Lieke Marsman
Een wonderkind is Lieke Marsman wel genoemd. Enthousiast werd Wat ik mijzelf graag voorhoud – haar debuut – ontvangen, ze won er niet minder dan drie prijzen mee: de Lucy B en C.W van der Hoogtprijs, de Liegend Konijn Debuutprijs 2011 en de Buddingh'-prijs 2011. Na die stormachtige entree was het even stil. Tot afgelopen jaar De eerste letter verscheen, waarmee de jonge Marsman haar reputatie bevestigde.

Angst
In haar debuut liet ze al zien een denker te zijn, maar in De eerste letter lijken dwanggedachten en waandenkbeelden een eigen leven te leiden. Angst voor van alles en nog wat speelt een grote rol en zit zelfs de poëzie in de weg: ‘Poëzie / lijkt me vandaag een land / waar ik geen ticket naar toe/ heb gekregen (…) / een ver eiland/ vol pinguïns.’

Op papier klinkt het ongeveer zoals het er in een hyperbewust en piekerend hoofd aan toe moet gaan. Er is voortdurend gepraat en nu eens mompelend, dan weer ruziënd met (ex-)vriendjes, om zich plotseling te realiseren: ‘tegen wie praat ik eigenlijk?’

Laconieke charme
Deze gedichten zijn een poging de taal, de poëzie weer terug te veroveren en rust te vinden. ‘De mooiste mens/ is de mens die niet nadenkt; die zichzelf genoeg vertrouwt om geen/ woorden nodig te hebben in het hoofd bij het zetten van een kopje/ thee,’ schrijft Marsman ergens aforistisch. Dat het nooit somber of zwaar wordt, komt doordat ze haar soms panische angsten in een flinke dosis absurditeit weet te verpakken. Zelfs de allerpijnlijkste situaties – zoals een meisje dat door haar geliefde bont en blauw geslagen is – weet ze van een laconieke charme te voorzien, al schemert ook in dit soort stoere regels kwetsbaarheid door.

De eerste letter eindigt met een teder wiegeliedje. De gedachtenstorm is gaan liggen, en de poëzie is terug. Om hopelijk niet meer weg te gaan, want Lieke Marsman is een aanwinst voor de Nederlandse poëzie.

Tekst: Janita Monna
Foto: Tessa Posthuma de Boer

De bundel De eerste letter (Van Oorschot, 2014)


De eerste letter stelt wilskrachtig paal en perk aan alle mogelijke angsten die de mens kunnen bedreigen. In een gevecht tussen besluiteloosheid en karaktervastheid schrijft Marsman over liefde, verlies, bang zijn, en vooral over verder willen.

De grondtoon van deze bundel is nog krachtiger dan haar alom bejubelde debuut, waarvan 3.000 exemplaren verkocht werden.

Een gedicht uit De eerste letter
Wat ons leeft leeft ons uit

Toen ik vanochtend in je auto zorgvuldig
mijn lichaam bestudeerde, ben ik tot de conclusie gekomen
dat deze blauwe plekken me niet tot mijn recht
doen komen, waarmee ik wil zeggen dat ik
graag meer dan je afdruk zou zijn. Want begrijp jij
twee mensen die zeggen verliefd te zijn, maar slechts
de pinken ineenslaan? Als ik hen kon zijn
voor een avond, zou ik in ons duiken en
het verschil vergeten tussen binnen-
en buitenkant, zowel binnen
als buiten zijn. En als ik mezelf
kon zijn voor een avond, zou ik willen
dat die avond bleef duren. Nee,

hoe ben ik ooit weggekomen met een paar
blauwe sproeten, een hoofd dat van
bewondering uiteenspat, verdient
op z’n minst één geamputeerd been – een hoofd
dat zo alleen is.


Video





Juryrapport Lucy B en C.W van der Hoogtprijs 2011



In ‘Zelfde liedje’, een gedicht over vallen en opstaan uit de bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud van Lieke Marsman, komen de volgende regels voor: ‘Gisteren zei iemand me dat je, om mooi te schrijven, / afwisselend moet zijn.’ Het is al te makkelijk deze woorden tot poëticaal programma te verheffen, maar mooi schrijven is kennelijk een ambitie. In vele gedichten wordt dan ook gedacht over het gebruik van taal en de indruk die daardoor wordt gewekt. ‘Wat dies meer zij is een kloeke manier om te laten zien / dat je best je archaïsche trukendoos beheerst’, valt bijvoorbeeld te lezen in ‘Vrienden en wat dies meer zij’. Ook brengt de dichteres het creatieve proces treffend in beeld: ‘maar ik kan door alle bomen het bos zien, / omdat ik achter alles iets verzin.’ Haar ultieme ambitie lijkt vooralsnog achter de horizon te liggen, getuige de volgende regels: ‘Toen ik achtenzestig werd, schreef ik mijn eerste gedicht over / de liefde waarin ik niet hoefde te vergelijken met dieren of / planten (...).’ Het is ontroerend, maar vooral knap, dat deze jonge dichteres zich bewust is van haar jeugdige leeftijd, maar daar tegelijkertijd betekenisvol over kan schrijven.

Het openingsgedicht van de bundel, ‘Vasthoudendheid’, laat veel zien van Lieke Marsmans dichterschap. Het is een fantasievolle monologue intérieur van iemand die geplaagd wordt door slapeloosheid.

(...) Of het is zo
dat je niet weet waar je moet kijken, omdat alles
voor je ogen zo rood is. Je ogen zijn rood, omdat
iemand heeft gezegd dat je ogen zo blauw zijn en
dat heeft je geraakt. Het fijne aan geraakt worden
is dat het niet lang hoeft te duren om lang
te blijven duren. (...)


