Ellen Deckwitz
Ellen Deckwitz (Deventer, 1982) is een dichter die al in de poetry slam-scene furore maakte, voordat ze met een bundel debuteerde: De steen vreest mij (Nijgh & Van Ditmar, 2011). Ze won er de C. Buddingh’-prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut mee. In de kritieken is ze ondanks haar achtergrond als performer vanaf het eerste moment serieus genomen als literair schrijver.

Realiteit en droomwereld
De steen vreest mij is een hecht gecomponeerde bundel, waarin realiteit en droomwereld voortdurend stuivertje wisselen. De poëzie is verleidelijk voyeuristisch, al is het onduidelijk of de lezer deelgenoot wordt gemaakt van werkelijke gebeurtenissen of van fantasieën. Dat doet er natuurlijk ook niet toe – behalve als je op persoonlijke titel het beste met de schrijver voor hebt.

Metafoor
Deckwitz gebruikt in de bundel regelmatig een boom als metafoor voor het menselijk lichaam. De ‘bottenboom’, de ‘bladerpilaar’, die soms seksueel geladen lijkt, bijvoorbeeld als een ‘bonkende’ boom ‘kwijlt’. Ook is er steeds een broertje, met een mager lijf: ‘een jongen met een vel / zo dun dat je de takken zag’. De verteller zegt dat dat broertje ‘in mijn hoofd’ kroop, wat het mogelijk maakt dat hij is verzonnen.

Kist na kist
Deckwitz’ voorliefde voor de betere horrorfilm speelt een rol wanneer ‘een oog hangt’ in het hoofd van het broertje. Er wordt afgerekend met de drankzucht van een moeder, die ‘kist na kist’ wegklokt. Ook is er een scène waarin de ik op schoot wordt genomen door een grootvader, die niet weet ‘dat er in mijn ballpoint / ook een kogel zit’.

Broeierig
Dit is broeierige en griezelige poëzie, die hier en daar uit de bocht vliegt, maar wel op zo’n manier dat je wenst dat meer dichters dat zouden doen.

Tekst: Erik Jan Harmens
Foto: Klaas Koppe

De bundel De steen vreest mij (Nijgh & Van Ditmar, 2011)




De steen vreest mij volgt een familie die langzamerhand uit het bestaan verdwijnt. Met humor en precisie legt Deckwitz verbanden bloot waar we zelf niet voor kiezen maar die ontstaan door zwijgend naast elkaar te ontbijten en te leven aan de rand van een bos vol wilde eiken.

Taal en beeld kantelen en trekken het tapijt van geschiedenis, maatschappij en voorouders onder de voeten vandaan.

Een aantal gedichten verscheen, meestal in een eerdere versie, in Bunker Hill, Dietsche Warande & Belfort, Ik ben een bijl (Nijgh & Van Ditmar, 2009), Meander, Nog een lente (uitgeverij P 2010) en Tirade.

Een gedicht uit De steen vreest mij




Op een dag werden we uit onze moeder gepeld
en ik vergat dat ze botten dealde.
Je raakt ook zo snel afgeleid
door de eerderen die maar om elkaar krommen
om maar in elkaar te stollen
Terwijl je slonk. Er is grond
waarop ik palmen plant, getuigen
dat ik geen wortel meer schiet.
Mezelf niet als een kalenderblad
scheuren kan.
De aarde slurpt regenwormen op en ik gok
dat we allemaal lief willen worden
gevonden, men zich bevindt. Dat voor ons niets
ooit aanbreekt.


Video's









Naar de overzichtspagina

Delen