Maarten van der Graaff
Maarten van der Graaff (1987) is redacteur en medeoprichter van het online literair tijdschrift Samplekanon. In 2014 werd zijn debuutbundel Vluchtautogedichten bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandstalige poëzie. De jury noemde hem ‘een uiterst beweeglijke en vindingrijke dichter’, en roemde ‘de spankracht van Van der Graaffs gedichten, qua compositie, woordenschat en thematiek’. Vlaamse collega-dichter Delphine Lecompte laat er geen misverstand over bestaan: ‘Allen naar de betere boekhandel om Vluchtautogedichten van Maarten van der Graaff te kopen.’ Intussen beleefde de bundel twee herdrukken.

Woorden- en beeldenstroom
Met de regel ‘enorme enorme ruimte’ opent Maarten van der Graaff zijn debuutbundel. In de ruim vijftig pagina’s die volgen, schetst, schildert en kladt hij die ruimte met een haast onafgebroken woorden- en beeldenstroom naar hartenlust vol. Lucide notities en absurde scènes wisselen elkaar af, een gedachteflard kan uitgroeien tot een heel verhaal, of een losse flodder blijven, of zelfs in z’n tegendeel omslaan, want zoals het in het gedicht ‘De atleet vertrouwt zijn sprong’ heet: ‘Alleen fascisten spreken zichzelf nooit tegen’.

Vraagtekens
Schipperend tussen jeugdige overmoed en oeverloze verveling probeert Van der Graaff uitdrukking te geven aan ‘hoe moe alles is’, en tegelijk hoe ‘veelgeurig en/ nutteloos en licht’. Het levert sterk uitwaaierende gedichten op, die ervan getuigen hoe het is om precies nu te leven en te lezen. Om je daarin bij tijd en wijle kapot te vervelen. En om tegelijk niet op te houden te hopen op, misschien zelfs te geloven in, meer. ‘Ik houd van vraagtekens die allesbehalve diepzinnig zijn. Kan ik gaan?’

Op zoek
Na de uitreiking van de Buddingh’-prijs, in juni 2014 tijdens het Rotterdamse Poetry International Festival, vroeg een journalist van dagblad Trouw hem: ‘”Bluf, branie en bravoure is een goede grondhouding voor debuterende dichters,” vond de jury. Bent u zo’n literaire lefgozer?’ Van der Graaffs antwoord was even spontaan als afgewogen: ‘Kennelijk wordt wat ik doe als lefgozerig ervaren. Ik neem inderdaad geen blad voor de mond en ben wel direct. En ik ben een veelschrijver. Ik schrijf snel en veel en gooi ook veel weg. Maar wat voor type dichter ik ben… In ieder geval ben ik een dichter die het allemaal nog niet zo goed weet. Ik weet nog niet goed welke richting mijn werk opgaat, ik ben nog veel meer op zoek, dan dat “branie en bravoure” suggereert.’

Markant begin
Vluchtautogedichten is een markant begin van een ongetwijfeld opwindende zoektocht, die we hopelijk nog lange tijd mogen volgen.

Tekst: Thomas Möhlmann
Foto: Merlijn Doomernik

Vluchtautogedichten (Atlas Contact, 2013)


‘Maarten van der Graaff is zowel dichter als vernieuwer. Hij is een scherp luisteraar en heeft lef. Godzijdank is hij ook een lyricus en maakt muziek van alle wanorde. Maarten van der Graaff is onbetwist een nieuwe en spitsvondige stem in de poëzie.’ - Erik Lindner>br>
Vluchtautogedichten is de enige echt vrije encyclopedie. Zo praten figuren uit een bouquetreeksroman over verveling. Zo voorspelt de jonge debutant de dood van een prominente collega. Iemand vaart op een cruiseschip richting het onmogelijke. Een anti-encyclopedie dus, maar ook de zoektocht van een dichter die de hele nacht onderweg is door duister gebied, met een gedicht in zijn achterbak, op zoek naar levensvatbare ruimte.

Maarten van der Graaff (1987) publiceerde poëzie en proza in onder meer De Revisor, nY, De Brakke Hond, DW B en Het Liegend Konijn.

