VSB Poëzieprijs 1998

Uitreikingsrapport:

Dames en heren,
U zult begrijpen dat ik lang heb nagedacht over de vorm waarin ik u enkele overwegingen van de jury ga meedelen bij de nominaties voor en de uiteindelijke winnaar van de VSB Poëzieprijs 1998. De vorm van het juryrapport in engere zin leek mij ineens een saaie bedoeling te zullen worden, te veel rapportage en te weinig toespraak. Een publieksvriendelijke presentatie zou het natuurlijk zijn wanneer ik het juryrapport kon rappen, maar helaas, daarvoor ontbreken mij de nodige ritmische en rijmende talenten. Het schijnt dat Gerrit Komrij dit graag had gedaan, maar het geval wil dat hij geen deel uitmaakte van de jury. Over hem kom ik trouwens nog te spreken.

Toen Herman de Conick vorige jaar, in de inleiding van zijn bloemlezing De 100 beste gedichten van 1996, de balans opmaakte van zijn ervaringen als jurylid en juryvoorzitter, stelde hij vast dat de gemiddelde kwaliteit van de Nederlandse poëzie hoog is. Hoe is zoiets vast te stellen, zult u zich misschien afvragen. Welnu, u hoeft alleen maar de ongeveer tachtig nieuwe bundels die er in Vlaanderen en Nederland bij de officiële uitgeverijen verschijnen te lezen om te zien dat zeker meer dan de helft de moeite waard is en zeker meer dan zeven bundels in aanmerking komen voor nominatie. Dat wij er dit jaar weer zeven, en niet bij voorbeeld vijf, of zes, hebben genomineerd wijst ook al op de royale mogelijkheden die wij zagen.

Behalve van gemiddeld hoge kwaliteit is de Nederlandstalige poëzie ook nog eens bijzonder gevarieerd van karakter, wat ook geldt voor het rijtje genomineerden van dit jaar. Er is door de reeds genoemde criticus Komrij gesuggeerd dat wij voor min of meer één soort poëzie gekozen zouden hebben, liberale poëzie noemt hij het, waaronder hij dan poëzie verstaat die wil geruststellen en niet, wat hij graag zou zien, verontrust. Je vraag je af of hij de bundels van de genomineerden dichters wel echt gelezen heeft. Wat de jury nu juist zo beviel aan het rijtje genomineerden waar zij toe besloot, is de opmerkelijke diversiteit ervan. Al deze zeven dichters schrijven allerminst een poëzie van het midden en ze zijn in hun zeer verschillende uitdrukkingsvormen, heel karakteristiek, ook bijzonder moeilijk kwalitatief tegen elkaar af te wegen. Ze zijn allemaal fruit, maar de een is een appel, de ander een peer, een grapefruit, een banaan, een mango, een kiwi of een ananas. U mag het zelf uitmaken wie wat is.

De soort poëzie waar Komrij om vraagt, heeft hij gekregen, maar hij is blind voor het verontrustende karakter ervan, blind voor de ware aard van het alle goede poëzie, waarin geen zekerheden paraderen, maar het vanzelfsprekende juist op losse schroeven wordt gezet. In alle gevallen van de genomineerden dichters openden ze, ieder op zijn eigen wijze, nieuwe en verrassende perspectieven en roerden ze, om met Gerrit Krol te spreken, met een stok in hun ziel, en daarmee ook in die van ons. Dat is een verontrustende maar vitale beweging.

Al de zes dichters schrijven naar de inhoud of naar de vorm, of naar allebei, poëzie die ons wakker houdt, ze bevestigen geen zekerheden, maar roepen vragen op, ze experimenteren met het vertrouwde juist om het raadselachtige ervan te laten zien, ze verontrusten ons met hun taal en hun beelden, ook waar ze zich op het eerste gezicht aan het vertrouwde lijken te conformeren.

De jury van de VSB Poëzieprijs 1998 stond voor de niet eenvoudige beslissing een keus te maken uit de zeven genomineerde bundels. Die keus is, na ampel overleg en met ieders instemming, zoals u allen allang weet, gevallen op Rutger Koplands bundel Tot het ons loslaat, een bundel van een dichter met een zo eigen en onnavolgbare stem, ook gedrukt, dat de prijs er, zou je bijna zeggen, voor was weggelegd.



