn ook gedichten die juist daarop alle aandacht verstigen, op zichzelf. Bij Eybers lijken we onmiddellijk toegang te krijgen tot Eybers, tot haar ontroeringen, de krakkemikkige liefde van oude mensen, de naderende dood en het onuitroeibare hangen aan het leven, de ‘stille tarting van de kortstondigheid’. In elk geval zijn haar gedichten niet aan die kortstondigheid onderhevig.

  • Judith Herzberg - Wat zij wilde schilderen

    Rapport Judith Herzberg:
    Toen onlangs bekend werd dat de P.C. Hooftprijs aan Judith Herzberg is toegekend, viel in nochtans uitstekende Vlaamse krant De Morgen te lezen dat de Holocaust een van haar ‘vaak gehanteerde’ thema’s was. Dat is het juist niet, althans niet in haar poëzie. En dat is een van de redenen waarom het mooiste gedicht uit de bundel Wat zij wilde schilderen zo knap is. Het gaat over zeesterren die met duizenden tegelijk sterven met hun tentakels in elkaar vervlochten, ‘alsof ze hand in hand de dood ingingen’, aldus een voetnoot achterin. Dat doet denken aan. Maar in het gedicht zelf schrijft ze:

    ‘…(Dit is geen
    Metafoor daar is het veel en veel te echt
    En veel te echt voor.) Het grote niets
    is daarbij vergeleken niets als aan de kleine
    nietigheid niets is gelegen dan symboliek


    De Holocaust is helemaal niet een ‘vaak gehanteerd onderwerp’ van Herzberg. Hoe doe je dat trouwens: even de Holocaust hanteren? Wat Judith Herzberg eigenlijk zegt is juist dat je als dichter geen recht hebt op zo’n onderwerp. Dit gedicht weigert de metafoor. Daarin is het polemisch. Bijna drammerig, in een poging om stampvoetende kleinemeisjeshuilerigheid te imiteren: ‘daar is het veel en veel te echt/ en veel te echt voor’. Judith Herzberg schrijft wel over Israël en Jeruzalem en over de bedrieglijkheid van vrede. Zo heet een gedicht in haar laatste bundel: ‘Regels geschreven tijdens plaatselijke vrede 2’. Er is ook nog een nr 3. Het zijn niet de gedichten die genummerd worden, maar de plaatselijke vredes. Herzberg kan en passant behoorlijk cynisch zijn. Ze is aangrijpend omdat ze niet aangrijpend wil zijn. Ze wil het niet over grote thema’s hebben, omdat ze al moeite genoeg heeft met de kleine. Ze probeert bij wijze van spreken met haar huisvrouwenlintmeter de afstand van de aarde tot de maan te meten. Het curieuze is dat dat een beter idee geeft dan het precieze aantal kilometers met al zijn nullen.

  • Leonard Nolens - En verdwijn met mate

    Rapport Leonard Nolens:
    Van Leonard Nolens En verdwijn met mate de tweede bundel die voor deze prijs genomineerd wordt. Er zijn enkele dichters die met elke nieuwe bundel voor acuut nominatiegevaar zorgen en Nolens is er daar één van. Hij kan niet onder een bepaald niveau, en dat is hoog. Misschien wordt deze nieuwe bundel later ooit een overgangsbundel genoemd, wie weet. In elk geval doet Nolens er een aantal vertrouwde dingen in. Zus en Zoet zijn vaste personages geworden in zijn oeuvre, hij blijft in gevecht met genealogie, hij laat zijn vroegere Limburg tegen zijn huidige Antwerpen vechten, zijn ouders tegen hemzelf, de doden tegen de levenden, hij vindt nog altijd afkomst uit zonder veel toekomst. Hij heeft nog altijd van die mooie tegen elkaar opbotsende tegenstellingen als ‘een boerderij van sneeuw en drek’, een beschaving van ‘slachthuizen en bibliotheken’, ‘pis en speeksel’, ‘slijk en moedermelk’, waarin een gezonde aardsheid ineens ingeënt wordt met iets bovenaards. Net het platvloerse leidt tot onverwachte mystiek. Pas ’s nachts in de sneeuw pissend voel je je deel van de melkweg.