Van minuut tot minuut zou er niets van mij overblijven.
Een wandeling met aan weerskanten bedwelmende aspecten leerde mij dit.
Ik brak een angst aan die hier op had gewacht.


Een gedicht uit Vluchtautogedichten

Boven de kringloop van regen en baby’s vliegt de roerdomp.
De roerdomp heeft niets met dat alles te maken.
Met de kringloop van granaten, bananen, offers, slijtage
heeft de roerdomp niets te maken. Daar moet duidelijkheid over bestaan.
Hij gelooft zelfs niet in kringlopen, de roerdomp.
‘Ieder rad is bedoeld om iemand voor ogen te draaien,’
zingt hij (wat schor van de kou op die hoogte).


Video’s


Maarten van der Graaff leest uit 'Vluchtautogedichten' from Poetry International on Vimeo.













C. Buddingh'-prijs 2014


In zijn 'Wenken voor jonge letterkundigen' uit 1846 schrijft de Franse dichter Charles Baudelaire enkele behartenswaardige opmerkingen over geluk en pech bij het debuteren. Baudelaire heeft oog voor de samengebalde vastberadenheid die voor debuteren vereist is: ‘Aan elk debuut gaan twintig andere debuten vooraf die we niet kennen; succes is de resultante van voorafgaande, met het blote oog vaak niet zichtbare successen.’

Niet alleen in Baudelaires tijd maar ook vandaag de dag blijft de stap van de publicatie van losse gedichten naar de publicatie van een bundel een grote stap, die veel ‘voorafgaande, met het blote oog vaak niet zichtbare successen’ vergt. Kennelijk wordt het moeilijker om die stap te zetten. We constateren dat de oogst aan poëziedebuten die in 2014 meedingen voor de C. Buddingh’-prijs is afgenomen ten opzichte van vorig jaar: 21, vijf minder dan in 2013.

De al in het jaar 2013 gesignaleerde trend dat gerenommeerde uitgevershuizen terughoudend zijn bij het uitgeven van poëziedebuten zet zich door. Een gat dat ook dit jaar zo goed en zo kwaad als het gaat wordt gedicht door kleine uitgeverijen – zoals blijkt uit de debuten van Frouke Arns en Annelie David bij Uitgeverij Marmer en die van Anouk Smies en Harry van Doveren bij Uitgeverij Opwenteling. Of hiermee sprake is van een algemene trend naar marginalisering van poëzie-uitgaven blijft speculeren, maar wel valt ook in deze lichting van de C. Buddingh’-prijs op dat de redactionele begeleiding van debuterende dichters soms te wensen overlaat.

Twaalf debuten vonden op uiteenlopende gronden pleitbezorgers onder de juryleden en zouden daarom eigenlijk een nominatie hebben verdiend. De eis dat maar vier bundels genomineerd kunnen worden, heeft de jury dan ook gedwongen tot een confrontatie van leeservaringen en tot harde keuzes tussen onvergelijkbare grootheden. Sommige debuten blonken vooral uit door ouderwetse ambachtelijkheid en vormbeheersing, zoals de aan liturgische liedteksten verwante poëzie van Maarten van Aes in Alles onveilig en de sterk geritmeerde natuurgedichten van Herman Rohaert in Som van toeval & ontroering.

De debuten De keren dat ik verwaai van Esther Porcelijn en Tot hier en verder van Michael Tedja imponeerden door de energie en de gedrevenheid die eruit spreken. Citaten van een roofdier van Anouk Smies en Monomeer van Daniël Dobbelaere hebben de jury gefascineerd met weerbarstige, onnavolgbare beeldspraak. Ten slotte troffen in de sonnetten van Hilde Bosma’s Kruisweg de mooie combinatie van het banale en het hooggestemde en in het postume Mijn beste gedicht dat u nooit zult lezen van Thomas Blondeau het mooie, gelijknamige verhaal.

Toch bleek als door een wonder het aantal van vier nominaties volmaakt toegesneden op de opdracht van de jury. Vier debuten wonnen ons aller bijval: twee strakke, ingehouden bundels en twee onmatige, uitbundige bundels, twee dichters die geen woord te veel schrijven, twee dichters die geen woord te weinig schrijven.

