VSB Poëzieprijs 2016

Ga direct naar

Details:

De jury van de VSB Poëzieprijs 2016 bestaat uit:
Kees ’t Hart, voorzitter
Jan Gielkens
Kris Humbeeck
Marrigje Paijmans
Hester Knibbe

Op woensdag 27 januari is de prijs uitgereikt.




Winnaar

  • Ilja Leonard Pfeijffer - Idyllen

    Uitreikingsrapport Ilja Leonard Pfeijffer:
    Ilja Leonard Pfeijffers Idyllen is in veel opzichten een bijzondere poëziebundel. De dichter koos doelbewust voor de traditionele en bijna vergeten vorm van het klassieke gedicht in rijmende alexandrijnen. Op zich is dit al een poëticale provocatie die een discussie aangaat met de actuele poëzie, ook van hemzelf in eerder werk. Pfeijffer neemt duidelijk afstand van de huidige poëtische mores die resulteren in vaak losse, rijmloze, meestal niet langer dan één pagina lange gedichten. Deze bundel is ook bijzonder en meesterlijk omdat de dichter erin slaagt zowel hoge als lage taalregisters te bespelen. Zonder dat dit afbreuk doet aan de sterke, dwingende verteltrant en metaforische kracht van het geheel. De dichter onderzoekt in Idyllen de poëzie en dat onderzoek neemt bij hem een persoonlijke wending. Ook roept hij in de bundel een idylle op van de klassieke oudheid waarvoor in deze wereld geen plaats meer is. Dit geeft aan het geheel een bittere onderlaag. Hij geeft dit alles vorm in een hoogst persoonlijke, poëtische taal. Hij wilde poëzie schrijven die nieuwe wegen opent, zonder dat ze vervalt in morele verontwaardiging, poëzie waarin hij ook zichzelf de les leest. ‘Ik heb het zelf in het verleden fout gedaan’ zegt hij ergens met enige ironie, ‘ontwortelaartje dat ik mij daar was. De waan / dat ik de toch al losse schroeven nog meer moest / ontregelen en hoopjes zekerheden woest / moest ondergraven, heeft de zaak geen goed gedaan.’

    In Idyllen maakt Pfeijffer een tocht langs de wereld. Hij schuwt de grote woorden niet, zoekt inventief en nooit vrijblijvend of gratuit naar de eigen hang ups. Altijd dwingend, op het obsessieve af, soms humoristisch, vaak gewaagd, regelmatig exuberant en overdreven, niet bevreesd voor wilde dichtregels en onversneden bravoure. De bundel staat vol vrolijke en diepzinnige vondsten. Waarmee de dichter tegelijkertijd ook rekenschap aflegt van zijn belezenheid en grote kennis van de klassieken. Hij maakt daar op zijn tijd pijnlijke grappen over, bijvoorbeeld wanneer hij zijn in de media veelgeprezen geleerdheid afdoet als ‘een indrukwekkende deskundigheid / te praten over iets wat ik nooit heb gelezen.’ Met telkens weer ook verrassende verstilling en ontroerende intimiteit. En altijd zijn er de regels die er zomaar ineens lijken te staan, die je wakker maken, die je opnieuw laten nadenken over wat poëzie is, of zou moeten zijn. ‘Er is geen leven dan te leven in de waan. / Geen mens heeft waarheid in een afgesloten la. / Men leeft als vergelijking de verhalen na.’



    Nominatierapport Ilja Leonard Pfeijffer:
    In Idyllen brengt Pfeijffer al zijn poëtische kracht, verlangen en meesterschap bij elkaar. In af en aan golvende, hoogst inventieve, rijmende alexandrijnen, vertolken deze poëtische ontboezemingen een klaagzang van een treurende dichter over de teloorgang van de wereld en de poëzie. ‘De nacht is aangezegd. De warre uren waaien / als klamme lakens waarnaar hete handen graaien.’

    Met veel bravoure, dat verrassend genoeg wordt afgewisseld met ontroerende momenten van inzicht, zet Pfeijffer zijn opvattingen over maatschappij en dichtkunst uiteen. Dit werk barst van de vrolijke vondsten, van diepe en soms ook hoogst banale overpeinzingen, van doorwerkte verwijzingen naar de traditie van de dichtkunst, van zinderende metaforen en van een uiterst eigenzinnige poëticale stellingname. Deze bundel zingt, knarst, fabuleert, droomt en barst uit zijn voegen van een nauwelijks te remmen dichterlijke droom.

