Paul Bogaert
Paul Bogaert (Brussel, 1968) debuteerde met Welcome hygiëne in 1996 en kreeg er meteen de Prijs voor Letterkunde van de provincie Vlaams-Brabant voor. Sindsdien publiceerde hij nog vier bundels, die onderling sterk verschillen, maar waarmee Bogaert een van de meest opvallende en herkenbare stemmen in de Nederlandstalige poëzie is geworden. De verteller van de gedichten geeft zich onophoudelijk over aan analyses van zichzelf en anderen die bijzonder vervreemdend werken. In Circulaire systemen zijn het in zichzelf gesloten systemen die de dichter fascineren. AUB uit 2006 is een bundel over geven en nemen, waarin veel ‘andere mensen’ opduiken.

Bevreemdend
Paul Bogaert is een dichter met een bijzonder scherp oor voor de kleinste nuances waarmee de hedendaagse taal uit verschillende domeinen bewust of onbewust geladen is. Hij weet die nuances op bijzonder ingenieuze wijze uit te buiten door die verschillende registers te betrekken op onderwerpen die zulke taal moeilijk verdragen, of er thema’s mee te verwoorden waarin dergelijk vakjargon een bevreemdend effect heeft. Daardoor zijn zijn gedichten niet alleen taalkritische bouwsels die ideologische vooronderstellingen maskeren, maar reflecteren ze tegelijkertijd op de werkelijkheid waarin we dagelijks trachten te lezen.

Ons verlangen
Met Ons verlangen publiceerde Bogaert opnieuw een verrassende bundel, zoals we van hem gewend zijn en ook verwachten, maar die we toch onmiddellijk als een van hem herkennen. Zelf schrijft hij op de achterflap: ‘Deze bundel gedichten had eerst Man en vrouw als titel. Ons verlangen is een betere vlag voor de lading: een duidelijk overzicht van wat we zeker weten over wat ons allemaal drijft.’ Ironisch genoeg blijkt de bundel enkel reeksen te bevatten met als overkoepelende titel ‘Onzekerheden’. De bundel lijkt vooral te gaan over het ongemak waarmee de sprekers in de gedichten in het leven staan en dat vooral, maar niet alleen daar, ervaren wordt in de omgang met het andere geslacht. Onmogelijk in te lossen verwachtingen, teleurstelling en onbegrip voeren de boventoon.

Tweede Herman de Conickprijs
Ons verlangen leverde Bogaert voor de tweede maal de Herman de Conickprijs op. De jury verantwoordde de nominatie van de bundel als volgt: ‘In Ons verlangen draagt Bogaert de van hem bekende, bizarre omarming van de moderne tijd nog een stap verder. Als geen ander weet Bogaert de taal van bezinningsdagen op kantoor, reclame, het jargon van hip holistisch management, gedachteloos parlando en andere taal die het zelden of nooit tot poëzie brengt naar zich toe te trekken. Dit levert een sterke, onvermijdelijke en confronterende bundel op die nog lang na het lezen blijft doorzingen. In zijn gedichten fileert Bogaert met chirurgisch gereedschap het ongemak, de pijn en de onzekerheid van het alledaagse, onpoëtische leven.’

Nog ongehoorde taal
Er zijn geen regels in de poëzie. Wie de valkuilen van de taal niet omzeilt maar juist omarmt en in een nieuwe, nog ongehoorde taal weet samen te brengen, verdient het om gelauwerd te worden. Dit is een bundel die de poëzie verder brengt.’

Tekst: Patrick Peeters
Foto: Koen Broos

De bundel Ons verlangen (De Bezige Bij Antwerpen, 2014)


Is dat wel iets
Hij smijt haar op het bed, dat moet,
die coltrui moet uit,
de rest ook, een scheur is niet erg, hij moet snel
met zijn huid
op haar huid gaan liggen; zij is onderkoeld.
Of dat wel iets voor mij is? Natuurlijk.
Als het lukt met die poriën, dan is zij gered!
Ik ben oud genoeg; ik weet
tot welke combinaties deze context leidt.
Ze zweet en ze hoest en ze moet hem nu voelen.
De kajuit wat een mooie kajuit is een kajuit
rond een rat. Voor het leven.

