Gerrit Kouwenaar
Zijn poëzie is meer dan eens gekenschetst als een systeem waarin alles met alles samenhangt. Dat geldt vanaf het in zeer beperkte oplage verschenen bundeltje Goede morgen haan (1949), gemaakt in samenwerking met de schilder Constant Nieuwenhuys. Beiden waren lid van de Experimentele Groep Holland, die eind 1948 opging in de internationale Cobrabeweging. In 1941 had Kouwenaar gedebuteerd met een in eigen beheer uitgegeven bundel, Vroege voorjaarsdag. Deze bevatte nog traditionele poëzie. Dat waren ook de gedichten die hij, onder het pseudoniem Gerard Q. Bleijenburgh, publiceerde in het illegale blad Parade der Profeten.

Vijftigers
Met de in 1953 verschenen bundel Achter een woord trad Kouwenaar voor een groter publiek naar buiten als experimenteel dichter. Hij maakte op dat moment deel uit van de Vijftigers, een heterogene groep jongere dichters die stormenderhand de Parnassus veroverde. Kouwenaar stelde de bloemlezing Vijf 5 tigers (1955) samen, met werk van Bert Schierbeek, Jan Elburg, Lucebert, Remco Campert en hemzelf. In de inleiding van deze bundel gaf hij de kenmerken van de nieuwe poëzie aan. De verschijning van dit boek markeerde in feite het eind van de Vijftigers als groep: de kritiek gaf zich gewonnen en de dichters gingen ieder huns weegs.

Oorlog
Kouwenaar heeft, voordat hij zich tot dichter pur sang ontwikkelde, enkele novellen en romans geschreven. De oorlog is in al die boeken - Uren en cigaretten (1946), Negentien-nu (1950), Ik was geen soldaat (1951) en Val, bom! (1956) – zonder uitzondering een belangrijk thema. Dat is niet zo verbazingwekkend als men weet dat hij in 1943 werd gearresteerd en zes maanden in de gevangenis zat, omdat hij aan het illegale tijdschrift Lichting had meegewerkt. Nadat hij was vrijgelaten, dook hij onder. In 1984 werden ze, behalve de bundel met twee novellen Uren en cigaretten, onder de titel Drie romans en alle in mindere of meerdere mate herzien, bijeengebracht.

Te mens om te vliegen
In Een eter in het najaar, dat in 1989 werd uitgebracht nadat Kouwenaar de Prijs der Nederlandse Letteren had gewonnen, nam hij niet zonder reden een gedicht als ‘De taal’ op. Dat begint met regels die bijna een beginselverklaring lijken: ‘De taal behoort aan de vogels / ik ben te mens om te vliegen’. De titel van zijn vijfde bundel was Het gebruik van woorden (1958) en daarmee gaf hij opnieuw aan dat het hem ging om het zo dicht mogelijk benaderen van het onmogelijke: in woorden uitdrukken wat onzegbaar is. In 1997 won hij de VSB Poëzieprijs met De tijd staat open, waarin de weemoed om het vergankelijke al voelbaar is.

Superieure regels
De jury van de VSB-Poëzieprijs die De tijd staat open bekroonde, was eensgezind in haar beslissing. In een toelichting op de keuze schreef zij dat, al speelt in Kouwenaars latere poëzie de dood een hoofdrol, dit geen belemmering is de aanbeveling te doen toch vooral de dag te plukken, het goede van de wereld ten volle te ondergaan. Instemmend citeerde de jury de volgende ‘superieure regels van een superieur gedicht uit een superieure bundel’: ‘Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis/ nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen/ men moet nog boodschappen doen voor het donker/ de weg vraagt.’

Een ding van woorden
Een gedicht was voor Gerrit Kouwenaar ‘een ding van woorden’. Het dient geheel op zichzelf te staan, zonder verwijzing naar een werkelijkheid erachter. Dat dit niet onvermijdelijk leidt tot cerebrale poëzie die geen enkele emotie verwoordt, laat staan oproept, bewijst de bundel Totaal witte kamer (2002), die ook zonder kennis van de biografische achtergronden indrukwekkend is. In de gedichten die niet behoren tot de slotcyclus van de bundel - die eindigt met het prachtige, beeldrijke ‘dus vredig de avond’ -, gaat het ook vaak over het verstrijken van de tijd, over vergaan en vergeten: ‘woorden op glas, maar kijk, het wordt donker’.

Letterlijk volmaakte indruk
In 2006 was Kouwenaar de zesde dichter die ter gelegenheid van Gedichtendag een bundeltje met een tiental nieuwe gedichten schreef. Tom van Deel noemde Het bezit van een ruïne een optimum in Kouwenaars oeuvre, zo uitgebalanceerd en weloverwogen, en tegelijk ook zo verrassend dat het ‘een poëtische geste van groot belang’ was. Eveneens in 2005 bracht De Harmonie de cd Gerrit Kouwenaar leest Dit is alles uit. Daarop leest hij 68 gedichten voor, onder meer uit Het bezit van een ruïne. In 2009 bekroonde de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde Kouwenaar met de Prijs voor Meesterschap omdat hij ‘al heel lang algemeen als onze grootste levende dichter wordt beschouwd,’ die onmiskenbaar invloed heeft uitgeoefend op het werk van jongere collega’s. ‘Zijn gedichten maken een letterlijk volmaakte indruk. Kouwenaar is aan ieder gedicht blijven werken totdat het aan zijn hoge norm voldeed.’