    Het lieflijke dat je je bij idyllen voorstelt stijgt niet als eerste uit de kloeke bundel nieuwe gedichten van Ilja Leonard Pfeijffer op. In zijn idyllen openbaart zich een vaak verre van lieflijk universum dat de hele wereld omvat: Facebook, bootvluchtelingen, het Israëlisch-Palestijns conflict, IS, vreugdeloos vertier. Deze poëzie is zoals Huub Beurskens terecht zei ‘als het moderne leven zelf: het ene moment lees je een onnozel bericht op Facebook, even later zie je op het Journaal beelden uit Syrië of Irak.’ Een uitbundige en volle bundel, die grossiert in suggestieve formuleringen en aforistische uitspraken. De bundel bestaat uit vijftig lange, vaak verhalende gedichten, die geheel zijn opgebouwd uit jambische hexameters, oftewel alexandrijnen. Deze vorm versterkt de epische kracht van Pfeijffers werk.

    Ook de dichtkunst zelf is op vele plaatsen onderwerp van de bundel. Vaak geeft een gedicht te kennen een gedicht te zijn en in het zevende gedicht laat Pfeijffer weten klaar te zijn met deconstructies of gedichten als cryptogrammen:
    ‘De waan / dat ik de toch al losse schroeven nog meer moest / ontregelen en hoopjes zekerheden woest /moest ondergraven, heeft de zaak geen goed gedaan. / Ook wie een goede vraag heeft, wil graag zijn verstaan.’

    Pfeijffer maakt duidelijk dat hij niet veel fiducie heeft in de steeds weer lokkende liefde, in de aard van het beestje mens of in de toekomst van de beschaving. We bevinden ons een hele bundel lang in de ‘warre uren’ die hij in het eerste gedicht introduceert. Deze Idyllen zijn vooral een afscheid van het idyllische, in het besef van eindigheid en vergankelijkheid: ‘En wat ik schreef of zei, wordt minzaam uitgewist door golven van de zee. En aan het einde ruist het ruisen van de zee.



Genomineerd

  • Pieter Boskma - Zelf

    Rapport Pieter Boskma:
    In Zelf doet Pieter Boskma een buitengewone poging om te verwoorden hoe de rouw om zijn vrouw doorwerkt tot in de kern van zijn dichterlijke persoonlijkheid. Zoekend naar een uitgang uit de rouw bewandelt hij een veelsporig ‘Padenpad’ in de vorm van 39 zelfportretten. Boskma beroept zich op de eeuwenoude wijsheden die liggen opgeslagen in de klassieke genres van klaagzang en epos. Hij gebruikt ritmewisselingen en stijlfiguren om de artificialiteit van het zelfbegrip uit te lichten.

    Dit proces van wording heeft op de dichter een geneeskrachtige uitwerking, al gaat het einde van de rouw gepaard met een afscheid van het zelf dat zijn vrouw heeft liefgehad. Wat overblijft is een ‘verbeeld’ of poëtisch zelf dat niet vastligt, maar zich voortbeweegt met een ‘in zichzelf besloten gang van schoonheid en voltooiing.’

    De bundel Zelf bestaat uit veertig zelfportretten, maar anders dan wat zo goed bij het huidige tijdgewricht zou passen zijn het geen zelfportretten van iemand die vol is van zichzelf. Integendeel; scherp, oprecht en nietsontziend in de mate waarin rouw, verdriet, levenslust, vertwijfeling en de opdracht te leven worden verwoord, dienen deze poëtische zelfportretten niet de bevestiging maar de ontleding van een zelf. Poëzie biedt misschien wel meer waarheid dan het leven. Poëzie is echter dan de realiteit, lijkt Boskma te suggereren. ‘..ik dacht van top tot teen en het geschiedde reeds. / Ik word een theorie, bewezen door mijn leven: / men vormt uit zichzelf het ontbrekende gegeven.‘

    Zelf kan gezien worden als het slotdeel van een drieluik dat begon met Doodsbloei, de bundel waaraan hij enkele maanden na de dood van zijn vrouw, in 2008 begon. Doodsbloei en de bundel Mensenhand die daarna kwam waren aangrijpende en bezielde pogingen om zich te ontworstelen aan de waanzin van de rouw. In Zelf wordt de stap gezet die afscheid van de rouw paart aan de omarming van de weelde die in taal, emoties, poëzie en schoonheid schuil gaat. Deze poëzie kijkt voortdurend vooruit, zoekt een weg die na het verleden komt. ‘…meer het verlangen / om zich ook te kunnen voortbewegen, niet bij regen, vorst of storm / hier op zijn plaats te moeten blijven, maar zelf in staat beschutting / op te zoeken in het woud of in de luwte van een flatgebouw –‘ En wij lezen op overtuigende wijze hoe het gedicht de werkelijkheid omvat - ‘ik moet het doen met het gedicht,’ zegt Boskma in zijn Monomaan zelfportret – en uit zichzelf een nieuwe werkelijkheid de wereld in brengt: ‘En elk gedicht vangt aan achter zijn laatste punt’. Aan ons om in die wetenschap te lezen.



