Hester Knibbe
Hester Knibbe (1946) debuteerde in 1982 met de bundel Tussen gebaren en woorden. Nadien publiceerde zij nog een tiental bundels, die aanvankelijk bij De Prom en later bij De Arbeiderspers verschenen. Haar werk is bekroond met de Herman Gorterprijs, de Anna Blamanprijs en de Adriaan Roland Holstprijs (2009). De uitreiking van de laatste prijs viel vrijwel samen met de verschijning van Oogsteen : een keuze uit de gedichten 1982-2008, een ruime selectie uit haar eerdere werk. Ze werd vertaald in meerdere talen en trad veelvuldig op bij literaire festivals in binnen- en buitenland.

Archaïsch de dieren
Wat is het verschil tussen mensen en dieren? De mens beschikt over de rede, terwijl het dier dat niet heeft. Maar aan de andere kant: wie heeft een dier ooit iets onredelijks zien doen? Dat verwacht je toch eerder van mensen. Hester Knibbe laat in haar nieuwe bundel Archaïsch de dieren zien dat de mens ook een dier is, een dier dat zich weliswaar laat leiden door afspraken, maar in wezen niet verschilt van een hond, reptiel of vogel.

Knibbe is vanaf haar debuut in 1982 een klassieke dichteres geweest in een moderne wereld. Ze schrijft poëzie die het niet zoekt in onbegrijpelijke formuleringen, maar in de wereld aan betekenis die schuilgaat achter een heldere zin. Haar gedichten zijn helder en precies, constant van toon en getuigen immer van een groot vakmanschap – ze doen denken aan het werk van M. Vasalis, Ida Gerhardt of Eva Gerlach.

In deze nieuwe bundel, die bestaat uit twee lange reeksen gedichten – waarvan de eerste weer in vier onderafdelingen uiteenvalt – experimenteert Knibbe met woordvolgorde en grammaticale regels. Weerbarstiger, grimmiger klinkt haar geluid; het gaat over sterven, over offers, over de weg kwijt zijn in een ooit vertrouwde wereld.

Zoals vaak in haar poëzie maakt ze ook hier weer gebruik van motieven uit de oudheid. Zo schreef ze een serie gedichten naar aanleiding van een reis naar het Griekse Thiva, het vroegere Thebe. Zij bezocht opgravingen en verdiepte zich in het macabere ritueel waarbij men een nacht doorbracht in de huid van een geslachte geit.

Het slot van de bundel is de indrukwekkende reeks 'Er is altijd', een litanie van gemis, huivering en de moeizame acceptatie van sterfelijkheid. De ik-figuur snaait ‘een voorraad momenten’ zoals een kraai om zich in te dekken tegen de winter, ze nestelt zich ‘traag in troostkleren’, ze wil ‘oude brieven verbranden’. Het zijn verontrustende beelden, scènes uit een innerlijk dat zich uitspreekt tegen de tijd.

Tekst: Victor Schiferli

Foto: Arend Knibbe

De bundel Archaïsch de dieren (De Arbeiderspers, 2013


Knibbe krabt waar de lak bladdert.

Archaïsch de dieren gaat over schuld, schaamte en andere ongemakkelijke emoties, maar ook over vitaliteit in alle gedaanten. De mens wordt nog steeds geregeerd door zijn reptielhersenen, hoogstens voorzien van een vernisje gedragscodes.

Een gedicht uit Archaïsch de dieren

Patience. Stel dat je opnieuw, had je
hetzelfde lichaam gekozen, wieg die zo verrekte

opgetogen op je stond te wachten? Had je
eenzelfde eenzelvig liedje gezongen en

je lijf even verlegen links en rechts

goeddeels verzwegen? Stel dat je
opnieuw kon bij even na twintig, je bouwde

een liefde, een huis een kind, beminde
beminde. Vermeed het bekende en tuimelde

over vreemde ellende. Stak dan in dat andere
lijf en hoofd een vergelijkbare

twijfel en aarzel?


Video's











VSB Poëzieprijs 2015 voor Archaïsch de dieren


Archaïsch de dieren werd in 2015 bekroond met de VSB Poëzieprijs. De jury, onder voorzitterschap van Peter Vandermeersch, formuleerde haar waardering voor de bundel aldus: Is poëzie eigenlijk wel de plaats om grote vragen te stellen? Waartoe we op aarde zijn, hoe we kunnen leven met zoveel 'wonden op de wereld' en hoe we onze doden een plaats moeten geven; wie zulke kwesties aan de orde stelt riskeert het bezwijken van breekbare versregels onder hun eigen gewicht.

Maar Hester Knibbe kan het, dank zij haar voldragen pen. Zonder dat haar gedichten topzwaar worden, stelt ze de grote levensvragen erin aan de orde. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, begint Knibbe in de eerste reeks van Archaïsch de dieren gewoon bij Adam en Eva, en komt ze via het al te schel verlichte heden weer bij Abel en Kain of bij de oude Grieken terecht. Dit alles niet uit hang naar het oude, maar uit 'wil tot weten'.

Maar het weten is ook wat ons uit het paradijs heeft gejaagd. Met het weten komt al snel de angst en de twijfel, en met de twijfel komen ook gaten in de taal die de dichter ter beschikking staat. Dus keert ze terug naar eenvoudige taal, die van een eerste spreken; klankrijk, zangerig, soms nog haperend en kinderlijk: 'Dood// kun je bedenken maar nooit echt weten'. De mythische wereld die Knibbe herschept, blijkt uiteindelijk bitter weinig betekenis te kunnen bieden. De goden geven niet thuis ondanks onze behoefte aan hun zegen. Alleen de taal is gedienstig; als er al mythische verbanden worden aangetroffen in deze archaïsche wereld is het tussen klanken.

Troost blijkt louter te vinden uit maar doorgaan: met lammeren offeren of met kinderen baren, die je koestert in 'lievelingshanden' en dan 'hup de wereld in met je hart// dat men afpakken kan'. Vooral de moeders in deze bundel zorgen voor die voortgang, moeders die zogen, vrezen, dromen en so wie so schuld hebben, al is het maar aan de te strakke vlechtjes van hun dochtertjes.

De jury was unaniem in de bewondering voor Archaïsch de dieren. Voor de stevige, klankrijke en toch hoogst hedendaagse vorm van de gedichten, en voor de sterke samenhang en dwingende stuwende kracht van deze belangrijke bundel, die de mens tot zijn ontgoochelende kern terugbrengt en vervolgens warm omhelst.

Naar de overzichtspagina

Delen