Winnaar

  • Rutger Kopland - Tot het ons loslaat


    Nominatierapport Rutger Kopland:
    De poëzie van Rutger Kopland heeft zich in de loop van de tijd ontwikkeld tot een uiterst sensibel instrumentarium waarmee de tijd en het daarmee gepaard gaande verdwijnen kan worden geregistreerd. Keer op keer stelt de dichter zich op tegenover de ander of de wereld en keer op keer moet hij ondergaan dat zijn aanwezigheid, zijn bestaan, van iets afhankelijk is dat hem langzaam maar zeker zal loslaten. Aan het slot van het schitterende gedicht ‘Een tuin in de avond’ geeft hij aan wat de functie van dichten is: ik vertel dit omdat ik niet alleen wil zijn / voordat ik het ben. Het besef heerst evenwel dat dat de ruimte groeit en groeit om elkaar / in te verliezen, te verliezen. Koplands gedichten zijn de volmaakte uitdrukking van zichzelf, ze zien er uit en ze klinken alsof ze er altijd geweest zijn, ze zijn helder en geheimzinnig tegelijk, ze zijn nooit het laatste woord, maar altijd voorlopige verkenningen, ze willen raadsels betrappen, niet oplossen. De precisie waarmee dit gebeurt maakt een grote indruk, het is alsof de dichter zich waagt in een gebied waar maar weinigen die van de taal gebruikmaken, zich voldoende voor toegerust weten. Tot het ons loslaat is een zeer gevarieerde bundel, maar elk gedicht afzonderlijk kan van niemand anders dan van Kopland zijn. Zijn toon is altijd direct herkenbaar en eigen.

    Uitreikingsrapport Rutger Kopland:

    De poëzie van Rutger Kopland, ook die in de bundel Tot het ons loslaat, lijkt hij op het eerste gezicht eenvoudig en vertrouwd, maar is dat bij nader toezien allerminst. Zijn gedichten vormen de volmaakte uitdrukking van zichzelf, ze staan erbij en ze klinken alsof ze er altijd al geweest zijn, ze zijn helder en geheimzinnig tegelijk, ze geven nooit het laatste woord, maar zijn altijd voorlopige verkenningen, ze willen raadsels betrappen, niet oplossen. De precisie waarmee hij de aard van ons bestaan en onze verhouding tot de werkelijkheid, de wereld, onderzoekt, is indrukwekkend: het is of hij met het in de loop van de tijd uiterst geslepen instrumentarium van de taal gebieden kan betreden waarvoor anderen zich onvoldoende toegerust weten. De tijd en het daarmee gepaard gaande verdwijnen zijn de belangrijkste thema’s. Keer op keer moet hij ondergaan dat zijn bestaan van iets afhankelijk is dat hem langzaam maar zeker zal loslaten.

    De jury van de VSB Poëzieprijs 1998 stond voor de niet eenvoudige beslissing een keus te maken uit de zeven genomineerde bundels. Die keus is, na ampel overleg en met ieders instemming, zoals u allen allang weet, gevallen op Rutger Koplands bundel Tot het ons loslaat, een bundel van een dichter met een zo eigen en onnavolgbare stem, ook gedrukt, dat de prijs er, zou je bijna zeggen, voor was weggelegd.



Genomineerd

  • Gerrit Krol - De kleur van Groningen en andere verhalen

    Rapport Gerrit Krol:
    Het ‘verhaal’ van deze negen lange gedichten is gelegen in de wendingen en sprongen, in het snelle, schoksgewijze verloop van beelden en beweringen. Krols gedichten zijn opgebouwd volgens het principe van de ontkenning: hij stelt met woorden iets te aanwezig, ontkent het vervolgens en zet er een nieuwe, andere werkelijkheid voor in de plaats. Daarmee is datgene wat ontkend wordt niet verdwenen, integendeel, het is onderdeel geworden van het ‘verhaal’ dat Krol zich laat afspelen in het hoofd van de lezer. Een voorbeeld:

    ‘Geen water, maar regen.
    Geen regen, maar sneeuw. Een witte wereld.

    Geen witte wereld, maar zomer. Een bloeiende streek. Ook
    het weiland bloeit en bevat talloze koeien.’


    In kort bestek is hier het landschap van alle seizoenen neergezet en door ontkenningen tegelijkertijd aanwezig gemaakt. De techniek van het oproepen door middel van het ontkennen is een bij uitstek scheppend procedé. Deze nieuwe manier van dichten gaat gepaard met een helder en gevoelig taalgebruik, waardoor Krols poëzie iets heel bijzonders, iets unieks wordt. Krol weet wat het verstand kan, het hoofd doet en het hart raakt. Zijn middelen zijn de taal, feilloos gehanteerd, en een scherp oog voor wat de mens treft.