  • Toon Tellegen - De werkelijkheid

    Rapport Toon Tellegen:
    In De werkelijkheid speelt Toon Tellegen met abstracties als waarheid, liefde, wanhoop, medeleven, vertrouwen, angst; een scala aan aannames passeert zo de revue. Op sublieme wijze draait Tellegen die werkelijkheid steeds een halve slag en toont ons de keerzijde ervan of een aspect waaraan we niet direct zouden denken. Zo morrelt hij er op een verontrustende manier aan, waardoor ze op losse schroeven komt te staan. De realiteit blijkt flinterdun, niet meer dan een verhaal dat we onszelf en anderen vertellen en als echt accepteren.

    Met schijnbaar eenvoudige talige middelen slaagt hij er in een absurde, bedreigende of wanhopige wereld op te roepen waaraan we ons nauwelijks kunnen onttrekken. Hoe divers de onderwerpen in deze bundel ook zijn, de obsessieve vraag naar wat werkelijk is, geeft aan de bundel een sterke thematische samenhang.

    Een tekst van Toon Tellegen is uit duizenden te herkennen. Wat niet wil zeggen dat eenvoudig te verklaren valt wat zo’n tekst kenmerkt. Weemoed, verbazing, een milde absurditeit, een onverwacht gezichtspunt, de omkering van zaken; het zit er allemaal in. Vaak is de paradox daarbij de stijlfiguur die de werkelijkheid van zijn gedichten stuurt en motiveert. Het maakt de gedachten binnen de gedichten wonderlijk en eigenzinnig – wat afstand creëert – maar ook in essentie kwetsbaar, waardoor de lezer als vanzelf bij het denken en handelen van de personages betrokken wordt. Want de gedichten en ook het andere werk van Toon Tellegen wordt altijd gebouwd op de wetenswaardigheden van een of meerdere personages. Dat zijn niet – zoals vaak bij het lyrische ik in een gedicht – uitvergrotingen of aangescherpte versie van de dichter zelf, maar personages zoals u en ik, voorbeelden van de categorie mens (al kan het ook een dier zijn, een al te menselijk dier) in al zijn existentiële twijfels en onzekerheden, wanen en fantasieën, momenten van humor en vernedering. Een ik bij Tellegen is en blijft vaak een vat vol tegenstrijdigheden: ‘Ik ken een man die zich tot het uiterste inspant / om ongelukkig te worden – / pas als hij echt ongelukkig is, meent hij, kan hij gelukkig worden, / en dat wil hij – net als iedereen! – het is zijn enige wens’

    De werkelijkheid van deze bundel ontvouwt zich in de context van verhalen uit het oude en het nieuwe testament, zoals met een schuldbekentenis die doet herinneren aan de kruisdood van Jezus Christus, en een aangepast begin van het Bijbelboek Genesis: ‘In den beginne was er licht / en God werd verblind, / schiep mensen om het te doven, / riep: / 'Uit! Uit!' Het blijft een ongewisse werkelijkheid die zomaar van karakter kan veranderen, alle toewijding, vriendschap of liefde ten spijt. Je kunt het in de regel ook niet aan de mensen afzien of ze gelukkig en/of ongelukkig zijn. Het is vaak een gedachte die je niet uit je hoofd krijgt: ‘ik ken iemand die zeker weet dat hij gelukkig is, maar het niet is /iemand die zegt dat de dag komt waarop hij gelukkig zal zijn//.’



  • Geert Van Istendael - Het was wat was

    Rapport Geert Van Istendael:
    De vier afdelingen van de bundel Het was wat was van Geert van Istendael heten eenvoudigweg ‘Ding en dier’, ‘Bomen’, ‘Mensen’ en ‘Geld’. Van Istendael beschrijft inderdaad, met een zeer nauwkeurige blik, dingen en dieren, hij kijkt vol ontzag naar bomen en hij luistert nieuwsgierig naar zijn dialect pratende buren. Dat lijkt allemaal klein en idyllisch, maar door het heldere en stevige gebaar van Van Istendaels teksten weten we toch dat we met beide benen in de realiteit en het heden staan, zeker door de afsluitende cyclus in de bundel, die ons hardhandig, helder en geëngageerd confronteert met de actuele rol van het slijk der aarde.

