Eerste Schrijversprijs der Brabantse Letteren voor A.F.Th. van der Heijden

Gepubliceerd: 19-03-2003

Tijdens het eerste Helmondse Boekenbal op 18 maart is de Schrijversprijs der Brabantse Letteren (een tweejaarlijkse prijs ter waarde van 7.500 euro) voor het eerst uitgereikt. Volgens het reglement was die eerste prijs bestemd voor een schrijver met een bijzondere staat van dienst en een belangrijk oeuvre, die woont in de provincie Noord-Brabant dan wel er is geboren. Bij haar overwegingen betrok de jury tevens de stimulerende rol die de auteur speelt of heeft gespeeld in het Brabantse letterenklimaat. Om het uitzonderlijke karakter van zijn werk droeg zij ‘unaniem en met overtuiging’ A.F.Th. van der Heijden ter bekroning voor. Aanvankelijk wilde een deel van de jury de dichteres Yvonne Né bekronen, van wie zelfs versregels tot de muren van de huizen in de Bredase Rivierenbuurt zijn doorgedrongen. Uiteindelijk koos zij toch voor Van der Heijden, in wiens oeuvre ‘de mythe van de moderne mens op schitterende wijze gestalte gekregen heeft’. Voor de prijs waren in totaal zes auteurs genomineerd, die allen aan bod komen in het rapport dat door de jury (Piet Calis, Mieske van Eck en Hugo Verdaasdonk) werd opgesteld.

A.F.Th. van der Heijden
Na een verhalenbundel en een roman, die aan het eind van de jaren '70 onder de schuilnaam Patrizio Canaponi gepubliceerd werden, brak A.F.Th. van der Heijden, die zich sinds kort nog alleen A.F.Th. pleegt te noemen, overrompelend door met de cyclus De tandeloze tijd, bestaande uit een reeks sterk autobiografische romans. Hierin probeert de ikfiguur Albert Egberts, zoals het in het boek Vallende ouders omschreven wordt, ‘in de breedte’ te leven. De werkelijkheid wordt niet alleen horizontaal en chronologisch weergegeven, maar op beslissende plaatsen tegelijkertijd verticaal, waardoor het verleden een actieve rol in het leven blijft spelen. Van der Heijden werd bij het schrijven van deze cyclus geïnspireerd door zijn jeugd in Geldrop, zijn studententijd in Nijmegen en Amsterdam en allerlei sociale beroeringen in meer recente jaren. Uit het geheel is een mythisch portret ontstaan van een bewogen leven uit de tweede helft van de twintigste eeuw, dat door de barokke en soms aangrijpende beschrijving van veel gebeurtenissen ronduit klassieke contouren gekregen heeft.

Marie Kessels
Vanaf haar debuut Boa heeft Marie Kessels zich in haar romans en beschouwingen gebogen over de kwetsbare en pijnlijke plekken van haar personages, die door het in de titel aangeduide kleurige bont wel omstreeld, maar helaas niet genezen kunnen worden. De verlokkende einders, maar ook de dwaalwegen en vastlopende paden van de erotiek en de angsten en obsessies die met het lichamelijke wel en wee verbonden zijn, worden door haar met grote intensiteit en openhartigheid verkend. In haar latere roman De god met gouden ballen leidt de droom om via de seksualiteit de harde kanten van het leven te verzachten, nog tot het ontwerp van een heuse liefdesmachine. Door het avontuur van de taal beginnen vingertoppen en handpalmen weer te tintelen en daarmee opent zich de mogelijkheid om (zoals in haar laatste boek, Het nietigste) de vertrouwde werkelijkheid ook deze keer weer zonder remmingen te ontregelen.

Peter van Lier
Zijn Marie Kessels’ boektitels typerend voor de intentie van waaruit zij schrijft, ook bij de dichter Peter van Lier is dit het geval. In zijn eerste bundel Miniem gebaar probeert hij door de beschrijving van kleine incidenten en indrukken op de vierkante centimeter weer contact te krijgen met een werkelijkheid die steeds onzekerder geworden is. Dat doet hij niet met zware metaforen, maar op een laconieke toon en met veel humor. In de daaropvolgende bundel met de veelzeggende titel Gegroet o... lijkt inderdaad die werkelijkheid voldoende concreet te zijn geworden zodat de dichter de illusie kan koesteren zich er weer thuis in te voelen. In het verlengde hiervan ligt Van Liers laatste boek Links, rechts waarin twee wandelingen beschreven worden. Daarin wordt ook letterlijk stap voor stap en door voortdurende wisseling van perspectief onderzocht wat de realiteit allemaal in petto blijkt te hebben.