    Maar er is ook een nieuwe Nolens. De opvallendste cyclus in zijn nieuwe bundel is een tiendelige scheldkanonnade tegen Hugo Claus. De cyclus heet ‘Zelfportret van Hugo Cluas 65’. Nolens keert zich, met woeste woordspellingen en drieste assonanties en Claus-imitaties tegen de hooghartigheid en de publieksverachting waarmee de 65-jarige Claus zich een paar jaar geleden zijn vieringen liet welgevallen. Wellicht doordat hij Cluas zo voortreffelijk imiteert, krijgt zijn poëzie een daar een grotere kwaadaardigheid van dan we van hem gewoon waren. Maar eigenlijk zet Nolens zich hier niet af tegen Hugo Claus, maar tegen zijn eigen beroemdheid en consecratie, staatsprijs en interviews. We weten uit zijn dagboeken dat hij daar moeite mee heeft. Hij schrijft in deze gedichten niet een ‘zelfportret van Hugo Claus’, maar een zelfportret als Hugo Claus’. En zo is de reeks dan toch nog een barse hommage, geschreven uit een wrevelige verwantschap. Want het is allemaal niet zonder zelfhaat geschreven. Maar er is ook de zangerige, zich herhalende, refreinende Nolens, de zich rondzingende, geluk als een nieuw genre uitproberende. Er is zelfs een surrealistische Nolens, in een reeks als ‘Bres’. Vernieuwing in de poëzie: daar zijn geen plotse revolutionaire bewegingen voor nodig. Als het erop aankomt vernieuwt elke goede dichter zichzelf met elke nieuwe bundel.

  • Kees Ouwens - Van de verliezer & de lichtbron

    Rapport Kees Ouwens:
    Zo zal ook Kees Ouwens’ kracht er wel in bestaan dat hij in elke nieuwe bundel weer anders is en tegelijk herkenbaar Ouwens: hij wordt telkens weer die hij was gebleven. In Van de verliezer en de lichtbron zet de dichter opnieuw hoog in: ‘de vleugels dun ik uit en ik spek mijn spanwijdte’. Het gaat om ruimte. Ouwens bezoekt opnieuw zijn geboortestadje, op een mei-avond. Hij zegt dat anders, hij zegt: ‘in de vijfde maand begon er de avond’. Hij maakt daar meer plaats voor. Eigenlijk is dat het belangrijkste wat hij maakt, plaats. De mededeling doet er minder toe, hij abstraheert die waar mogelijk, hij ontruimt de ruimte en onthaast de tijd door het te hebben over ‘de vijfde maand’. Het bezorgt de lezer de opluchting dat hij, in plaats van aan de tijd, aan een veel overzichtelijker soort metriek toebehoort. Hij ziet zijn onsamenhangende, kwebbelende dagelijkse leven opgenomen in een hogere wiskunde. Het concrete wordt bewaard in de hielige ruimten van de abstracta. Maar ‘het vlak terrein tot de einder’ is ook een ‘terrein vak tot het einde’: in de ruimte ziet men de tijd verstrijken, zoals op een rivier de boten langsglijden. En wat wordt uitgemaakt door het licht dat op de dingen valt en dat licht slaat terug op degene die kijkt. Uiteindelijk is de oplichtende werkelijkheid onkenbaar, het gezichtsveld blijkt visioen, en de ik een even holle ruimte als zijn wereld. Van dit grandioos echec leggen deze gedichten een indrukwekkend getuigenis af.

  • Toon Tellegen - Als we vlammen waren

    Rapport Toon Tellegen:
    In de gedichten van Toon Tellegen, zoals ook nu weer in Als we vlammen waren, gebeuren de vreemdste dingen. Een boom kan zich er loswrikken uit de grond en op weg gaan naar een man om wie hij zijn takken slingert in een duidelijke wurggreep. Een gedicht kan zich plotseling zelfstandig opstellen tegenover zijn maker en na enige aarzeling overgaan tot het verscheuren van wie hem schiep. Iemand kan in deze wereld van Tellegen zijn verdriet met beide armen omvatten en optillen, het wegdragen en op een onzalige plek ‘achter een scheve schutting tussen ouder autobanden,/ speelgoed, resten van een vuur, gooit hij het neer// en fluitend loopt hij terug naar huis’. Tellegens gedichten zijn berichten uit een andere wereld, die toch zozeer de onze is, want aansluit bij onze verlangens en angsten, dat wij haar ogenblikkelijk herkennen. De beginregels vormen altijd de opmaat tot een uiterst vreemd, grotesk of absurd verhaaltje, dat in en door taal ontstaat: ‘Ik moest iets zeggen./ Ik keek om mij heen.’; Er zijn mensen die nooit gelukkig kunnen worden’; ‘Mensen wankelen, vallen , maar ze weten het niet’; ‘Een man verborg zich voor zichzelf’; ‘Een man verscheurde zich en verscheurde zich opnieuw’. Het is duidelijk dat Tellegen een volstrekt uniek, psycho-psychisch verhalend onderzoek doet naar alles wat ons raakt, emotioneert, beweegt en in veel gevallen blijkt dat in laatste instantie de dood te zijn.

Naar de overzichtspagina

Delen