Tekst en copyright: Jef van Gool
Foto's: Klaas Koppe



Gerrit Kouwenaar in jaartallen


Bron: Koninklijke Bibliotheek

1923 Geboren te Amsterdam (9 augustus) als zoon van Jeltje Bloksma en David Kouwenaar
1940 Verhuist met zijn ouders naar Bergen (Noord-Holland)
1941 Stopt met zijn opleiding aan de HBS te Alkmaar
1941 Publiceert in eigen beheer gedichten (Vroege voorjaarsdag)
1943 Gevangen genomen vanwege medewerking aan het illegale tijdschrift Lichting
1944 Publiceert spotverzen in het illegale blad Parade der Profeten
1945 Werkt als kunstredacteur bij De Waarheid (tot 1950)
1946 Publiceert eerste novellen (Uren en cigaretten)
1948 Treedt toe tot de Experimentele Groep Holland en levert bijdragen aan de tijdschriften Reflex en Cobra
1949 Debuteert als vertaler
1950 Werkt als redacteur bij Podium; is freelance medewerker voor Vrij Nederland en publiceert eerste roman (Negentien-nu)
1951 Publiceert biografie onder pseudoniem Jan Helder (Pieter Dourlein)
1953 Publiceert zijn eerste experimentele dichtbundel (Achter een woord)
1955Stelt de bloemlezing Vijf 5 tigers samen
1958 Ontvangt Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (De mensen zijn geen goden)
1960 Werkt als recensent beeldende kunst voor Het Vrije Volk
1961 Weigert Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (Zou een hand)
1962 Ontvangt Jan Campertprijs (De stem op de 3e etage); schrijft samen met A. Alberts het filmscenario over Wilhelmina (Wederzijds)
1963 Ontvangt Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (Zonder namen)
1964 Publiceert verzameling gedichten (Sint Helena komt later: gedichten 1948-1958)
1967 Ontvangt Henriëtte Roland Holstprijs; schrijft filmscenario (Rotterdam Europoort)
1967 Ontvangt Martinus Nijhoffprijs voor zijn vertaalwerk
1970 Schrijft de tekst voor de film De Snelheid: 40-70
1971 Ontvangt P.C. Hooft-prijs 1970
1972 Treedt toe tot de redactie van De Gids
1982 Publiceert verzamelde gedichten (Gedichten 1948-1978)
1989 Ontvangt Prijs der Nederlandse Letteren
1997 Ontvangt VSB-poëzieprijs (De tijd staat open)
1998 Publiceert vervolg op verzamelde gedichten (Helder maar grijzer: gedichten 1978-1996)
2002 Publiceert Totaal witte kamer, met gedichten naar aanleiding van de dood van zijn vrouw Paula
2003 Krijgt een aparte vermelding van de jury van de VSB-poëzieprijs (Totaal witte kamer); tv-documentaire naar aanleiding van de bundel Totaal witte kamer
2005 Schrijft bundel voor Gedichtendag 2005 (Het bezit van een ruïne)
2014 Overleden te Amsterdam (4 september)

Video's







De bundel Totaal witte kamer (Querido, 2002)


Totaal witte kamer opent met de reeks een glas om te breken, die ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag als extra fraaie leparello verscheen. Hij sluit een indrukwekkende reeks gedichten van rouw, die hun aanleiding hebben in de dood van Kouwenaars vrouw Paula, maar op de lezer in de eerste plaats een algemeen geldige, ja nu al klassieke indruk maken. Tussen die twee afdelingen in staan gelegenheidsgedichten in engere zin, maar als het waar is dat alle goede gedichten gelegenheidgedichten zijn, dan geldt dat wel in het bijzonder voor die van Kouwenaar, onder wiens handen al het particuliere en anekdotische in zijn tegendeel verkeert.

Juryrapport vijfjaarlijkse prijs voor poëzie van de KANTL
'De bundel Totaal witte kamer uit 2002 getuigt alweer van vernieuwing. De dichter verwerkt, vertaalt en overstijgt er zijn strikt persoonlijke ervaringen en herinneringen in n.a.v. de dood van zijn vrouw. Dit alles komt het nadrukkelijkst tot uiting in de aangrijpende titelcyclus. Ook in deze bundel blijft zowel de vakman als de talige dichter aan het woord, maar de emotionele en existentiële inbreng lijkt nadrukkelijker en vooral helderder vertaald dan in eerder werk. De bundel omvat uitsluitend goede tot heel sterke gedichten waarvan een aantal ongetwijfeld voorbestemd zijn om klassiek te worden.'

De documentaire Toaal witte kamer (49 minuten) op de website van de NPO:
Het Uur van de Wolf: Totaal witte kamer

Programmamaker Hans Keller over Totaal witte kamer:



Het gedicht 'totaal witte kamer'


Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen -


Uit: Gerrit Kouwenaar, Totaal witte kamer. Querido, 2002.

Gerrit Kouwenaar op de website van de Koninklijke Bibliotheek


Gerrit Kouwenaar: Stillegger van de tijd

Geïllustreerde bibliografie

Gerrit Komrij over Gerrit Kouwenaar

Gerrit Kouwenaar in citaten

1: ‘O het gebruik van woorden’
2: ‘Men moet aan alles een vorm geven’
3: ‘Alsof de tijd ooit te stillen was’
4: ‘Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken’
5: Het bezit van een ruïne

Naar de overzichtspagina

Delen