‘Gedragen is mijn pas. Dat hoort.’, opent het gedicht ‘Hogepriester’, dat eindigt met de titelwoorden ‘ik heb geslacht’. Gedragenheid is de poëzie van Josse Kok niet vreemd. In korte, krachtige zinnen, soms in de gebiedende wijs, ontvouwt hij een wereld waarin men alleen aan vergeefsheid en ontluistering lijkt te kunnen ontsnappen door het ritmeren van woorden. Kok beteugelt zijn dichtkoorts door punten te zetten die geen tegenspraak dulden:

Ontsmet de wonden, kam het haar.
Houd teugels altijd strak.
Tem het koppige en geef het
schouderklopjes. Fluister kalm.


De lichtvoetige Lucebert draaide ooit een ‘kleine mooie ritselende revolutie’ af, maar Josse Kok heeft geen illusies meer: ‘Wij zijn geen kleine revolutie./ Het verzet is afgeplakt met tape./ De tong rolt uit een helm van bot / en kwijlt een moedertaal.’ De dichter spreekt zichzelf vermanend toe: ‘Gebakken lucht. Je poogt iets / puurs in ritme aan te dragen / maar je rot als ieder ander.’<

Ik heb geslacht is een doorgecomponeerde bundel, gekenmerkt door sombere geladenheid, hallucinatoire visioenen en volgehouden spanningsbogen. De uit het Slam-circuit afkomstige dichter blijft op papier fier overeind en betoont zich ook daar een beloftevol dichter.

Hier kijken we naar van Hannah van Wieringen is een opvallend debuut, en dat niet alleen door de mooie vormgeving ervan. Van Wieringen noemt zichzelf een ‘stotterkaravaan’, bij momenten klinkt ze jachtig of lijkt ze te stamelen, maar met een onmiskenbaar eigen stem ‘kauwt ze zichzelf halsstarrig richting verlichting’.

ik draafde waar de oever laag was door het water
hoog op mijn rug droeg ik een zanger
en hij zong


In haar interpunctieloze gedichten schuwt Van Wieringen de overdaad niet, een overdaad die wonderwel is afgestemd op haar thematiek, de zich monter een weg banende levenslust van de ‘razende daverende kudde’: ‘Wij zijn clubkids sloeries allemaal / zo manisch kussen we elkaar’. Tegelijk gaat Hier kijken we naar niet alleen over de ervaring van hedendaags hedonisme, maar ook over een verlangen dat ‘niets liever wil dan stil’. Hier kijken we naar is een spannende, vitale bundel waarin hulde wordt gebracht aan een Nederlands dat springlevend is – immers

wordt het traag uiteenwijkende holland bijeen
gehouden alleen door dichters
door dichters alleen


Het debuut van Hanneke van Eijken, Papieren veulens, frappeert door zijn uitgepuurde taal en zijn lichte, ingetogen toon. Van Eijken combineert de speelse argeloosheid van een kinderlijke blik met de onderzoekende formuleringen van een gretig observerende volwassene, die weet dat ‘altijd alles kleiner wordt / als je lang genoeg kijkt.’ De afdelingen in Van Eijkens bundel verwijzen naar steden, huizen en kamers, maar haar poëzie zoekt vaak de weidse buitenlucht; van haar rusteloze reislust brengt Van Eijken in rustige, heldere regels verslag uit. Zo begint het gedicht ‘Schepping’: ‘Het vormen van een archipel / is minder moeilijk dan het lijkt // werp eilanden in zee / alsof je een volle hand knikkers loslaat’, een gedicht dat eindigt met het advies om ‘dolfijnen’ toe te voegen en te wachten op ‘reisgidsfotografen’. Papieren veulens is een voor een debuut opmerkelijk rijpe bundel, die zijn weg naar de lezers ongetwijfeld zal weten te vinden. Want:

het is nu alleen een kwestie van gaan liggen
de lippen losjes tuiten, de benen vouwen
als linnen servetten, wachten
tot ik gevonden word


In de debuutbundel Vluchtautogedichten van Maarten van der Graaff is een uiterst beweeglijk en vindingrijk dichter aan het woord. Door middel van elliptische zinnen en associatief taalgebruik keert Van der Graaff zijn hoofd binnenstebuiten. Niet al zijn gedichten geven hun geheimen prijs, maar ‘ontsnappen is sexy’, verklaart hij van meet af aan. De lezer is gewaarschuwd: ‘Ieder rad is bedoeld om iemand voor ogen te draaien.’