    ‘Wij hebben exactheid geroken.’ Zo eindigt Van Istendael het gedicht Klokje boven keukendeur waarin het aflezen van de tijd de orde der dingen bewaart, zoals in het koken van de dagelijkse maaltijd. Van Istendael is een gul dichter. Hij geeft aan de dingen en de dieren – en in het bijzonder het dier mens – een ruimhartige hoeveelheid goed gekozen woorden en vergelijkingen om hun karakters te verrijken. Hij geeft daarmee ook de lezer een klinkende variant van de hem bekende wereld terug. Een wereld die zich in de details laat kennen, bevolkt met mensen die in (schijnbare) berusting hun eigenzinnigheid cultiveren. Ook in Het was wat was kiest Van Istendael voor het menselijke perspectief dat zijn eerdere werk zo kenmerkt. Hij laat zien hoe de mens naar de dingen kijkt, hoe de mens zich een plaats moet zoeken in de onvermijdelijkheid van de werkelijkheid. Dat perspectief uit zich in sympathie voor het alledaagse dat de mens en de hem omringende dingen aankleeft, zoals in de afdelingen Ding en Dier en Mensen, maar ook in de stellige en vlammende, met historische en bijbelse referenties doorspekte taal die de afdelingen Bomen en Geld hun kleur en overredingskracht geven. ‘Groei is eeuwen / eeuwen / dwangarbied’. Van Istendael haalt uit de alledaagsheid van het leven evengoed de tragiek naar boven. Die kan net zozeer in het onafwendbare schuilgaan (‘Peinst eens, april. Het is bijkans niet meer de moeite.’) als in de overmoed (‘Wie doet ons wat’). Van Istendael schrijft apodictische poëzie. Onweerlegbaar.



  • Maud Vanhauwaert - Wij zijn evenwijdig_ Raken elkaar in het oneindige_ En we rennen_

    Rapport Maud Vanhauwaert:
    Sommige dichters dichten voor de eeuwigheid, anderen voor de gelegenheid. En dan zijn er gelukkig nog dichters die zo goed dichten voor de mensen hier en nu, dat ze ook overmorgen nog gelezen zullen worden.

    Zo iemand is Maud Vanhauwaert. Haar tweede bundel Wij zijn evenwijdig bevat 184 tekstfragmenten waarvan de titel het eerste is en die losjes met elkaar verbonden worden door een liggend streepje. Aldus ontstaat een reeks poëtische snapshots die iets doet oplichten van het leven in de grote stad aan het begin van de 21ste eeuw. De tekstfragmenten variëren van kleine verhaaltjes tot één enkele zin. Aforistische kernachtigheid wordt afgewisseld met van melancholie doordrenkte humor, absurdisme en een enkele bewust flauwe grap. Uit die rapsodie treedt een dichteres naar voren die met haar wispelturige logica en ontregelende beelden een heilzame verwondering weet te wekken voor het meest banale.

    Wachten op het onmogelijke, vragen stellen die een ander niet stelt; hoe dat moet laat Maud Vanhauwaert zien in haar bundel Wij zijn evenwijdig. In 184 tekstfragmenten ontstaat een poëtisch en licht absurd maar tegelijk ook invoelbaar realistisch beeld van het leven in de grote stad aan het begin van de 21ste eeuw. De tekstfragmenten variëren van kleine verhaaltjes tot één enkele zin en drijven op een ontmoeting of herinnering die het lyrische ik aan het denken zet. In dat denken, in de verbeelding die uit dat denken voortkomt wordt getoond hoe we soms door het leven beet genomen worden, verraden zijn, met een gevoel van minderwaardigheid worden opgescheept en met de neus op onze tekorten gedrukt.

    In de ontmoetingen van de ik in de bundel met haar soortgenoten wordt genoeg existentiële zorg ten toon gespreid. In die zorg klinkt berusting door, maar ook een stellige eigenzinnigheid: ‘Ik zeg ‘ce n’est pas grave’. Zij / zegt ‘si, c’est grave, vous n’en savez rien’. / ‘Dat is waar’ zeg ik ‘ik weet er helemaal / niets van’. De wereld die Vanhauwaert ons schetst is even tragikomisch als de werkelijkheid van alledag. En even kleurrijk en ondoorgrondelijk. We zoeken richting, we willen met een ander in gesprek, maar hoe doen we dat?

    ‘Op de schoot van de wenende vrouw ligt / een grote klomp deeg. Ze begint te kne- / den. ‘Dat doe ik altijd als alles dreigt uit- / een te vallen. Hoe meer je kneedt hoe / beter het kleeft’

    Levenslessen vol beperkingen, meer zit er niet in, maar dat is genoeg om de reikwijdte van de taal te tonen en de potentie van de taal om met het ongrijpbare en de tekortkoming te kunnen leven. Met uiterste precisie en een goed gevoel voor compositie laat Vanhauwaert de taal haar werk doen. Haar verwondering over het bestaan wordt tenslotte de verwondering van de lezer.



Naar de overzichtspagina

Delen