Persoonlijke herinnering aan Hugo Claus

Gepubliceerd: 21-03-2008

Voortbordurend op de uitspraak van Adriaan van Dis in de documentaire De dichter, de dodo en het demasqué dat Boudewijn Büch een manische werker was ‘die van zijn leven een kunstwerk heeft gemaakt’, haalt Guus Bauer een herinnering op aan Hugo Claus, ‘een Gesamtkunstwerk van een heel ander kaliber’. Door zelf zijn einde te regisseren door zich op achtenzeventigjarige leeftijd te laten euthanaseren, hield hij tot het bittere eind alles in eigen hand.

Het dompelde België in een totale rouw. Ook in Nederland is geschrokken gereageerd op het nieuws. Men wist dat hij snel achteruit ging, maar het einde kwam toch nog onverwacht. Claus was een bohemien bij uitstek. Naast beeldend kunstenaar, filmer en auteur van toneelstukken en proza toch vooral een echte dichter. Wat dit multitalent ook aanpakte, het leverde werk op van grote kwaliteit.

Harry Mulisch: ‘Een pijler van de Vlaamse literatuur. Er wordt wel gesproken over het Nederlandse taalgebied. Maar het Calvinisme is niet te vergelijken met de Bourgondische aard in België. De inborst is totaal anders. Gelukkig ben ik ook maar een halve Nederlander.’

Begin jaren tachtig spraken Dichter und Bauer diverse keren met elkaar in het Amsterdamse Pulitzerhotel. Ik was geïnteresseerd in de publicatie van de novelle De jakhalzen, die oorspronkelijk bij Thomas Rap zou verschijnen. Soms werd hij vergezeld door een uiterst arrogante ‘la Kristel’, shawl, grote hoed en zonnebril, die minzaam de rug van haar hand aanbood. Ter gelegenheid van de verschijning van haar boek Naakt in februari 2007 werd ze vorig jaar door collega Peter de Rijk bij Amsterdam FM geïnterviewd. Een milde dame met een roerig leven. ‘Ach, er kwam toen heel veel op me af. Daar word je vanzelf blasé van.’

In eerste instantie vroeg Claus de voor die tijd lieve som van vijfduizend gulden als voorschot. Om een idee te geven: ik verdiende als manager van een reclameblad niet onaardig met mijn negenhonderd gulden netto per maand, maar dat voorschot was vele malen hoger dan de drukkosten. Nadat we bij toeval over mijn internaattijd kwamen te spreken, zakte de prijs aanmerkelijk. ‘Dynamiteren die boel.’ Claus was als peuter door zijn ouders op een nonnenschool gedaan. Het trauma van een generatie, dat heeft bijgedragen aan zijn geldingsdrang. ‘Die nonnen, dat waren geen vrouwen, maar krijgers van god.’

Als er ooit iemand in ons taalgebied bericht uit Stockholm had moeten krijgen, dan was het Hugo Claus wel. Harry Mulisch, de enige overgebleven gedoodverfde kandidaat voor die prijs: ‘Toen hij in Amsterdam woonde, speelden we elke woensdagmiddag tennis. Claus won altijd. Hij wilde ook graag winnen. In elk aspect van het leven. Ik liet hem maar. We waren totaal verschillend en misschien daarom wel bevriend.’

Amsterdam is gelukkig gebouwd op palen. Het uitgeefhuis De Bezige Bij heeft weer een pijler verloren.

Tekst en copyright: Guus Bauer / Literatuurplein