    Uitreikingsrapport Gerrit Krol:

    Gerrit Krol heeft met De kleur van Groningen en andere verhalen een volstrekt nieuw soort prozagedichten in het leven geroepen, waar de jury bijzonder van onder de indruk was. Zijn gedichten zijn opgebouwd volgens het principe van de ontkenning: eerst wordt er iets met woorden aanwezig gesteld, vervolgens wordt het ontkend en wordt er een andere werkelijkheid voor in de plaats geschreven. De techniek van het oproepen door middel van het ontkennen is een bij uitstekend scheppend procédé en wie Krol volgt in de sprongen die hij zijn gedicht laat maken, krijgt het gevoel aan deze schepping deel te nemen. Krol weet zijn methode zo gevarieerd toe te passen, dat de spanningsboog in zijn lange gedichten strak gespannen blijft.



  • Erik Menkveld - De karpersimulator

    Rapport Erik Menkveld:
    De gedichten van Erik Menkveld, een debutant, vertonen geen beginnerskwalen, ze zijn zorgvuldig gemaakt, met veel oog voor details, ze zijn geestig, oneentonig en geven blijk van een talent voor de verrassende invalshoek. Menkveld is als dichter het type van de inlever: hij leeft zich niet alleen in andere levens in – ook van dieren – maar hij identificeert zich gemakkelijk met dingen, zelfs met zoiets als strandzand waarin de afdruk van vrouwenbillen te zien is: Wat moet het verrukken, zulke / maten met overgave in je / af te voelen drukken. . Bij de aanblik van een oude boxer denkt hij: ik had hem makkelijk / kunnen zijn, en niet alleen / hem, dat kleed ook, / die clubfauteil, / dat teakhouten buffet…Misschien het intrigerendste gedicht van de bundel is ‘Onondekt’, waarin iets aan het woord is dat nog niet is ontdekt en dat zijn best doet om gezien te worden. Alleen een dichter van formaat is in staat om het onontdekte, zelfs in onontdekte staat, te betrappen en tot spreken te brengen. Naast conciese, gesloten gedichten komen er ook ruimer ogende en meer zakelijke, berichtgevende gedichten in de bundel voor, maar de laconieke en vaak humoristische ondertoon hebben ze met elkaar gemeen.

    Uitreikingsrapport Erik Menkveld:

    Het debuut De karpersimulator van Erik Menkveld vertoont geen beginnerskwalen. De gedichten zijn zorgvuldig gemaakt, met veel oog voor het detail, ze zijn geestig en geven blijk van een talent voor het kiezen van een verrassende invalshoek.
    Menkveld is als dichter van het type van de inlever: hij leeft zich niet allen in andere levens in – ook die van dieren – maar hij identificeert zich ook gemakkelijk met dingen, zelfs met bijvoorbeeld strandzand waarin hij de afdruk ziet van vrouwenbillen: ‘Wat moet het verrukken, zulke/ maten met overgave in je/ af te voelen drukken.’Naast conciese, gesloten gedichten komen er in de bundel ook meer open en berichtgevende gedichten voor, maar beide soorten hebben de laconieke en vaak humoristische ondertoon met elkaar gemeen.

  • Tonnus Oosterhoff - (Robuuste tongwerken,) een stralend plenum

    Rapport Tonnus Oosterhoff:
    Tonnus Oosterhoffs derde bundel gaat voort op de eerder ingeslagen weg en beschrijft een chaotische wereld waarin zowel de zintuigen als de emoties onderworpen zijn aan een bombardement van indrukken. Met zijn poëzie probeert Oosterhoff geen orde aan te brengen, hij wil juist de wanorde in zijn gedichten toelaten: ik verzing wat door de windgaten aanwaait. Alles kan bij hem gebruikt worden; literaire citaten, gebruiksaanwijzingen, hotelreclames, psalmen, televisieprogramma?s. Hij neemt graag flarden van gesprekken op, liefst bestaande uit clichés. Hiërarchie erkent hij niet, allerhande taalregisters trekt hij bineen een en hetzelfde gedicht open. Zijn grootste kracht is misschien wel zijn gevoel voor humor, die hem regels ingeeft als: Onderin de wasmand vangt een sok te zingen aan. Geen gedicht in deze bundel lijkt op een ander, het is alsof Oosterhoff telkens opnieuw het dichten wil uitvinden, en die instelling maakt dat elk afzonderlijk gedicht weer volmaakt anders en nieuw aandoet. Ergens schrijft hij: vangen en vrijlaten, dichten is. Daarmee is zijn streven goed getypeerd: der wereld wordt in zijn poëzie niet vastgepind, maar blijft om zo te zeggen vrijelijk in beweging.