Ted van Lieshout
Niet alleen kinderen, maar ook veel volwassenen zullen aangesproken worden door de boeken van Ted van Lieshout, die zich tussen allerlei genres door met groot gemak pleegt te bewegen en zich ook verder weinig van literaire normen en waarden lijkt aan te trekken. Uit zijn boeken spreekt een bevrijdend gemak van omgang met thema's die vaak erg gevoelig liggen. Een voorbeeld hiervan is Zeer kleine liefde waarin de liefdesrelatie tussen een oudere man en een opgroeiende jongen indringend beschreven wordt. In Het is een straf als je zo mooi moet zijn als ik treft de humor waarmee kinderen zich over een puisterig vel, een moeder met een gouden tand en andere meer of minder aangename aspecten van het leven uitspreken. Daarnaast munt Van Lieshout in zijn publicaties over beeldende kunst uit door de originele invalshoek van waaruit hij creatieve uitingen weet te benaderen.

Jasper Mikkers
Jasper Mikkers, ook bekend onder zijn pseudoniem Tymen Trolsky, toont zich in zijn veelzijdig oeuvre een experimenterend kunstenaar, die zich sterk met Brabant verbonden voelt. Zijn sociaal en politiek engagement kwam al vroeg naar voren in zijn dichtbundel Liederen van weemoed, wanhoop en waanzin. In zijn verhalen en romans weet hij in een vitale stijl, met humor en verbeeldingskracht de wereld van zijn Brabantse jeugd op te roepen. Een hoogtepunt in dat opzicht is De kleine jongen en de rivier, waarin verteld wordt over de avontuurlijke tochten die de jonge Henri Pafort met zijn dorpsvrienden onderneemt. Vooral het titelverhaal rond een modderkruiper, die ten slotte door een jager gedood wordt, is een schitterende metafoor voor het menselijk bestaan. Van sterke verbeeldingskracht getuigt ook de recente roman De klimmer, waarin de strijd die de wielrenners te voeren hebben, herinneringen oproept aan motieven die ook Mikkers’ vroegere werk beheersen. Door de geconcentreerde opbouw van het boek en de zorgvuldige stijl waarin het geschreven is, wordt een grote spanning bereikt.

Yvonne Né
Het poëtische werk van Yvonne Né, die ook als tekenaar en schilder bekendheid geniet, balanceert tussen twee elementaire werkelijkheden: de realiteit van het leven en de verbeelding ervan. Steeds weer in haar verzen lijkt er sprake te zijn van een overgangssituatie, waarin aarzelend nieuwe realiteiten verkend worden, terwijl van de oude nog geen afstand is gedaan. Daardoor is alles voortdurend in beweging, wat aan deze gedichten een dynamisch karakter geeft. Dat is vooral het geval in de bundel Dans is een eland. In de typografisch schitterende uitgave Liggen in een gras – met verwijzingen naar verzen van Arthur Rimbaud en geïnspireerd door muziek van de componist Daan Manneke – ligt het accent vooral op beslissende fasen in het bestaan als kindertijd, jeugd, rijpheid en ouderdom. Ook in de recente publicatie Madrigalen voor de stad Breda werkte Yvonne Né met Daan Manneke samen. In deze bundel roept de dichteres in vijf madrigalen enkele saillante episoden uit de Bredase geschiedenis op. Daarbij worden gebeurtenissen uit het werkelijke leven samengevoegd met mythische fantasieën erover, waardoor een complexe werkelijkheid is ontstaan, die op prachtige wijze weergeeft wat een stad voor haar bewoners betekenen kan.

De Samenwerkingsprijs der Brabantse Letteren, bestemd voor een nieuw dan wel bestaand literair samenwerkingsverband en eveneens gedoteerd met 7.500 euro, werd toegekend aan het poëziefestival en de gedichtenwedstrijd die op 31 mei aanstaande in Bergen op Zoom plaatsvinden. De activiteiten worden gezamenlijk opzet door poëzie-uitgeverij WEL, kunstenaarssociëteit Arsis en de Stichting Anton van Duinkerkenjaar.