Alle hout is pijlhout, Maarten van der Graaff omhelst alle middelen die de verveling en de vermoeidheid kunnen verdrijven, hoe dooddoenerig ze ook lijken (‘Leven is dingen leuk vinden’) of hoe vergeefs (‘vanmorgen viel ik voorover / in het moeras van de ochtend / toen ik mijn ogen opende / was alles hetzelfde’). In de sectie ‘Real Time Autobiografie’ valt het lange gedicht ‘Olatile’ op, het onnavolgbare verslag van een cruise, dat oplicht in een programmatische passage als deze:

tegen verveling eindeloos dode mannen op de planken
alles immers dorst naar goud en hangt aan goud
waar zijn mijn Van der Graaff-geschriften?
– ik las alles en vergat het,
luttele eonen in de hink-stap-zwammerwoeker-modus nu al de gekwelde
uitgekattebeld niks aan volk en vaderland te melden opgespeld
de zware decoratie van de vrijheid en de weerstand
denk er nooit meer aan
zoeken geavanceerd zoeken


Van der Graaff is een geavanceerd zoeker. In de lange sectie ‘Vrije encyclopedie’ neemt hij een loopje met elke vorm van encyclopedische systematiek, en trakteert de lezer op euforiserende Lebensbejahung met een hoog grabbeltongehalte. Opvallend zijn de vele al dan niet obscure verwijzingen naar de wereld van de media, de film en de Nederlandse poëzie. In een hilarische, oneerbiedige sessie namedropping schrijft hij zich achteloos de Nederlandse poëzie binnen; hij is een ‘net, nuttig mens, dat zich scherpt aan reuzengrote felverlichte voorgangers!’

Criticus Piet Gerbrandy karakteriseerde de gedichten van Van der Graaff met de term ‘onmooi’, wat niet wegneemt dat we stuiten op verstilde regels als ‘Het is moeilijk te zeggen hoe moe alles is’. Kenmerkend voor Van der Graaff zijn vooral de onverwachte woordcombinaties, de nimmer voor één gat te vangen ironie en de ‘implicitaten’: één jurylid was prettig verrast een eigen-geschreven versregel losjes gerecycled te zien worden in een Van der Graaffgedicht.

En de winnaar is…

De jury was onder de indruk van de spankracht van Van der Graaffs gedichten, qua compositie, woordenschat en thematiek. Met Vluchtautogedichten geeft hij blijk van een groot poëtisch en meta-poëtisch zelfbewustzijn. Als eindpunt van een poëtische ontwikkeling kan dat dodelijk zijn, maar als vertrekpunt lijkt het de jury juist veelbelovend.

Bluf, branie en bravoure is een goede grondhouding voor debuterende dichters, ook dat valt te lezen in Baudelaires ‘Wenken voor jonge letterkundigen’. Die Wenken schreef Baudelaire op vijfentwintigjarige leeftijd, hij was toen zelf een jonge letterkundige en had aan bravoure geen enkel gebrek. Baudelaire zocht een leven dat in het teken zou staan van het te scheppen werk en van de verdiensten die dat moet opleveren – eeuwige roem en een schip met geld.

Een dichter met zulke ambities vraagt niet nederig om te worden toegelaten in het huis van de poëzie, die morrelt niet zachtjes aan de poort, maar valt met het nodige misbaar en laweit binnen, die overrompelt het dienstdoende orkestje en zet het zelf op een toeteren. Literair bestaansrecht, meent Baudelaire, wordt niet afgesmeekt maar afgedwongen. Naar de unanieme mening van de jury vormt één bundel dankzij bluf, branie en bravoure van die stelling een overtuigend bewijs. De C. Buddingh’-prijs 2014 gaat naar Vluchtautogedichten van Maarten van der Graaff.

Namens de jury van de C. Buddingh’-prijs 2014,
Rokus Hofstede
Patrick Peeters
Anne Vegter

Naar de overzichtspagina

Delen