Lofrede van Doris Lessing op de kracht van de verbeelding

Gepubliceerd: 11-12-2007

‘Zoals altijd vraag ik de leraren naar de bibliotheek en of de leerlingen lezen. En ook op deze bevoorrechte school krijg ik te horen wat ik altijd hoor bij mijn gang langs scholen en zelfs universiteiten. “U weet hoe het is. Veel van de jongens lezen nooit en de bibliotheek wordt maar voor de helft gebruikt.”’ Dat bezoek aan een school voor jongens in Noord-Londen begin jaren ’80 vergelijkt Doris Lessing in haar dankrede bij de aanvaarding van de Nobelprijs voor Literatuur met een bezoek dat ze in dezelfde tijd bracht aan een school in het noordwesten van Zimbabwe. Op enkele afdankertjes van Amerikaanse universiteiten na waren er helemaal geen boeken. De leraren vroegen haar om na haar terugkeer in Engeland boeken te sturen. ‘Iedereen die ik tegenkwam, werkelijk iedereen, smeekte om boeken.’

Het zijn dit soort ervaringen die haar tot de vaststelling brengen dat we thans in een versplinterde cultuur leven. ‘Onze zekerheden van nauwelijks enkele decennia geleden worden in vraag gesteld. Het is gewoon geworden dat jonge mannen en vrouwen die jarenlang opleiding hebben genoten, niets weten over de wereld, niets hebben gelezen, alleen maar beschikken over hele specifieke kennis, bijvoorbeeld over computers.’ De komst van internet heeft naar haar overtuiging een hele generatie in de ledigheid gestort. Zelfs behoorlijk intelligente mensen moeten toegeven dat ze, eenmaal verslaafd, er niet meer van loskomen en hele dagen ‘bloggend en bluggend’ doorbrengen. Waar is de tijd dat we beseften dat lezen ons voorziet van informatie, van historisch besef, van alle soorten kennis?

Hoe anders is de situatie ook thans nog in Zimbabwe. Een vriendin die er onlangs is geweest, vertelde haar dat de mensen in een dorp waar drie dagen lang niets te eten was geweest, het vooral over boeken hadden, en hoe te krijgen. Voordat Mugabe aan de macht kwam, kostte een boek een maandsalaris, nu meerdere jaarsalarissen. Zelf maakt Lessing deel uit van een door Noorwegen en Zweden gesteunde organisatie die zich inzet voor het verwerven en transporteren van boeken naar die dorpen. Een doos met boeken wordt er met tranen begroet en binnen een week leren mensen die niet kunnen lezen dat van hen die het wel kunnen. ‘Er wordt wel beweerd dat een volk de regering krijgt die het verdient, maar ik denk dat dit niet opgaat voor Zimbabwe.’ Dat respect voor boeken is niet ingegeven door het regime van Mugabe, maar door het regime dat eraan voorafging, dat van de blanken.

Zelf is zij in wat toen nog Rhodesië was, opgegroeid in een van modder opgetrokken hut, maar wel een waarvan elk van de vier kamers gevuld was met boeken. Ze krijgt wel eens brieven van mensen die nu in zo’n hut wonen en daaraan de hoop ontlenen ooit zelf nog eens schrijver te worden. ‘Maar dat kan niet. Helaas. Schrijvers komen niet uit huizen zonder boeken… Om te kunnen schrijven, literatuur te creëren, moet je in contact staan met bibliotheken, met boeken, met de traditie.’ Schrijvers hebben bovendien ruimte nodig, fysiek en geestelijk, om te kunnen schrijven. In Zimbabwe onder Mugabe ontbreekt die ruimte ten enenmale, maar in het westen wordt die door het gecommercialiseerde literatuurbedrijf ook niet meer gegund aan jonge talenten. Beoordeeld op hun looks of hun charisma, worden die doodgeknuffeld, waarna ze er niet meer toe komen nog iets op papier te zetten.

‘Hoe arm zouden we zijn zonder de schatkamer die de literatuur is.’ De behoefte aan verhalen zal er altijd zijn. De inspiratie daarvoor verbindt ons met de tijden dat ijs, vuur en wind vorm gaven aan onze wereld. Daarom is er hoop, zo houdt Lessing ons aan het slot van haar betoog voor. In ieder van ons schuilt een verteller en het is de verbeelding waarmee wij betekenis verlenen aan het bestaan. Al zou de wereld worden weggevaagd door oorlogen of een nieuwe zondvloed, dan zou er de verteller zijn om die weer tot leven te wekken. ‘De verteller, de schepper van dromen en van mythen, is onze ware feniks.’

Om gezondheidsredenen kon Lessing gisteren niet bij de uitreiking van de Nobelprijs in Stockholm aanwezig zijn. Ze kreeg de prijs overhandigd in haar woonplaats Londen en had haar dankrede vooraf op schrift gesteld.

Tekst en copyright: Jef van Gool / Literatuurplein