Na het succesvolle de Slalom soft schreef Paul Bogaert een verrassende dichtbundel over het dagelijkse leven.
Paul Bogaert: `Deze bundel gedichten had eerst MAN & VROUW als titel.
Een poging om de geslachten eens goed te belichten.
Ons verlangen is een betere vlag voor de lading: een duidelijk overzicht van wat we zeker weten over wat ons allemaal drijft.

Het gedicht ‘Onzekerheden 24’


Neem nu
de tongpunt van X
in de oorschelp van Y: mooi

voorbeeld van een ja-neevraag
die onmogelijk beantwoord kan worden.
Tenzij met de Y-tong in het X-oor.

Daar heb je de bruut en daar heb je de vakman
voor het hang- en sluitwerk in het zenuwcentrum.
De ene kent de regio goed.
De andere weet wel raad met zoveel beaufort. Die glijden dus weg in een informeel overleg.

Zonder ons!
Wij stretchen de leukste grondbeginselen,
verdraaien bewijzen, vergelijken functies,
vieren het voorbarige.


Uit: Ons verlangen

Video's




Paul Bogaert ontving op 8 november 2011 de driejaarlijkse Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Poëzie 2010-2011.



VSB Poëzieprijs 2011: Nominatierapport de Slalom soft



‘Een wereld zien in een zandkorrel / en een hemel in een wilde bloem / houd de oneindigheid in de palm van je hand / en de eeuwigheid in een uur’. Ook Paul Bogaert ziet een wereld in zijn bundel de Slalom soft, maar dan wel op een radicaal andere plaats gelokaliseerd dan de romanticus William Blake. Bogaert vertelt namelijk in een bedrieglijk bevattelijke en alledaagse maar bijzonder rijke en verrijkende taal over de gebeurtenissen in een tropisch zwembadcomplex, dat is voorzien van alle mogelijke gadgets.

In dat artificiële paradijs is een redder aan het werk, die behoorlijk in de war lijkt: hij kent het verschil niet tussen tam en wild (‘Noem je dit mak? / Noem je dit wild?’), zijn lichaam en de omgeving lopen in elkaar over (‘of staar je / naar de rotspartij in de Arizona-zone / of staar je / naar je palmen / of staar je / naar de dikke aders van kunststof, die mensen / met veel verbeelding aan raffinage en lozing doen denken.’), hij ziet het onderscheid niet tussen ‘een banale druppel’ en ‘een pikzwarte traan’. Dat laatste draait uit op een catastrofe: een drenkeling raakt in een shocktoestand en wordt ‘een druppel die uitloopt en zich strekt tot een ramp’ – waarna de redder ondervraagd wordt en uiteindelijk wordt opgesloten (hij ontwaakt ‘hard in een glas-en-staalfantasie’). Het bovenstaande lijkt, op het eerste gezicht althans, een verdedigbare parafrase van deze bundel, die immers onmiskenbaar veel belang hecht aan zijn narratieve dimensie; veelzeggend zijn onder meer de typische sturende ondertitels aan het begin van elk onderdeel, van het genre ‘Waarin de werkmens zich op de dagtaak richt’, en de vele tijdsaanduidingen.

Nochtans bezondigt een lezer die de bundel zo aanpakt, zich aan precies datgene wat de redder verweten wordt door zijn ondervragers: ‘Je liegt en je filtert / bijzaken’. Zo’n lezer gaat immers evengoed voorbij aan talrijke niet ‘vertaalbare’ passages, en dat ondanks herhaalde expliciete waarschuwingen tegen een homogeniserende lectuur (‘Waarin samenvatten bijzonder moeilijk om niet te zeggen / onmogelijk wordt’). In deze ingenieuze opzet schuilt de bezwerende kracht die van deze performatieve bundel uitgaat: hij voltrekt aan de lezer wat hij beschrijft. Zo belandt de lezer in het beklaagdenbankje en komen de tl-lampen van deze slopende wereld boven zijn eigen hoofd te hangen – de lezer bevindt zich nu zelf in de ‘planeet in een fles’, zoals het zwembad halverwege de bundel wordt genoemd.


Naar de overzichtspagina

Delen