    Uitreikingsrapport Tonnus Oosterhoff:

    Wat dat aangaat kan Tonnus Oosterhoff trouwwens wel met Kees Ouwens wedijveren. Neem alleen al de titel van zijn bundel (Robuuste tongwerken,) een stralend plenum, waarvan het eerste gedeelte, plus de komma, dan ook nog tussen haakjes is geplaatst.
    Hij probeert met zijn poëzie geen orde aan te brengen, maar wil juist de wanorde in zijn gedichten toelaten. In zijn eigen woorden: 'ik verzing wat door de windgaten aanwaait'. Alles is bij hem bruikbaar voor poëzie, literaire citaten evenzeer als hotelreclames, hij neemt graag flarden van gesprekken op, liefst bestaande uit clichés, en trekt binnen een en hetzelfde gedicht allerhande taalregisters open. Gevarieerd en hoogst humoristisch is dit werk. Wie zou er anders dan Oosterhoff op een regel kunnen komen als deze:
    'Onderin de wasmand vangt een sok te zingen aan.

  • Kees Ouwens - Van de verliezer & de lichtbron

    Rapport Kees Ouwens:
    Kees Ouwens lijkt met de titel van zijn bundel te verwijzen naar mystieke sensaties: het verliezende personage, de mens, voelt zich gesteld tegenover de eeuwige lichtbron. Het licht, de lichtval, en de daarmee gepaard gaande epifanieën, brengen tijdelijke verheffingen teweeg. Hier is een lichtzoeker aan het woord, die bijvoorbeeld aan de Zeeuwse wateren ingrijpende sensaties ondervindt. Maar van meer belang dan het onderwerp van zijn poëzie is zijn eigenzinnige gebruik van de taal, die ook aan concrete voorvallen een hoge graad van abstractie verleent. In Ouwens’ taalgebruik figureren woorden als ‘ontruimende’ of het ‘voorhandende’, ‘omwijking’ of ‘doorschrijding’. Het is taal die op zoek is naar wat niet of nauwelijks kan worden uitgedrukt, naar de vreemdheid van het gangbare. Niet uit koketterie, maar met opzet zoekt hij de gewrongenste zegging. Net als in eerder bundels is zijn taalgebruik bij uitstek geschikt om de voortdurende worsteling met de identiteit uit te drukken. Ook de neiging om het heden te betrappen, vergelijk Gorter, vraagt om taalexperimenten: per seconde was hij / opmerkzaam en aan het reële gewaagd.
    Kees Ouwens is een groot mystiek dichter.

    Uitreikingsrapport Kees Ouwens:

    Van alle genomineerden is Kees Ouwens waarschijnlijk de meest duistere. Met de titel van zijn bundel Van de verliezer & de lichtbron lijkt hij, behalve naar Lucebert, te verwijzen naar mystieke sensaties, waarin de mens, het verliezende personage, zich gesteld voelt tegenover de eeuwige lichtbron. Hier is een lichtzoeker aan het woord die, bijvoorbeeld aan de Zeeuwse wateren, ingrijpende sensaties ondergaat. Het eigenzinnige gebruik dat hij maakt van de taal verleent ook aan concrete voorvallen een hoge graad van abstractie. Het is de taal die op zoek is naar wat niet of nauwelijks kan worden uitgedrukt, naar de ‘vreemdheid van het gangbare’. Niet uit koketterie, maar bewust en met opzet zoekt hij, wat hij noemt, ‘de gewrongenste zegging’.

