‘Spontane naamsbekendheid’ schrijvers ver onder de maat

Gepubliceerd: 11-09-2005

Op 9 september 1980 sloten Nederland en Vlaanderen het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie. Daarin werd vastgelegd dat Nederland en Vlaanderen voortaan samen de belangen zouden behartigen van de Nederlandse taal en van haar sprekers. Sinds vorig jaar is ook Suriname toegetreden. Het 25-jarig bestaan was voor de Taalunie aanleiding tot een enquête naar het taalgebruik en de taalbeleving. Het bureau Trendbox legde aan 582 Nederlanders, 304 Vlamingen en 253 Surinamers ruim vijftig vragen daaromtrent voor. De Taalunie die een dergelijk onderzoek voortaan om de drie jaar wil herhalen, heeft de resultaten samengevat in het rapport Taalpeil – De Nederlandse taal : feiten, cijfers en meningen, dat ook op het net wordt aangeboden.

Trots op de moedertaal
In de berichtgeving, ook van de Taalunie zelf, is tot nu toe de nadruk gelegd op de taal. Negen op de tien geïnterviewden blijken trots op hun moedertaal. Veel Nederlanders vinden de Vlaamse uitspraak van het Nederlands mooier dan hun eigen uitspraak (een opmerkelijk gegeven overigens, gezien het grote aantal Vlamingen dat op de Nederlandse televisie wordt ondertiteld). De Vlamingen zijn aanzienlijk minder gecharmeerd van de uitspraak door de Nederlanders. Eén op de vijf beoordeelt die als lelijk. Surinamers van hun kant waarderen hun eigen Nederlands veel meer dan dat van hun taalgenoten in Nederland en Vlaanderen.

Vertrouwen in het Nederlands
De Vlamingen blijken meer vertrouwen te hebben in de toekomst van het Nederlands dan de Nederlanders en de Surinamers. Acht op de tien Vlamingen, tegenover zeven op tien Nederlanders, verwachten niet dat het Nederlands in de komende vijftig jaar plaats moet maken voor het Engels. Over de vraag welke taal hun premier moet gebruiken bij het spreken tijdens een openbare gelegenheid in een ander Europees land, zijn Nederlanders en Vlamingen het volstrekt oneens. De meeste Nederlanders vinden dat hij zich van het Engels moet bedienen, de Vlamingen kiezen voor het Nederlands, eventueel met een tolk erbij.

Jan Wolkers en Pieter Aspe…
In de enquête zijn ook enkele vragen meegenomen over lezen en schrijven. Zo blijkt slechts een paar schrijvers te kunnen rekenen op een hoge ‘spontane naamsbekendheid’ bij de geïnterviewden. Op de vraag naar een Nederlandse schrijver komt Jan Wolkers bij de Nederlanders verreweg op de eerste plaats. 9% weet geen enkele Nederlandse schrijver te noemen. In Vlaanderen is Annie M.G. Schmidt de bekendste Nederlandse schrijver, gevolgd door Harry Mulisch en Thea Beckman. Van de Vlamingen weet maar liefst de helft geen enkele Nederlandse auteur te noemen. In Suriname is Jan Wolkers eveneens de bekendste Nederlandse schrijver. Zo'n zes op de tien ondervraagden daar kan geen enkele Nederlandse schrijver noemen. Onder de Vlamingen is Pieter Aspe (foto) verreweg de bekendste Vlaamse auteur, gevolgd door Herman Brusselmans en Hugo Claus. De eerste tien romans van Aspe rond de Brugse (adjunct-) commissaris Pieter Van In zijn door de commerciële zender VTM bewerkt tot een tiendelige televisieserie, die momenteel wordt herhaald. Eén op de vijf Vlamingen weet overigens geen enkele Vlaamse schrijver te noemen.

… en Cynthia McLeod
Door de Nederlandse geïnterviewden wordt Aspe nauwelijks genoemd. Hugo Claus geniet onder hen wel een redelijk hoge bekendheid en wordt door 12% genoemd. Andere Vlaamse schrijvers scoren 1% of minder in de steekproef. Meer dan zeven van de tien ondervraagde Nederlanders kan spontaan geen enkele Vlaamse auteur noemen. In Suriname komt 96% niet spontaan op de naam van een Vlaamse schrijver. Slechts een enkeling onder de Nederlanders en Vlamingen weet de naam van een Surinaamse schrijver te noemen. De Surinaamse ondervraagden noemen het vaakst Cynthia McLeod (40%), gevolgd door Gerrit Barron (21%).

Tien tot zestien boeken per jaar
Dat zijn dermate onthutsende cijfers dat ze toch wel de vraag oproepen naar de representativiteit van de geïnterviewden. Of naar de helderheid van de vraagstelling. Schrijvers zijn de laatste jaren in zo'n mate publieke figuren geworden dat er elke dag op de Nederlandse en de Vlaamse televisie tenminste één voorbijkomt. Bovendien zeggen de geënquêteerde Nederlanders gemiddeld zestien boeken per jaar te lezen. In Suriname ligt het gemiddelde op ruim veertien boeken per jaar en in Vlaanderen op ruim tien. In alle drie de landen zegt meer dan 40% minder boeken te lezen dan drie tot vijf jaar geleden. In Suriname is dat bijna 60%. Zo'n 40% van de Nederlanders zegt minimaal eens in de week een boek te pakken. 29% doet dat minder dan eens in de twee of drie maanden. Van de Vlamingen leest ongeveer 30% tenminste eens in de week en ruim 40% zelden of nooit. In Suriname zijn er duidelijk twee groepen: zo'n 40% leest minimaal wekelijks in een boek en 40% zelden of nooit.

Zelf schrijven
Van de Nederlanders schrijft tweederde met een zekere regelmaat brieven of langere e-mails aan familie, vrienden en bekenden. Eén op de zeven Nederlanders houdt een dagboek bij en een kleine 10% waagt zich op zijn minst af en toe aan het schrijven van proza of poëzie. In Vlaanderen is er sprake van een tweedeling: iets minder dan de helft schrijft niet, iets meer dan de helft doet dat wel. Elk van de ‘genres’ wordt echter minder beoefend dan in Nederland. Ook in Suriname is er zo'n tweedeling. Ongeveer de helft schrijft wel eens. Nederlanders hebben ook meer vertrouwen in de toekomst van het boek dan Vlamingen. Ruim de helft van de geïnterviewden denkt dat het boek en de computer over vijftig jaar nog steeds zo naast elkaar zullen bestaan als nu het geval is. Eén op de tien Nederlanders en Vlamingen denkt dat de computer het boek over een halve eeuw volledig overbodig zal hebben gemaakt. In Suriname denkt 17% dat.

Stimuleren van het lezen
34% van alle geïnterviewden is van mening dat de overheid het lezen moet stimuleren en 31% vindt dat de overheid dat ‘misschien’ moet (‘hangt er van af’). Voor 25% hoeft de overheid dat niet te doen en 10% heeft daarover geen mening.