Het malen van de gedachten wordt fraai verbeeld door de woordherhaling: ‘ogen’, ‘rood’, ‘geraakt’ en ‘duren’. Het past bij dit dwangmatige denken dat het gedicht een cyclische bouw heeft die ook de bundel als geheel kenmerkt. ‘Donker’, een toepasselijke titel voor een slotgedicht, gaat eveneens over iemand die slapeloos ligt te denken. Het gedicht eindigt met de wens: ‘Slaap, stop mij toe, / toe laat mij gaan.’ De cirkelvorm komt een aantal malen terug in de bundel en het verbaast niet dat een ik-figuur in één van de gedichten een vierkant wil tekenen, maar ‘automatisch’ een cirkel produceert.

De gedichten in Wat ik mijzelf graag voorhoud lijken vaak op monologen en hebben geen vaste vorm. Het zijn proza-achtige teksten met vaak breed uitwaaierende regels. Toch moet de poëtische vaardigheid van Lieke Marsman niet worden onderschat. Zo simuleren de enjambementen in ‘Vasthoudendheid’ het eindeloos doorgaande malen van de hersenen. En een abrupte overgang in het gedicht ‘Sneeuwuilen’ (‘Zo sta je opeens // in een bos bij Berlijn een uil na te doen (...)’) wordt slim ondersteund door na ‘opeens’ een witregel in te lassen.

Er wordt veel nagedacht in Wat ik mijzelf graag voorhoud. De werkelijkheid wordt niet rechtstreeks beschreven, maar vormt het uitgangspunt voor gedachten en voorstellingen. Dit gebeurt met een zekere mate van terloopsheid, die onder meer tot uiting komt in de titel ‘Ondertussen’, die twee keer in de bundel wordt gebruikt. Van vrijblijvendheid is echter geen sprake,al helemaal niet waar de poëzie in het geding komt. In het eerste gedicht met de titel ‘Ondertussen’ wordt een sneeuwlandschap geëvoceerd:

(...) Als ik er opkijk ken ik
de namen van alle planten van buiten, over hen
zal ik zingen in dwarrelende tonen
totdat ze niet langer bedekt zijn. (...)


Poëzie heeft hier het vermogen tot onthulling, paradoxaal genoeg via ‘dwarrelende tonen’, die in de gegeven context onvermijdelijk de associatie oproepen met sneeuwvlokken. (De paradox is allerminst vreemd aan de poëzie van Lieke Marsman.) De drie slotstrofen van het gedicht, steeds beginnend met de aankondiging ‘Ik zal zo hard zingen / dat (...)’, drukken vertrouwen uit in de poëzie en het dichterschap.

De thematiek van reflectie en zich voorstellingen maken van de wereld kan licht resulteren in loodzware gedichten, waarin vooral de eigen navel object van studie is. Dit gevaar wordt echter succesvol afgewend door een nuchterheid die vaak uiterst humoristisch is. Het gedicht ‘New York’ eindigt bijvoorbeeld met de verleiding van de ik-figuur (‘een / televisiegezicht trekt mijn broek al naar beneden’), waarna een pathetische uitspraak die zij doet, wordt gerelativeerd door de prozaïsche gedachte ‘(...) Oh Gut / heb ik de koelkast / wel dichtgedaan.’ Prachtig is ook de onvoltooide zin: ‘Toen mijn hoofd er uit zag als een hond en ik de behoefte niet voelde / om met me door de stad te lopen’.

Wat ik mijzelf graag voorhoud is opgebouwd uit afdelingen en cycli, iets wat voor de hand lijkt te liggen bij een poëzie die zo hardnekkig wordt ingezet om greep te krijgen op de wereld. Meestal lukt dit niet, maar als zo vaak leveren de mislukkingen de fraaiste resultaten op. Steeds worden de opgestelde hypothesen, waarin filosofie en speelsheid een harmonische relatie aangaan, ontkracht.

Bij alle onzekerheid blijft één ding onaantastbaar overeind staan: het eigen dichterschap. Het gedicht ‘Soms moet dat’ eindigt aldus:

als men vraagt waarom schrijf je
in hemelsnaam nog gedichten antwoord dan
omdat mensen niet onder mijn tong
blijven liggen omdat je gedichten stil
kunt laten staan als een luisterend oor
tegen je schokkende borstkas omdat poëzie
aan je ribben is gaan rusten en
een verband heeft aangelegd
met jouw verhaal.


Treffend is het woordje ‘nog’ dat suggereert dat gedichten schrijven een verouderde bezigheid is, dan wel iets voor kinderen of pubers. Maar poëzie, zo luidt het antwoord, geeft stem aan anderen en is intiem, zelfs lijfelijk, verbonden met het eigen bestaan.

Met haar gedichten trekt de dichteres op overtuigende wijze de consequenties uit deze stellingname. Door de eigenzinnige visie op de wereld, de beheersing van de poëtische trukendoos en het geloof in de poëzie, waarbij humor en zelfspot niet ontbreken, biedt haar debuutbundel uitzicht op een authentiek dichterschap. Het is om die reden dat de jury zonder aarzeling en unaniem Wat ik mijzelf graag voorhoud van Lieke Marsman voordraagt ter bekroning met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2011.

De commissie van Voordracht:
Elke Brems
Kester Freriks
Micha Hamel
Ingrid Hoogervorst
Gerard Raat

Naar de overzichtspagina

Delen