  • Toon Tellegen - Over liefde en over niets anders

    Rapport Toon Tellegen:
    In de wereld van Toon Tellegen is alles mogelijk, want als het eenmaal gezegd woerdt dan is het zo. Zijn gedichten roepen situaties op die zowel vreemd aandoen als diepgaand vertrouwd zijn, wat ze vaak op dromen doet lijken. Ik trok een streep: / tot hier, / nooit ga ik verder dan tot hier. Zo begint een gedicht en het vervolgt, natuurlijk, met de mededeling dat de streep wordt overschreden, dat er telkens nieuwe strepen worden getrokken die telkens weer overschreden worden. De hele wereld blijkt bevolkt met mensen die strepen trekken en haastig verdergaan. Dit is een eenvoudig voorbeeld van een typisch Tellegen-gedicht, waarin een bepaalde uitdrukking – een streep trekken – aanschouwelijk wordt gemaakt en van toepassing wordt op het menselijke bestaan. Tellegen is een meester in het absurdistische verhaaltje, waarin een haast archetypisch materiaal is verwerkt. Een man zocht het geluk, / kon het nergens vinden / maakte zich wijs dat het toch bestond / en dat hij dat zeker wist, / sloeg met twee vuisten op zijn vloer: / ‘Ik weet het zeker!’. Deze bundel is rijk aan uitermate emotionerende en verstrekkende voorvallen die alles te maken hebben met hoe mensen met zichzelf en met elkaar omgaan.

    Uitreikingsrapport Toon Tellegen:

    In Over liefde en over niets anders van Toon Tellegen staan tragisch-absurdistische gedichten, waarin de manier waarop mensen met zichzelf en met elkaar omgaan wordt uitgebeeld. Het zijn emotionerende en verstrekkende voorvallen die hij oproept, zoals die van de man die het geluk zocht, maar het nergens kon vinden. Hij ‘maakte zich wijs dat het toch bestond/ en dat hij dat zeker wist, / sloeg met twee vuisten op zijn vloer:/ ‘Ik weet het zeker!” Of het gedicht over de man die een streep trekt en zegt dat hij nooit verder zal gaan dan tot hier, maar er vervolgens meteen overheen stapt en telkens weer nieuwe strepen trekt die telkens weer overschreden worden. De hele wereld blijkt dan te bestaan uit mensen die strepen trekken en haastig verdergaan. Meesterlijk, ontroerend en aangrijpend deze gedichten.

  • Willem van Toorn - Tegen de tijd

    Rapport Willem van Toorn:
    Van meet af aan is is Willem van Toorn een dichter geweest die de strijd wilde aanbinden met de tijd. Hij zet zich af tegen het grote vergeten, de geheugenloosheid waardoor hij zich omringd weet en probeert in poëzie iets vast te leggen vooraleer het verdwijnt, of iets te tonen wat al verdwenen leek. Hij reist in deze bundel verschillende plekken af, ook in de tijd, zoals de gedichten over de middeleeuwse paradijzenzoeker Brandaan laten zien. De schilderkunst en de muziek vertegenwoordigen voor hem ook werelden, waarin hij binnen kan gaan. De reikwijdte van deze bundel is daarom enorm groot: hier, nu, natuur, cultuur, verleden, toekomst – dit alles komt in perfecte samenhang aan bod. Van Toorn schrijft gevoelig en subtiel, hij beheerst de vorm met een elegante souplesse en zal nooit uit de toon vallende accenten leggen. Lees maar. Wij hebben bestaan, schrijft hij in het gedicht ‘Hoogwater’, waarin een huis van een aanduiding is voorzien dat in 1784 het water deze hoogte heeft bereikt. Gedichten zijn vergelijkbare tekens van bestaan. Ook landschap getuigt op alle mogelijke manieren van menselijke aanwezigheid, vroeger en nu. Van Toorn is een weldadig aardse dichter, die met de bundel Tegen de tijd onnadrukkelijk superieure poëzie heeft geleverd.

    Uitreikingsrapport Willem van Toorn:

    Neem Willem van Toorn, die zijn bundel eenvoudigweg Tegen de tijd noemt, een bewering die op zichzelf al voor velerlei uitleg vatbaar is, als dichterlijke of sociale instelling of als poëtica, maar die in elk geval een protesthouding betekent. Van Toorn zet zich af tegen het grote vergeten, de geheugenloosheid waardoor hij zich omringd weet en hij probeert in poëzie iets te vast te leggen vooraleer het verdwijnt, of iets te tonen wat al verdwenen leek. Hij is gevoelig voor het landschap en de cultuur, voor tekst en beeld, die getuigen van menselijke aanwezigheid, in heden of verleden. Zijn gedichten zijn tekens van bestaan. De kernregel van zijn bundel lijkt me deze te zijn: ‘Lees maar. Wij hebben bestaan.’

Naar de overzichtspagina

Delen